Vrij

Onlangs maakte ik een lange, bevrijdende wandeling over het strand van Schiermonnikoog. Ik was er op de bonnefooi naartoe gegaan. Met de intentie om het hele eiland “rond” te fietsen en te zoeken naar de daar verborgen geocaches. De dag begon grijs, maar dat hield me niet tegen. Ik wilde uitwaaien en mezelf op het eiland verliezen.

Mijn fietstocht voerde me langs oude Duitse bunkers en door die typische natuur van een waddeneiland. Op gegeven moment sloeg ik een pad in richting de duinen en besloot de fiets daar te parkeren. Ik ritste mijn broekspijpen af en verruilde mijn schoenen voor de sandalen de ik op het laatste moment nog in de fietstassen had gestopt.

Te sandaal nam ik een slingerend pad naar het Oosten om de geocache “de ketel” op te sporen. En niet veel later brak de zon door. Achter de duinen waaide het amper en het werd al snel erg warm. De zon brandde op mijn kop. En na iedere bocht ging het pad toch weer verder Oostwaarts. Totdat het zich na een kilometer of 6 toch nog richting het strand boog. Daar vond ik ook “de ketel”.

Het strand was nagenoeg verlaten. Heel in de verte zag ik mensen lopen. Hier móest het lukken om mezelf te verliezen. Maar eerst verkoeling. De golven hoorde ik al van verre roepen. Ik sprong uit mijn kleren om daarna in mijn zwembroek te springen… maar die zat dus nog in de fietstas. Nou ja, dan maar in mijn blootje. Ik had het hele strand immers voor mezelf. Er waren in de verste verte geen mensen te zien. En bovendien had ik op een bord gelezen dat vanaf paal 7 naaktrecreatie was toegestaan op het hele strand richting het Oosten. Paal 7 was ik 5 kilometer geleden al gepasseerd.

De temperatuur van het zeewater viel niet tegen. Het was heerlijk verfrissend. Na een tijdje dobberen liet ik me weer op het strand aanspoelen en liep terug naar mijn handdoek die ik achter een lage duin had gespreid. Daarna heb ik de rest van de middag textielvrij gerecreëerd. Met mijn kleren in de rugzak slenterde ik uren lang over het verlaten strand, en zo nu en dan nam ik een duik in de golven.

Vrijer als een vogel waande ik me. Want ik was gewoon ik. Helemaal ik. Waarachtig mezelf. Niets meer en niets minder. Ik wilde mezelf verliezen, maar in plaats daarvan vond ik mezelf terug. De sporadische wandelaar die ik tijdens mijn strandwandeling tegenkwam keek niet op van mijn vrije verschijning. Mij deerde het ook niet meer. Zorgeloos en ontspannen wandelde ik ongegeneerd verder. Vrij, heerlijk vrij.

Advertenties

De weide

Tijdens een lange wandeling met een goede vriend hoorde ik mezelf zeggen dat ik nog lang niet uitgekeken ben op de weide waarin ik rond huppel, omdat ik nog lang niet aan alle bloemen had gesnuffeld. De weide stond in die zin voor het werk dat ik momenteel doe. Ik put er ontzettend veel levensplezier uit, en dat kan ik nog heel lang doen. Het is een uitgestrekte weide. Het reikt tot aan de horizon.

Ooit waren de goede vriend en ik collega’s. We konden het van meet af aan goed vinden met elkaar. We hebben hetzelfde gevoel voor humor. Zoiets schept meteen een band. Nu hebben we het type vriendschap waarin je elkaar soms jaren niet ziet, maar elkaar niet vergeet.

En omdat we elkaar niet uit het oog waren verloren, dwaalden we samen door het bos. Ons gesprek dwaalde ook alle kanten op. Het ging dan weer over toen, dan weer over nu. Toen waren we naïef en gelukkig. Nu waren we veel wijzer. Toen waren we collega’s. Nu zijn we lotgenoten.

