Covidsluizen

Als je naar de kroeg, het theater, een restaurant, een museum, de keukenhof, een festival of Duitsland wil, moet je covidnegativiteit zijn aangetoond. Zonder bewijs van covidnegativiteit kom je er niet in. Het moet allemaal worden mogelijk gemaakt door snelle testmethoden. Hoe sneller en makkelijker deze “covidsluizen” werken, hoe beter, zou je denken. Als ik de pessimistische nieuwsberichten over de vaccinatie in derde wereld landen moet geloven kan het nog wel eens jaren kan duren voor we de hele covid-familie definitief wereldwijd hebben uitgeroeid. Deze berichten schetsen een toekomst waarin we regelmatig geteisterd zullen gaan worden door nieuwe en steeds besmettelijkere mutanten van covid.

Ik begin daarbij dan te vrezen voor een toekomst waarin covidsluizen een permanent onderdeel gaan worden van het leven. Bij de ingang lopen we één voor één door de sluis. Een persoon achter een plexiglazen scherm vraagt je om zo hard mogelijk in een steriel trechtertje te hoesten. Bliep… licht op groen, komt u verder. Bliep… licht op rood, besmettingsgevaar! De besmettelijke en diens gehele sociale netwerk wordt in de daarop volgende seconden volledig doorgelicht. Diegenen waarmee nog kort geleden contact is geweest worden à la minute van hun plek gehaald, waar ze zich ook maar mogen bevinden en wat ze ook maar aan het doen waren. Ze moeten per ommegaande hun covidnegativiteit laten vaststellen bij een plaatselijke covidsluis voor ze weer verder mogen met hun leven.

De covidpositieven die uit deze procedure naar boven komen worden volautomatisch ziek gemeld en discreet maar dringend naar huis gestuurd. Daar zal een speciale vervoersdienst voor in het leven zijn geroepen: de covid-taxi. Je eigen auto zal namelijk niet starten. Ter immobilisatie van het virus hebben alle auto’s tegen die tijd immers beslist een covid-slot. De tegen die tijd in alle huizen standaard aanwezige, slimme koelkast is natuurlijk al geïnformeerd en heeft meteen alle nodige bestellingen voor de betroffen covidpositieven gedaan zodat zij en hun huisgenoten de voorziene incubatietijd niet meer naar buiten hoeven. Deze voorraden staan al op hun stoepje te wachten. Wel zo veilig, wel zo efficiënt. Van harte beterschap!

Winddichtheid

In de aanloop naar de lente wordt de winterjas te dik maar is de zomerjas nog te dun. Nu heb ik trouwens geen zomerjas. Ik heb zo’n waterdichte outdoor jas met een uitritsbaar vest. En het is niet zomaar een vest. Het is zo’n vest met hoge winddichtheid. Gemaakt van high tech materialen. Licht en toch winddicht. Een echte windstopper. In staat om die kille, onstuimige windvlagen een halt toe te roepen.

Nu vroeg ik me af, zouden die materialen van dat supervest ook iets kunnen betekenen voor flatulente types? Windstoppend ondergoed, tegen hoge winddichtheid. Ik zal wel weer te laat zijn met de patentaanvraag.

Zo rot nog niet

Vandaag had ik een mooi gesprek met een vakgenoot. Toen ik voor dat vak studeerde, moest hij nog geboren worden. Generatie X praat met generatie Y. Het vak verbindt ons, en zorgt ervoor dat we elkaar feilloos kunnen volgen. Een tijdje terug wist hij niet dat we vakbroeders zijn. Geduldig luisterde ik hoe hij me in Jip en Janneke taal uitlegde hoe het allemaal werkte waaraan hij had gewerkt. Ik merkte wel dat hij vermoedde dat ik waarschijnlijk heel veel over zijn vakgebied wist, want hij legde ook heel veel niet uit.

Op gegeven moment stelde ik daarom maar even een vraag waarmee hij zijn vermoeden in één keer bevestigd kreeg. Vanaf dat moment spraken we in halve woorden. De rem ging eraf en we spraken rap en volleerd in ons schitterende jargon. Ik hoorde mezelf op een bepaald moment zeggen dat hij nu technieken totaal vanzelfsprekend toepast die destijds in mijn opleiding nog heel experimenteel en vernieuwend waren, zelfs omstreden.

Op dat moment drong het tot me door. Ik begin zo langzaamaan een oude rot te worden. Dat gaf me aanvankelijk een beetje een onverteerbaar gevoel, maar ik dacht er eens over na. Een rot heeft zijn beroep doorleefd. Een rot is taai. Een rot heeft stormen doorstaan. Vandaar die verweerde, ouwe kop. Een rot weet hoe koeien hazen vangen. Een rot is geduldig. Een rot weet dat hij heel veel niet weet. Als je het zo bekijkt, is rot zijn zo rot nog niet.

Weg van

Waar ben je dan, als je van iets (of iemand) weg bent? Niemand zegt dat er even bij, terwijl dat misschien best iets toevoegt. Bijvoorbeeld: “Ik ben helemaal weg van je nieuwe schoenen, als je me nodig hebt, ik ben in mijn boomhut”. Dat “helemaal” geeft trouwens ook te denken. Kan je ook ten dele weg zijn? En als je van iemand weg bent, wil je daar toch eigenlijk helemaal niet ver bij uit de buurt zijn? En nu ik erover nadenk klinkt “bij iemand weg gaan” ineens ook erg tegenstrijdig. Bij versus weg. Ik hoor mensen ook wel eens zeggen dat ze even helemaal weg moeten zijn van alles. Onverschillige types, die mensen, maar gelukkig zijn ze dat dan maar tijdelijk.

