Otto en de lompe stier

Op een smal landweggetje rijdt met een rustig gangetje, een roestig Golfje, bouwjaar 1978. Ooit was het waarschijnlijk wit, maar dat is bijna niet meer te zien. Hier en daar zitten gaten in de carrosserie, en de achterbumper hangt scheef. De auto ziet eruit alsof het rijp is voor de sloop. De motor pruttelt en blaast af en toe hoestend een wolk zwarte rook uit de uitlaat. De motor is eigenlijk op sterven na dood. Dat het ding nog rijdt is een waar mirakel.

Achter het stuur zit een 2 meter lange magiër genaamd Otto. En de haastige bestuurder van een veel nieuwere Golf achter  Otto maakt de grote vergissing om te proberen om Otto op te jagen. Dit doet hij door dicht achterop Otto’s bumper te rijden en heen en weer te slingeren. Otto trapt resoluut op de rem. De bestuurder van de andere auto moet uitwijken en belandt daardoor met zijn auto half in de sloot.

Vloekend en tierend klimt de man – type lompe stier – uit zijn auto en beent op Otto af, die nog bezig is om zijn gordel los te maken. Woest rukt de boze man de deur van Otto open, met als gevolg dat de hele deur afbreekt. De man kijkt er even verbaasd naar, maar smijt de deur dan maar op de grond. Intussen vouwt Otto zich bedaard achter zijn stuur vandaan en staat even later tegenover het boze mannetje dat ruim 2 koppen kleiner is dan Otto. Het stiertje kijkt woedend naar hem op.

Otto duwt het rund eenvoudig opzij en kijkt met één oog door zijn duim en wijsvinger die hij vlakbij bij zijn oog heeft naar de andere auto. En terwijl hij door zijn duim en wijsvinger blijft turen, pakt Otto de auto simpelweg met zijn duim en wijsvinger vast, tilt het met gemak uit de sloot en zet het behoedzaam achter zijn eigen auto weer op de weg. Hij gaat tussen de twee auto’s in staan en knipt tegelijk met de vingers van zijn beide handen. Zowel de motorkap van zijn eigen auto, als die van de andere auto springen braaf open.

“Hee, wat ga je doen!?”,  vraagt het stiertje waarvan de boosheid intussen is omgeslagen in verbazing. “Ssssst!”, sist Otto en sluit zijn ogen. Hij mompelt iets dat klinkt als “zabbazabbajaja,zabbazabbajaja zabbazabbazap” en klapt plotseling zijn grote handen hard op elkaar. De motoren van beide auto’s starten en klinken alsof er iemand steeds  de gaspedalen van de auto’s intrapt en weer loslaat.  De motor van Otto’s eigen auto pruttelt en rochelt terwijl er vette wolken zwarte rook uit de uitlaat komen. De andere, veel jongere motor klinkt veel gezonder.

Otto staat, nog steeds met de ogen gesloten, tussen de twee auto’s in, met zijn linker handpalm naar zijn eigen auto gericht, en zijn rechter handpalm naar de andere. En dan, in één snelle beweging, zwaait hij zijn linkerhand boven zijn hoofd naar rechts, en zijn linker hand voor zijn buik naar rechts. Vanonder beide motorkappen komt op het zelfde moment een felle flits. Beide motoren draaien nog steeds, maar nu komt het gepruttel en gerochel uit de moderne Golf, evenals de zwarte rook.

Otto wrijft in zijn grote handen en wil weer in zijn auto stappen, maar bedenkt zich. Hij loopt terug naar de andere auto en rukt het bestuurdersportier eraf. Deze neemt hij mee naar zijn eigen ouwe Golfje en bekijkt of het op zijn auto past. Het is ruim 10 centimeter te breed, en past eigenlijk niet.  Otto geeft de deur dan maar aan het lompe stiertje, die het verbouwereerd aanneemt. “Wa-wa-wa,  hoe-hoe-hoe?”, stamelt deze. Maar Otto geeft geen antwoord.

