Niks

Het is niet dat er niks in mijn leven gebeurt. In tegendeel eigenlijk. Er gebeurt van alles. Ik voel me door het leven toegelachen en de wind staat voelbaar in mijn rug. Misschien gaat het gewoon te goed met me. Misschien schrijf ik daarom nagenoeg niks. Als ik ergens mee zit, dan zoek ik mijn troost in woorden. Uit zorgeloosheid haal ik blijkbaar geen inspiratie. Zorgen trekken me naar binnen en laten me worstelen met zware woorden. Zonder noemenswaardige zorgen is die lust om met woorden te strijden er dus niet. Mijn gedachten zijn een kalme oceaan. Ik dein op en neer op rustige golven. Er is werkelijk niks waar ik me zorgen over maak. Niks. Misschien zou ik me dáár zorgen over moeten maken.

Luisterstand

Mijn beroep bestaat voor het grootste deel uit luisteren. Voor een luisteraar praat ik dan wel weer vrij veel, maar dat weet ik gelukkig van mezelf. Ik probeer de nadruk te leggen op luisteren. Als ik me daar bewust toe zet, dan lukt dat. Vooraf zeg ik dan vaak: “ik ga vooral in de luisterstand”. Dus dan luister ik vooral, stel hier en daar een vraag als ik iets niet begrijp of als ik meer wil weten over iets dat anderen vertelden. Eén ding kan ik absoluut niet: vertellen en luisteren tegelijk. Eigenlijk luister ik des te beter als ik daarnaast helemaal niets anders doe. Dus ik maak ook bijna nooit aantekeningen, want dat gaat namelijk ten koste van mijn luistervermogen.

Voor mij zijn er trouwens twee vormen van luisteren: passief luisteren en actief luisteren. Als ik in de luisterstand ga, luister ik vooral actief. Passief luisteren is horen wat er om je heen wordt gezegd, buiten je actieve aandacht, maar daar wel op de één of andere manier verband mee houdt. Passief waarnemen is misschien een betere term. Misschien is het een mannending, maar ik kan dus ook slecht passief waarnemen terwijl ik actief luister. Het lukt me wel om actief vertellen te combineren met passief waarnemen. Het hangt ervan af hoeveel mensen ik om me heen heb en welke mensen zich daarvan in mijn directe blikveld bevinden, maar ik krijg veel belangrijke dingen mee terwijl ik praat. Mensen die staan te fluisteren. Mensen die glazig kijken. Mensen die “multitasken” en hun aandacht voornamelijk bij hun telefoon of laptop schijnen te hebben. Aan dat laatste maak ik me ook vaak genoeg schuldig, dus ik oordeel niet. Ik weet alleen wel dat ik zelf heel slecht kan luisteren en lezen tegelijk.

Je aandacht kan trouwens twee richtingen hebben: naar binnen en naar buiten. En beide kunnen zowel actief als passief zijn. Ik ben de laatste jaren weer meer bewust van mijn innerlijke geluid, mijn onderbuik, knagende gedachten, ergernisjes die groeien, maar ook verwonderingen die geuit willen worden. Mijn innerlijke stem laat zich beter gelden, of ik ben er beter op afgestemd, maar het zal een combinatie zijn. Mijn onderbuik heeft heel vaak gelijk. Die knagende gedachten duiden heel vaak op iets belangrijks. En die verwonderingen worden herinneringen. Dus het is belangrijk om daar ook aandacht voor te hebben.

Het is trouwens ook belangrijk om actief naar jezelf te luisteren. Dus je aandacht helemaal naar binnen te richten. Dat gebeurt vaak als ik een stuk ga lopen. Het lopen over een vaste route brengt me in zo’n reflectieve stand waarin ik actief contact krijg met mijn innerlijke stem. Die innerlijke stem heeft vaak veel te vertellen. Soms praat ik wel eens hardop terug. Bijvoorbeeld als ik vind dat ik mezelf weer loop te veroordelen, of teveel op de zaken vooruit aan het lopen ben. “Rustig nou Mark”, zeg ik dan. Waarop mijn innerlijke stem zich onmiddellijk afvraagt of ik gek geworden ben. “Loop je weer lekker in jezelf te praten, Mark?”, zeg ik zacht terwijl ik heimelijk om me heen kijk.