Lotgenoten. Twee mannen met een gebroken hart. Om verschillende redenen, maar dat maakt niet uit. We zijn allebei uit een diepe put geklommen. We konden elkaar steunen. We konden ontboezemen. Het is fijn om ellende te delen met iemand voor wie dat heel erg herkenbaar en invoelbaar is.

We spraken over nieuwe inzichten in onszelf. Mijn bloemenweide die nog vol door mij onbesnuffelde bloemen staat, is zo’n inzicht. Mijn dwaalgenoot snapte precies wat ik bedoelde en zag zichzelf al vrolijk door zo’n weide huppelen. Hij zit momenteel zonder werk, maar vast niet voor lang. Hij ging mijn mooie zin onthouden, zei hij. Jij vindt weer een bloemenweide waar je vol passie doorheen kan huppelen, beloofde ik hem. Ik beloofde mijn ogen en oren voor hem open te houden.

We hadden het over geluk en liefde. Over warmte en genegenheid. Over hoe het ons daarin nu ontbrak. We waren heel open over hoe onbezonnen we in onze op de klippen gelopen liefdes waren gedoken. Misschien hadden we meer moeten scharrelen. We hadden er beter aan gedaan om eerst ook wat andere bloemen te besnuffelen. Maar we waren te onzeker. Te verlegen en te afwachtend. De bloemen werden vanaf een afstandje door ons bewonderd. Heimelijke liefdes die nooit opbloeiden.

Maar we spraken ook over hoop. Over toekomstige liefde. De weide staat vol bloemen. Kijk maar eens om je heen. Ik ga weer genegenheid en geborgenheid voelen, voorspelde hij. Hij raakte mijn gevoeligste snaar en ik werd er stil van. “Je hoeft je er alleen maar voor open te stellen”, zei hij. Eigenlijk geloof ik niet dat ik dat ooit weer kan. Bloemen zijn allemaal giftig. Dus ik laat het snuffelen en hou het voorlopig maar bij huppelen.

Lang niet gek!

Afgelopen donderdag ging ik naar de voorstelling “Vind je het gek!” door Nynka Delcour en Rob Stoop. De voorstelling is gebaseerd op de waargebeurde levensverhalen van zes mensen met een psychische kwetsbaarheid. Het werd uitgevoerd in een buurtcentrum bij mij in de buurt. Toen ik de aankondiging in de lokale krant las, wist ik meteen dat ik daar naartoe moest. Dus ik fietste er donderdag naartoe. Een beetje verscholen keek ik naar de mensen die de zaal in liepen en vroeg me af of zij zich ook door het krantenartikel zo sterk aangesproken voelden. Ik vroeg me af wat hún verhalen waren.

In de voorstelling worden de verhalen van de zes mensen met gezonde humor en mooie, ontroerende liedjes gebracht. Het greep me ontzettend aan. Het pakte me meteen bij het begin, vervoerde me en liet me pas aan het einde weer los. Na afloop had ik enorme brok in mijn keel. Het was allemaal heel echt en heel puur. En het trof me recht in mijn hart en mijn ziel.

Ik kon me op diverse momenten ook zo sterk herkennen in de verhalen en de liedjes. Ik zag iets van mezelf  in de vrouw die door haar vader emotioneel verwaarloosd was. Ik herkende het gevoel van uitzichtloosheid en machteloosheid waarover werd gezongen in het lied “dood loopt de weg waarop ik wandel”. En het brok in mijn keel kwam vooral van het verhaal over de vrouw met de “emotionele bagage”, en hoe dat haar leven beheerst. Allemaal herkenning. Ik ben dus niet de enige met dit soort kwetsbaarheden. Het schijnt zelfs zo te zijn dat de kans dat je iemand tegen het lijf loopt die worstelt met een psychisch probleem meer dan 40% is. Psychische kwetsbaarheid is eigenlijk best normaal.