Met een schuin oog

“Als ik met een schuin oog naar de klok kijk, zie ik dat we niet heel veel tijd meer hebben”, zei iemand laatst in een vergadering. Hij zei er nog wat dingen achteraan, maar ik was blijven steken bij “met een schuin oog kijken”. Mijn hoofd ging erop aan. Hoezo schuin kijken met één oog? Dat andere oog gaat toch vanzelf mee schuin staan? Of is het de bedoeling dat ik die andere dichtknijp terwijl ik met die andere schuin kijk? De kwestie liet me niet meer los. Natuurlijk moet ik het niet zo letterlijk nemen, maar ik kan het niet helpen. Mijn hersenen struikelen er gewoon over. Het zit scheef en iedereen weet dat. Waarschijnlijk moet ik hier maar weer gewoon een oogje toeknijpen en het met mijn andere oog schuin door de vingers zien.

Reikhalzen

Bij reikhalzen denk ik aan verlangen naar iets dat nog buiten je bereik hangt. Je ziet het, maar je kunt er nog net niet bij. Ik vind het woord “reikhalzen” ontzettend goed passen bij de periode die we momenteel met z’n allen doormaken. Eigenlijk lijken we allemaal vooral reikhalzend uit te zien naar ons oude, vertrouwde normaal. Dat oude normaal dat we zo voor lief namen, hangt nu verlokkelijk boven ons te bungelen.

We moeten ons trouwens ook maar afvragen of er wel sprake kan zijn van één universeel normaal. Ik geloof dat niet. Dat “nieuwe normaal” is ook gewoon maar een eenvoudig te onthouden labeltje dat is geplakt op een set richtlijnen die we nu zouden moeten volgen. Als je het omdraait doe je dus niet normaal als je die richtlijnen niet volgt. En om dat kracht bij te zetten worden we door herhaaldelijke blootstelling aan besmettingscijfers met de neus op de feitelijke gevolgen van abnormaal gedrag gedrukt.

Het “oude normaal” is daarmee verworden tot een labeltje dat is geplakt op een losbandig leven waarin we maar wat als beesten dicht op elkaar leefden en er op los knuffelden terwijl we vrijwel nooit onze handen wasten en daar, als je je netjes gedroeg, constant in hoestten en niesden. Man, wat zie reikhalzend uit naar dat heerlijke oude zwijnenleven.

Touwtjes

Het voelt goed om keuzes te maken. Iedere keuze bepaalt een stukje van de toekomst. Als het precies zo uitpakt als je dacht, dan is dat mooi, want dan was de keuze goed. En als het allemaal een beetje anders uitpakt, dan is het ook mooi, want dan weeg je een volgende keuze weer een beetje beter af.

Je leert eigenlijk altijd van je keuzes. Vooral als je zelf en bewust kiest. Bewust van de gevolgen van de keuze. Het maken van de keuze kan spannend zijn als de gevolgen ver in je leven strekken en/of niet omkeerbaar zijn. Ik vind die spanning stiekem best wel lekker. Op momenten voordat ik een spannende beslissing neemt, voel ik dat ik leef. Dus rek ik die momenten zo lang als ik durf.

Je kunt je verstand gebruiken om te kiezen, maar ook je onderbuik. Soms kan mijn verstand de keuze niet maken, terwijl mijn onderbuik het wel weet. Dan luister ik vaak naar die onderbuik. Je kan trouwens ook altijd besluiten om niet te kiezen, maar dan verandert er ook niks. En op zichzelf is dat natuurlijk ook altijd een keuze.

Het voelt voor mij goed om mijn eigen keuzes te maken. Dat heb ik een veel te lange periode te weinig gedaan. Ik had op gegeven moment nog maar heel weinig eigen touwtjes in handen. Misschien kwam dat omdat ik geloofde dat je altijd alle keuzes met je verstand moet maken. En dat is dus onzin, weet ik nu. Kiezen met gevoel kan me meestal veel gelukkiger maken dan kiezen met mijn verstand.

Als je écht zelf kiest, dan draag je daar ook veel makkelijker de verantwoordelijkheid voor. Een eigen keuze is een eigen touwtje. Soms werkt dat trouwens ook andersom. Als de keuze voor jou is gemaakt door iemand anders, en er is niets meer aan te doen, dan kun je meestal niet veel meer doen dan je lot accepteren. Maar dat hoeft niet te betekenen dat je het lijdzaam moet ondergaan. Door dan verantwoordelijkheid te nemen, wordt het toch jouw touwtje. Die bewuste binding met de touwtjes is denk ik ook waar het uiteindelijk om gaat.

Er zijn altijd touwtjes in je leven. Teveel is niet goed, maar te weinig ook niet. Wat teveel/te weinig is, bepaal je vooral zelf. Touwtjes moet je vast pakken of juist niet, maar ook los laten of juist niet. In wezen zijn dat de vier oerkeuzen in het leven van een mens.

Warmte

Alsof het een uit een nest gevallen kuiken is, pakt hij voorzichtig het smeulende plukje stro met zijn beide handen op. Om het in leven te houden brengt hij het dichtbij zijn gezicht en blaast er zachtjes op, bijna teder, de belofte van warmte koesterend. Deze prille bron van warmte, deze zachte, zachte gloed voedt op haar beurt het vuur dat smeult in zijn hart.