Het mooiste dat je kan overkomen tijdens het naar binnen keren van je aandacht, is het waarnemen van stilte. En dan bedoel ik niet dat mijn innerlijke stem stoïcijns en ijzig zwijgt (wat best gebeurt), maar dat mijn innerlijke stem stil is. Ik neem dan louter vredigheid waar. Puur geluk, zulke momenten. En er is dan ook geen innerlijk stemmetje dat zegt dat ik even een foto moet maken, want ik ga dan geheel op in het nu. Gelukkig nestelt zich de herinnering vanzelf en koppelt die aan bijvoorbeeld de overheersende geur van het moment. Wat verklaart waarom Mark er zo intens tevreden uitziet als hij vers gemalen koffiebonen ruikt.

Het Ei van Descartes

Moeten we denken om te kunnen bestaan? Of moeten we bestaan om te kunnen denken? Descartes verwoordde dat toen allemaal heel leuk en aardig met zijn “ik denk, dus ik besta”, maar drukt daarmee wel zwaar op de noodzaak van het denken. Met “bestaan” bedoelde Descartes natuurlijk meer dan primair “in leven zijn”. Hij bedoelde met “bestaan” vooral het bestaan van je identiteit, je zelfbewustzijn. Hij bedacht er ook bij dat, in het geval dat je twijfelt over je bestaan, je die twijfel moet zien als nadenken over je bestaan waardoor zijn filosofie automatisch in werking treedt. Handig!

Maar wat was er eerder? Het ei, of de kip? Dat komt namelijk naar boven als ik nadenk over die mooie cirkelredenering van Descartes. En is “denken” dan het ei, en “bestaan” de kip? Of juist andersom? Is je bewuste bestaan een ei dat je uitbroedt met je bewuste gedachten erover? Dat lijkt te kloppen. Op een gegeven moment in het leven van een mens, waarschijnlijk al als ongeboren baby, begint dat broeden.

Dus die kip – ofwel, het denken – moet er dan dus eerder zijn dan het ei van onze identiteit. Dat is echter een existentiële denkfout, want met die redenatie twijfel ik impliciet aan mijn eigen ei. En dus treedt Descartes’ filosofie automatisch in werking: Als de kip bestaat, bestaat ook gegarandeerd het ei. Kip en ei zijn één. Het ei is de kip die zich zelf voortdurend uitbroedt. En het Ei van Descartes is dan dus eigenlijk dat die kip haar hele leven op dat ei zal moeten broeden. Vandaar al dat gekakel over de zin van ons bestaan.

Man wat besluitvaardig

Soms is het beter om een slecht besluit te nemen dan helemaal geen besluit. Dat zei ik gisteren tegen mijn zoon. Hij vindt het moeilijk om te besluiten over iets dat hij niet overzien kan. Dat herken ik wel. Ik denk dat voor iedereen geldt dat het gemak waarmee je een besluit neemt af hangt van hoeveel je weet over de positieve en negatieve gevolgen van dat besluit. Iedereen maakt dan een afweging: doen of niet doen. Ik kan daar zelf behoorlijk lang mee bezig zijn. Soms doe ik dat zelfs bewust, omdat de afweging ook de voorpret is van je besluit.

Soms maak ik de nadelen veel te groot. Of de voordelen te klein. Vooral de voordelen voor mij. Het voordeel dat het leuk is om jezelf iets te gunnen. Ik betrap me er namelijk vaak op dat ik mezelf dingen ronduit misgun. Dat verpak ik dan voor mezelf als “Ach, je kan het geld maar één keer uitgeven, je hebt het later misschien voor iets belangrijks nodig, dus ik wacht nog maar even”. Ik schuif het besluit dus voor me uit.