Rustig pakt Otto zijn eigen deur op en houdt het op een paar centimeter afstand van zijn auto, en laat het los. Alsof het door een sterke magneet werd aangetrokken, klikt de deur weer vast. Tevreden opent Otto vervolgens zijn deur en stapt behoedzaam achter zijn stuur. Hij draait zijn raampje open en zegt: “bedankt voor de motor, die van mij was al wat op leeftijd en lekte olie. Hij draait niet heel best meer, maar je komt er waarschijnlijk nog wel mee thuis hoor!” En dan scheurt Otto er met piepende banden vandoor. De arme stier kijkt hem, door het raampje van het portier dat hij in zijn handen heeft, met trillend onderlipje na.

Feestbeesten

In mijn jeugd zongen de Beasty Boys: You gotta fight, for your right, to….paaaaaaarty. Daar had ik dus helemaal niks mee. Ik ben geen feestbeest. Ik heb die obsessie voor feesten nooit begrepen. Niet dat ik in die tijd nooit naar feestjes ging hoor, daar niet van. Natuurlijk ging ik af en toe ook wel eens naar een feestje en dan ging ik ook best uit mijn dak, maar ik voelde nooit die onbedwingbare drang tot feesten. Feestjes moeten in mijn beleving juist ongedwongen zijn.

Mijn feestjes kenmerkten zich overigens ook niet door een zuip-obsessie met het doel om zo snel mogelijk dronken te worden. Ik ging naar feestjes vanwege de gezelligheid. Ik heb geen alcohol nodig om me gezellig te voelen. Natuurlijk dronk ik best een biertje of wat, maar niet omdat ik dronken móest worden.

Ook had ik nooit last van die “peer pressure” die ervoor zorgt dat jongeren gaan roken. Ik parkeer mijn auto regelmatig bij een P+R tegenover de ingang van een VO-schoolgebouw. Ik vind die zogenaamd stoere kindertjes die daar met zo’n stom peukje in hun mond staan te paffen, helemaal niet stoer. Eerder zielig.

Hopelijk zien mijn kinderen dit ook zo. Nu zijn ze nog te jong voor alcohol en sigaretten. Laatst, tijdens het eten, probeerde ik eens “op subtiele wijze” te peilen bij mijn kinderen hoe ze over roken denken. Dus ik zeg tegen mijn vrouw: “schat, wanneer zullen we onze tienertjes eens gaan leren roken? Ze zijn er al bijna groot genoeg voor”. Er klapten van schrik drie tienerkinnetjes op tafel. En mijn dochter schreeuwde diep verontwaardigd, voor mijn vrouw antwoord kon geven: “Papa, doe toch eens normaal! Ik ga toch zeker niet roken! Dat is hartstikke vies en je gaat er dood van hoor!”.

So far, so good. Hopelijk blijven ze nog lang en stellig bij die mening. Dát is namelijk wél stoer. Ik hoop ook dat mijn kinderen geen obsessieve feestbeesten worden, en niet meedoen met dat idiote comazuipen. Tot nog toe zijn de signalen gunstig. Als ze ‘s ochtends een borrelglaasje op het aanrecht zien staan (en dat komt zelden voor), word ik door de kinderen bezorgd en een tikje teleurgesteld aangekeken. De tijd zal leren of ze zich ontpoppen tot feestbeesten, maar ik heb er een heel goed gevoel over.

Op blauwe maandagen je best doen

Als kind heb ik op een blauwe maandag ooit eens op voetbal gezeten. Maar als ik vroeger aan mijn ouders vroeg of ik op een sport mocht, dan kreeg ik altijd te horen dat we niet aan blauwe maandagen deden. Ik moest mijn best doen om het minstens een paar maanden vol te houden. Blauwe maandagen duurden daarom dus minstens twee maanden, was mijn interpretatie.

Zo heb ik een blauwe maandag gewaterpolood, gebadmintond, gejudood en dus ook gevoetbald.  Ook heb ik blauwe maandagen besteed aan postzegels verzamelen, ornithologie, schaken en gitaarles. Ik geloof dat mijn langste blauwe maandag vroeger zelfs wel een jaar geduurd heeft.  Kortom: ik deed heel erg mijn best als het ging om blauwe maandagen.