Na afloop gingen de mensen in de zaal met elkaar in gesprek over de voorstelling. Ik sprak met een aantal aardige, kwetsbare mensen die om me heen zaten. We deelden wat stukjes uit ónze verhalen met elkaar. Heftige, persoonlijke verhalen. Ik voelde me met hen verbonden. Ik sta niet alleen, en zij ook niet. We mogen er zijn, en we zijn lang niet gek! En ik merkte dat dát was wat ik hoopte te vinden bij deze voorstelling.

Als je de kans hebt zou ik beslist naar deze voorstelling gaan. Hieronder kun je de trailer bekijken.

De kraan is geduldig

Volgens mij zei mijn vader dat vroeger thuis altijd: “de kraan is geduldig”. Het was het standaard antwoord dat je kreeg als je zeurde om nóg een glas ranja. Als je nog meer dorst hebt, drink je maar water. Vooral dat “maar water” is natuurlijk jammer. Want ik weet namelijk dat het alles behalve “maar water” is dat uit onze kranen komt in Nederland. Sinds ik bij een drinkwaterbedrijf werk begrijp ik dit.

Die geduldige kraan waar altijd maar weer schoon en heerlijk drinkwater uit komt als we het open draaien zien we in Nederland als de normaalste zaak van de wereld. Vandaar ook die uitdrukking. Wij kennen geen echte dorst, want de kraan is inderdaad altijd geduldig. Het is bij wet geregeld dat wij schoon en veilig drinkwater uit onze kraan kunnen tappen. De geduldige kraan is een burgerrecht. De drinkwaterbedrijven hebben de plechtige taak daar voor te zorgen. Ze beschermen de natuur in de waterwingebieden en de waterbronnen die zich daar (onder) bevinden. Ze pompen water op van grote diepten en zuiveren het zorgvuldig. Wij draaien (aan de kraan) en zij leveren. Dag en nacht. Weer of geen weer.

Vanochtend betrapte ik mezelf erop dat ik het zelf ook zei. Ik was in gesprek met de juf van mijn jongste zoon en we hadden het over het weer. Er was 30 graden voorspeld, en het was nu al om te stikken, vonden de juf en ik. “We moeten extra veel drinken”, zei de juf tegen mijn ventje. En voor ik er erg in had ontglipte mij toen: “de kraan is geduldig”. Meteen verontschuldigde ik me tegenover de juf voor de ouderwetsheid van mijn uitspraak. Ik weet ook niet waarom. Het is misschien ouderwets, maar ook een waarheid als een koe. De vanzelfsprekendheid van schoon drinkwater is iets om af en toe eens bij stil te staan. De kraan is inderdaad geduldig, is het niet fantastisch?.

Acceptatie

De taalpietlut (niet te verwarren met de kommaneuker) in mij probeert de wereld te begrijpen vanuit de letterlijke betekenis van woorden. Dat is nou eenmaal zoals mijn hoofd werkt. Dat is één van de vele normaalheden (normaal is het nieuwe bijzonder) van mezelf die ik probeer te accepteren. Maar hoe werkt dat nou eigenlijk, acceptatie? Wat betekent het überhaupt.

De Van Dale pak ik er nu maar niet bij. Deze moet ik met mijn gezonde verstand wel kunnen kraken. Accepteren is toch eigenlijk niets meer dan aanpakken wat iemand je geeft? De manier van geven laat nog wel eens te wensen over. Zoals in je schoot werpen, in je maag splitsen of voor je voeten werpen. De ander was wanhopig en moest er hoe dan ook vanaf en jij vormde op dat moment een handige ontvanger. Dat op zichzelf moet je dan ook maar gewoon accepteren.