Zo schoof ik het kopen van een nieuwe kledingkast een dik jaar voor me uit. Ik propte mijn kleren in een oud, aftands en veel te klein basiskastje van spaanplaat dat ik destijds, toen ik krapper bij kas zat, van marktplaats had gevist. Ik ergerde me iedere dag aan het lelijke ding. De man in de spiegel verweet me nijdig dat ik mezelf te kort doe. Zoals altijd. Een paar weken geleden nam ik daarom het besluit om het geld dat ik bespaarde door in de vakantie thuis te blijven, te besteden aan een exorbitante garderobekast. Vandaag heb ik de oude kast uit elkaar gehaald en gratis op marktplaats aangeboden (kan nog wel een rondje mee, maar eigenlijk moet ‘ie gewoon naar de vuilstort…). En ik heb een nieuwe kast met allerlei toeters en bellen ontworpen, besteld en vandaag opgehaald. Ik moest met de bagageklep open rijden om het te vervoeren, zo exorbitant. Vanaf het moment van bestellen en betalen was er geen weg meer terug. Ik moest er anderhalve rib voor uit mijn lijf trekken, maar man wat ben ik blij dat ik het besluit heb genomen. Morgen zet ik de kast met de eerder genoemde zoon, in elkaar. Hebben we de hele middag voor uitgetrokken, en daarna halen we lekker Chinees besloot ik uit de losse pols (ik had de smaak van het besluiten te pakken).

Het nemen van een besluit kan dus voelen als een bevrijding. Het moment dat ik voorbij het punt ben dat ik niet meer op het besluit kan terug komen, kan ik ontspannen. Het definitieve van mijn besluit gaf rust en zelfs nieuwe energie. En omdat ik helemaal in “the spirit” van het besluiten zat, besloot ik ook gelijk maar om te investeren in crypto-valuta. Je weet wel, bitcoins en zo. Zat ik ook al maanden voor me uit te schuiven onder het mom van “doe niet zo mal, wat weet jij daar nou van?” Was een kwestie van inlezen, een paar autoritatieve vlogjes kijken en simpelweg de stap zetten. Just do it, man! Natuurlijk niet “all in”, maar voorzichtig, met een klein beetje geld. Lekker stoer plaatste ik een paar “limit orders” en weldra was ik de trotse bezitter van een digitaal rinkelend zakje cryptomunten. Man, man, man, wat besluitvaardig! En de waarde van die zak met cryptomunten jojoot nu als een gek op en neer (zie ik als ik voor de honderdste keer vandaag in de app kijk), passend bij mijn échte besluitvaardigheid.

Gewoon geen secretaris

Dat je al nietsvermoedende vader, in alle onschuld een kopje koffie voor jezelf inschenkt en dan deze vraag krijgt van je dochter die net aan tafel aanschuift om te lunchen: Papa, hoe laat breng je me nou weg vanmiddag? Ik draai me rustig om, maar mijn blik is blijkbaar eentje van totale verbazing. Er daagt wel een donkerbruin vermoeden, ver in de krochten van mijn onderbewustzijn, maar ik kan het niet meteen duiden. Het belangrijkste dat naar boven komt is de afspraak bij de KNO-arts, maar dat is niet vandaag, maar morgen. Dus ik zeg, je bedoelt zeker morgenmiddag?

“Eh, nee, ik bedoel vandaag.”, is de pinnige reactie. “Zoals ik duidelijk in de gezamenlijke agenda heb gezet, moet ik vanmiddag werken en jij zou me brengen, weet je nog?”, maakt ze me verder fijntjes duidelijk. In alle redelijkheid die ik kan opbrengen zeg ik (met preekstem): “Je zet me in als chauffeur, en dat is prima en aan die belofte hou ik me natuurlijk, maar ik ben niet je secretaris. Dus als je wil dat ik mij ervan bewust ben dat ik om zo en zo laat klaar sta voor je, moet je dat precies met me afspreken, en niet in de agenda plempen en denken dat je op die manier je vader kunt besturen. Jouw afspraken zijn jouw verantwoordelijkheid”. Waarop dochterlief zo woest als ze kan haar lunch naar binnen werkt en al even woest daarna haar bord, bestek en mok in de vaatwasser smijt en de trap op naar boven stampt.