Vandaag was het blijkbaar blauwe maandag. De dag waarop je je blijkbaar depressief moet voelen omdat je nog een halve januari voor de boeg hebt. Omdat je je blijkbaar moet realiseren dat de blauwe maandag waarin je probeerde te stoppen met slechte gewoontes, niet langer duurde dan twee weken. Omdat één van die slechte gewoontes blijkbaar geld over de balk smijten was.

Niks van gemerkt, die blauwe maandag. Ik doe niet aan blauwe maandagen, zeker niet voor maar één dag. Dat heb ik van mijn ouders geleerd, en ik leer het nu ook aan mijn kinderen. Het leven zit natuurlijk vol blauwe maandagen. Het zijn periodes waarin je op ontdekking bent naar je identiteit. Het zijn periodes waarin je leert te vallen en weer op te staan. Het zijn periodes waarin je vriendschap en liefde vindt. In die periodes verleg je je grenzen en maak je je horizon breder.

Voor mij staat die blauwe maandag symbool voor proberen en leren.  Eigenlijk was ik een beetje vergeten dat je je hele leven lang aan blauwe maandagen kan doen, en dat ik die in soms eindeloos uit rek. Zo zit ik momenteel nog midden in een blauwe maandag waarin ik verwoede pogingen doe te bloggen. Die duurt intussen al een jaartje of 8. En een nog langere blauwe maandag duurt precies even lang als de leeftijd van mijn oudste kind. En onlangs ben ik begonnen aan een blauwe maandag wereld redden. Ik doe mijn best.

Schaatsen op straat

Nadat ik gisteren, vanwege de ijzel, het grootste deel van de dag thuis stoïcijns achter mijn laptop had zitten werken, besloot ik rond een uurtje of 4 in de middag ook maar eens het ijzige weer te trotseren. Even naar de supermarkt om spekvet te halen voor de geplande bietenstamppot. Ik glibberde met kleine, stijve stapjes over de spekgladde klinkertjes van de straat terwijl er kinderen op de schaats langs me roetsjten.

Na een goeie twintig minuten glibberen en glijden kwam ik bij de Appie. Daar was het nagenoeg uitgestorven. Code Rood maakt blijkbaar indruk. Even later stond ik weer buiten om weer aan de glibbertocht terug naar huis te beginnen. Maar toen herinnerde ik me dat ik bij de Aldi, van die spike-zooltjes had gezien die je onder je schoenen kunt binden. Ik besloot dat dit extreme weer me geen andere keus bood dan het aanschaffen daarvan. En een minuutje of 10 later stapte ik met zekere en “knirspende” (alsof ik voortdurend op een grindpad liep) tred over de glibberigste stukjes Dwingeloo die ik maar kon vinden.

Terug in mijn straat schaatsten mijn kinderen me tegemoet. Hee Papa, waarom knirspen je schoenen zo? En toen liet ik ze zien dat ik gewoon kon rennen zonder uit te glijden. Dat kwam ze goed van pas, want nu mocht ik de slee gaan trekken, liefst zo hard mogelijk.

Pas toen het al wat begon te schemeren drong het ineens tot me door hoe stom het was om me de hele dag op de zolder op te sluiten voor mijn o zo belangrijke werk. Hoe vaak komt het voor dat je op straat kunt schaatsen? De laatste keer dat ik dat deed was 35 jaar geleden. En zo kwam het dat ik even later op mijn trouwe ouwe Vikings een sleetje vol kinderen door de straat sleurde. Wat een pret!

Donkerblauw

Kleur: donkerblauw, stond erbij op de website. En in mijn maat beschikbaar, dus hup het winkelwagentje in. Enkele dagen later werd de broek, op het door mij gekozen tijdstip bezorgd. Heel mooi.  Maar toen ik de spiksplinternieuwe jeans uit de zak haalde, bleek dat donkerblauw niet te onderscheiden van zwart. Alleen bij een directe vergelijking bij klaar en helder daglicht, met een object waarvan ik 100% zeker wist dat het zwart was, in dit geval een tukkerpiano (glanzend zwarte piano dus, met een dankbare knipoog naar Herman Finkers), zag ik dat mijn nieuwe broek inderdaad ietsiepietsie blauwiger oogde dan de piano.