Niet accepteren is dan zoiets als het paard terug duwen naar de gever. Je keek in de bek (ja ja, het is eigenlijk een mond) van het paard en wat je zag beviel je helemaal niet. Vlieg op met je stomme paard! Maar wat nou als het paard al heel lang onderdeel van jezelf is? Aan wie moet je dat paard überhaupt terug geven? Je hebt wel een vermoeden van de oorsprong van je paard, maar dat gaat generaties terug. Van een geërfd paard kom je dus niet af en zit er dus eigenlijk maar één ding op: acceptatie.

Bij het accepteren van jezelf zoals je bent heb je dus niet de luxe van het bestuderen van het gebit van het betroffen paard. Het is zoals het is. Dit imperfecte paard is een deel van je. In mij galoppeert en steigert een nukkige hengst die graag komma’s neukt. Niet perfect, maar ik span hem af en toe toch graag voor mijn blog-karretje. Ik heb dit paard dus geaccepteerd. Gelukkig is niemand perfect. Jij ook niet. Accepteer het maar gewoon.

Doe normaal man

Niet autistisch, niet hoog- of meerbegaafd, en ook niet hoogsensitief. Ik ben zowat het hele spectrum langs gegaan. Het werd een obsessie. Een kwelling. Niet normaal. Dus ik stop er maar eens mee. Het leidt ook niet echt ergens toe, ja, alleen tot het vermijden van het accepteren van wat ik wel ben: een normale man.

Dus nu zal ik me op mezelf moeten richten als een normale man. Deze ochtend heb ik het maar eens even geoefend toen ik voor de spiegel stond. Ik moest even turen voor ik de normale man zag. Of is het ook normaal dat een man zichzelf met één opgetrokken wenkbrauw aanschouwt? De man in mijn spiegel hield ook nog zijn buik in. Ook normaal?

Ook normale mannen raken snel geïrriteerd, verliezen hun geduld of kunnen zich maar op één ding tegelijk concentreren, om maar eens wat te noemen. En al die tijd zocht ik de oorzaak buiten mezelf. Al die tijd zocht ik naar een verklaring buiten mezelf. Maar die is er niet en heb ik ook niet nodig.

De man in mijn spiegel probeerde mijn blik te ontwijken, dus ik sprak hem vermanend toe: “Hee jij, kijk me aan!” De man in de spiegel keek me van onder zijn charismatische, grijze wenkbrauwen verscholen aan. En hij frummelde nerveus met zijn vingers. Maar ik had zijn aandacht, dus ik zei: “Ik ben klaar met die obsessies van je over autisme en zo. Doe normaal man!”. Het hielp ook nog.

Mijn glas

Ik zie een glas, en die is halfvol. Met kleine dingen, maar ik eer ze. Het is een nieuw glas. Mijn glas. Helemaal weer zelf geblazen. Het oude sneuvelde in de koude oorlog.  Er zit nog steeds een scherf in mijn hart, als herinnering. Ook mijn ziel is op diverse plaatsen doorzeefd met de scherven van het oude glas.

Dus ik heb een gescheurd hart en een ziel vol gaten. Blijkbaar kun je dat overleven. Hoewel ik daar serieus aan heb getwijfeld. Mijn hele bodem klapte onder me vandaan. Eventjes hing ik als in een cartoon in de lucht tot de zwaartekracht me resoluut de diepte in trok.

Mijn duizelingwekkende tuimeling de diepte in leek eindeloos te duren. Maar ik sloeg geen cartooneske, Mark-vormige krater bij mijn uiteindelijke landing. Het tuimelen ging namelijk geleidelijk over in dwarrelen. Als een eikenblaadje dwarrelde ik vredig naar beneden. Ik landde versuft en enigszins verbaasd op mijn beide voeten.

Daar stond ik dan. Ik keek naar mijn blote voeten en werd me ervan bewust dat ik helemaal naakt was. Kleren maken de man ook helemaal niet. Ontberingen maken de man eerder, maar ik besloot mij zelf te maken. Om te beginnen met een nieuw glas. Om al mijn hervonden geluk in te kunnen doen.