Ikzelf drink rustig mijn koffie op, en lees een boek uit. Maar ondertussen gebeurt er in mijn hoofd wel wat er altijd gebeurt bij dit soort interacties met mijn dochter: ik krijg last van een schuldgevoel. Hoewel ik volkomen achter mijn opvatting kan staan. Maar ik bekijk het dan toch langzaam vanuit het perspectief van de ander. Mijn dochter vertrouwt erop dat ik me aan een afspraak hou. Natuurlijk doe ik dat ook, maar wat er mis is gegaan is dat zij uitgaat van een impliciete afspraak. Ze zet ruim van tevoren in de agenda dat ze van 16:00 tot 22:00 moet werken, en gaat ervan uit dat ik dat A: in mijn hoofd prent, en B: denk: “O, dan moet ik dus om 15:30 hier vertrekken met haar, en om 21:30 hier weg rijden om haar weer op te halen”.

Maar helaas, zo werkt Papa’s hoofd gewoon niet. Ik doe alles voor de schat, maar ze moet gewoon even duidelijk aangeven wat ze precies van me verwacht, en wanneer en hoe laat ze dat van me verwacht, en me daar ook nog aan herinneren. Je kan denken dat het raar is, maar Papa is gewoon geen secretaris.

Stormwezen

Hoe hij het wezen ooit verleerde weet hij niet meer. Hij wist alleen dat hij bijna niet meer was. Hij was nog slechts een schimmig wezen in een geleefd bestaan. Echt zelf zijn deed hij niet meer. Het was meer dat hij wérd geweest. En als hij per ongeluk wél zelf was voelde dat zo vreemd dat hij dacht dat hij niet zichzelf was. Het zijn overkwam hem dus vooral. Hij was gewend om geweest te worden. Hij was als een blad dat door een steeds sterker wordende wind werd opgejaagd. En de wind werd sterker en sterker. Groeide uit tot een razende storm. Maar hoe hard het ook raasde, het kon zich niet van het blad ontdoen. En in dat ziedend heldere moment besefte hij zijn vergissing. Hij was én de storm, én het blad dat daarin gevangen zat.

Oordelen of accepteren

Niet oordelen is moeilijk, weet ik. Ik betrap me er nog vaak op. Misschien is het voor een mens gewoon ook wel onmogelijk om nooit te oordelen. Dit is hoe ik oordelen heb leren zien: je vormt een mening over hoe iemand is op basis van wat je op dat moment waarneemt. Iemand doet nu ongeduldig, dus je oordeelt dat die persoon altijd ongeduldig is. Iemand ziet er nu onverzorgd uit, dus je oordeelt dat die persoon zich altijd slecht verzorgt. Dus je verwart dan doen met zijn, of heden met altijd.

Misschien als je het gedrag bij de persoon heel vaak waarneemt en nauwgezet bijhoudt in logboekjes, zou je die persoon kunnen labelen met dat gedrag. Maar ook dan verwar je doen en zijn. Misschien kunnen we aan Google, Facebook en andere sociale platformen vragen of we hun logboekjes over ons doen en laten mogen inzien. Maar goed, het is veel werk om voor iedereen die je in je leven ontmoet bij te houden of het gedrag consistent genoeg is voor een definitief etiket.

Toch onthouden we onwillekeurig hoe mensen zich gedragen. Vertrouwen is volgens mij afhankelijk van dat geheugen. Het duurt even om iemands vertrouwen echt te winnen. Vertrouwen komt te voet. Je ziet consistent “betrouwbaar” (ook dat is een waardeoordeel waar oplichters dankbaar gebruik van maken) gedrag dat je gerust stelt. Dus deze persoon krijgt het etiket “betrouwbaar”. Dat doe je eigenlijk min of meer onbewust. Op een dag neem je bij die persoon “onbetrouwbaar” gedrag waar. Afhankelijk van je vertrouwen, krijgt de persoon nog enkele herkansingen. Maar na enkele foute gedragingen geeft het vertrouwen zijn paard de sporen en plak jij heel bewust het etiket “onbetrouwbaar” op die persoon. En kom maar weer eens van dat etiket af.