De broek was dus bijna zwart maar bevatte net genoeg blauw om te kunnen worden geclassificeerd als donkerblauw. Works for me! Qua kleding ben ik niet zo’n Pietje Precies. De broek heb ik maar gewoon gehouden. Het was voor het eerst dat ik online een kledingstuk kocht, en het paste zowaar perfect. Dan ga ik niet pietluttig doen over de zwartheid van het blauw. Wacht es even, als we nou de Zwarte-Pieten-smink ook ietsiepietsie aanlengen met blauw…

Lachgasneutraal

Dat onze aarde opwarmt komt maar ten dele door de CO2-uitstoot van onze vervoermiddelen, heb ik onlangs geleerd. De grootste boosdoener is blijkbaar helemaal niet het verbranden van fossiele brandstoffen. Het verminderen van de CO2-uitstoot gaat de opwarming van onze aarde nauwelijks tegen, in ieder geval niet meer snel genoeg. Er is namelijk een andere boosdoener die veel schadelijker is voor ons klimaat: veeteelt.

De wereldbevolking groeit ieder jaar met 80 miljoen mensen. Dus de wereldwijde behoefte aan vlees en zuivelproducten stijgt ieder jaar. Daardoor neemt de schaalgrootte waarmee veeteelt wordt gedaan alsmaar toe. Al die steeds groter wordende hoeveelheid runderen (maar ook varkens en kippen) hebben een alsmaar groeiende hoeveelheid water en voer nodig. Er worden jaarlijkse vele hectares oerwoud gekapt om te voorzien in de behoefte aan veevoer. En al die koeien laten ongelooflijk veel scheten die  methaan en lachgas (296 keer schadelijker voor ons klimaat dan CO2) bevatten.  Het schijnt dat een kilo rundvlees, qua uitgestoten broeikasgassen, even schadelijk voor het milieu is als een autorit van 45 kilometer.

Misschien had ik beter niet naar de Cowspiracy-Infographic-Metric
Cowspiracy-documentaire
kunnen kijken. Het heeft me nogal aan het denken gezet. Het heeft me nogal serieus laten overwegen om mijn consumptie van vlees en zuivel drastisch te gaan verminderen. Misschien moet ik wel vegetariër worden, of nog drastischer: veganist. Daar loop ik nu dus over na te denken. De feiten liegen er echt niet om. Kijk maar in (klik maar op) de infographic hiernaast. 2500 koeien produceren jaarlijks evenveel organisch afval als een stad met 411000 inwoners. De hoeveelheid water die nodig is om 1 hamburger te produceren is 3000 liter, evenveel als 2 maanden lang onafgebroken douchen.

Bij iedere hap vlees, en bij iedere slok melk draag ik bij aan onze klimaatverandering. Iedere hap en slok is een hap uit een stuk oerbos. Iedere hap kost honderden liters water. Een vergelijkbaar sommetje kun je ook maken voor kippenvlees en eieren.  Veganisme schijnt wel hartstikke  gezond te zijn, maar o wat zou ik die boterham met kaas missen. Of een gebakken eitje.

Oud en nieuw komt er straks al weer aan. Ik geloof dat ik mijn goeie voornemens al weet. Ik wil , nee moet, “lachgasneutraal” (natuurlijk is het breder dan dat, maar het klinkt wel goed)  gaan leven. Maar ik weet ook dat ik het nemen van het besluit om veganist te worden heel moeilijk ga vinden. Parttime veganisme lijkt me niet genoeg, maar misschien moet ik het wel langzaam opbouwen. Tips en aanmoediging zijn welkom!