Vandaag betrapte ik mezelf op iets bijzonders in dit opzicht. Het lukt me merkwaardig goed om nagenoeg oordeelvrij te zijn over iemand waar ik al een tijdje heel nieuwsgierig naar ben. Ik zeg “nagenoeg” omdat ik merk dat ik het wel doe, maar dat ik die oordelen dan meteen ter zijde leggen kan met de gedachte: “dat ze dit nu laat blijken, betekent niet dat ze ook echt altijd zo is”. Blijkbaar kan ik wat ik nu waarneem gewoon allemaal accepteren, omdat ik me daar voor open heb gesteld. Dit staat natuurlijk wel haaks op hoe vertrouwen werkt, maar misschien betekent het dan ook dat ik haar dus onvoorwaardelijk en grenzeloos vertrouwen wil. Tja, wat zegt dit gedrag over mij? Oordeel maar.

Man wat ijdel

Qua gezichtsbeharing was ik altijd al rijkelijk bedeeld, en dat is nog steeds zo. Mijn baard zou welig tieren als ik het toe zou laten. Vroeger egaal zwart, nu met her en der zilvergrijze accenten. Ik mag er van mezelf niet over klagen. Tot een week geleden schoor ik die weelde er echter iedere week rigoureus af. Uit een oude, roestige gewoonte. Op de scheerdag zelf is dat lekker fris, maar op dag 2 laat de huid zich steevast gelden. Gekriebel, geprikkel en geschrijn, alle zachte smeermiddeltjes ten spijt. En eigenlijk vind ik dat ik verrekte goed sta in een stoppelbaard.

Dus het roer is om. De stoppels hebben gewonnen. Eerlijkheid gebiedt hier te zeggen dat de ijdelheid heeft gewonnen, maar dat geef ik hier niet openlijk toe natuurlijk. Omdat ik me hier op onbekend terrein begaf, ben ik eens gaan googlen hoe je een stoppelbaard onderhouden moet. Het leidde ertoe dat ik een baardtrimmer liet bezorgen, en dat ik een dag later een flesje baardolie bij de kassa van de plaatselijke drogist afrekende.

En zo kwam het dat ik vanochtend de stoppels die ik deze week had laten woekeren, cultiveerde met de nieuwe trimmer. Standje 4 op de kin, standje 3 op wangen en onder de kin. Met scheermesje een strakke lijn gezet langs de hals en van de bakkebaarden richting de kin. Alsof ik het al jaren zo deed. En terwijl ik dit verhaaltje tik, wrijf ik filosofisch over het strakke resultaat en geniet ik van de subtiele geur van de baardolie. Man man man wat ben je toch ijdel.

Rotszorgen

De laatste tijd heb ik rotszorgen. Ik weet niet precies hoe ik nu rots moet zijn. Moet ik wel een rots zijn? Of is dat beter een zorg voor wat later? En de branding die ik op het oog heb, ligt nog op grote afstand. Eigenlijk weet ik niet eens waar die branding precies is. Allemaal onzekerheden. En dan sta je als rots ook niet echt vast.

Wie het gevoel heeft zich te moeten opwerpen als rots, gelooft dat er een branding is, of zal komen. Die opwerping moet niet alleen goed zijn gericht, maar ook goed getimed. Het is de kunst om precies als het nodig is die sterke, onverzettelijke rots in die woelige branding te zijn. Niet eerder. Tot die tijd zal de rots rusteloos moeten wachten.

Zonnestraal

Ze breekt door het grijze wolkendek.
Zonnestraal.

Oogverblindende schittering.
Zonnestraal.

Mistflarden verdwijnen als sneeuw.
Zonnestraal.

Wat ze aanraakt, verandert in goud.
Zonnestraal.

De espresso smaakte nog nooit zo vol.
Zonnestraal.

Dansende vliegjes zijn ineens ook mooi.
Zonnestraal.

Ik doe mijn ogen dicht en geniet van haar.
Zonnestraal.