 

X-Collega

Natuurlijk was de zomervakantie dit jaar al weer veel te kort. Dat is altijd zo. Ik donderde er wel hals-over-kop in, en meteen erna kon ik op vol vermogen doorgaan waar ik mee bezig was. Dat was níet altijd zo, maar schijnt vandaag de dag normaal te zijn. Misschien komt dat wel door het Nieuwe Werken. Ik werk al jaren nieuw.

X-werken heet dat bij Enexis. De X is een soort lievelingsletter van Enexis. X staat voor doorkruising, kruisverbanden en kruisbestuiving. X-werken betekent dat werk- en privé-zaken elkaar gedurende de dag doorkruisen. Je doet ze gewoon op de momenten die voor jou handig uitkomen. Door elkaar en tegelijk. De grens tussen werk en privé is daardoor vervaagd. Eigenlijk zou het X-leven moeten heten.

In de zomervakantie ga ik trouwens wel zoveel mogelijk “offline”. Alleen whatsapp en een beetje facebook om de beleefde belevenissen met familie, vrienden en bevriende collega’s te delen. En als je na de vakantie dan weer helemaal online gaat, word je dus meteen bedolven onder een tsunami van e-mail. Nadat ik mijn telefoon weer online had gezet stond ‘ie binnen enkele minuten bol van de ongelezen berichtjes. En het eerste berichtje dat ik las ging toevallig over een interessante vacature.

Eigenlijk was ik nog niet direct op zoek naar een andere baan. Wel vond ik het in mijn huidige baan wel steeds moeilijker worden om werk en privé in balans te houden. Maar ineens lag daar die vacature. Om een lang verhaal kort te maken: ik solliciteerde en 3 gesprekken later had ik de baan. Gedurende die periode, het duurde nog geen 3 weken, liep ik dus bij Enexis rond met een geheim. Een soort zakelijk vreemd gaan. Ik wist dat ik al bezig was met het nemen van afscheid. Tegelijkertijd moest ik nog wel even de schijn ophouden dat ik dat niet ging doen, totdat ik een aanbod had ontvangen van mijn nieuwe werkgever, en deze had aangenomen. Dat gaf me geen goed gevoel.

Het nemen van het besluit voelde als een grote opluchting. Ik belde gelijk de baas om hem op de hoogte te brengen van mijn voorgenomen “X-it” (spreek uit: exit) bij Enexis. Die baas is een bijzondere persoon. Een echte bezielende leider die voor zijn mensen staat. Ik heb een heel goede relatie met hem opgebouwd. Een relatie die is gebaseerd op wederzijds respect en vertrouwen. Het gesprekje waarin ik hem over mijn vertrek ging vertellen had ik al honderdduizend keer in mijn hoofd afgespeeld. Ik ging hem in de steek laten, en dat kun je op geen enkele manier luchtig brengen.

Al meteen na mijn begroeting – “Hee, met Mark” – hoorde ik al aan zijn ademhaling dat hij aanvoelde dat ik iets belangrijks ging zeggen. Ik begon met “Eh”, waarop minstens 3 seconden stilte volgde. En toen zei ik het maar gewoon: “Ik ga weg bij Enexis”. Aan de andere kant van de lijn bleef het even stil, maar toen kwam een begripvolle reactie. Natuurlijk was het voor hem slecht nieuws, maar hij zette het meteen om in iets positiefs. Hij zag voordelen in de nadelen, iets dat mijn baas sterk kenmerkt. Nog meer respect.

De volgende dag diende ik mijn ontslagbrief in. Vanaf dat moment resteerden mij nog een dikke 2 maanden bij Enexis. Twee maanden waarin ik nog even al mijn projecten moest afronden en mijn werk moest overdragen. Het was een soort eindsprint. En nu zijn die twee maanden ineens om. Plotseling is het einde van een tijdperk daar. Op de laatste dag van november lever ik nog mijn spullen in, en dan ben ik onvermijdelijk een X-collega.

Maar de eerste dag van december is ook de eerste werkdag bij mijn nieuwe werkgever. De baas is niet nieuw, want die heb ik maar gewoon meegenomen ;-)

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 45 andere volgers