Eerst vader

Sinds ik gescheiden ben en mijn kinderen, wanneer ze bij mij zijn, zelf moet opvoeden, denk ik veel meer na over hoe ik vader wil zijn. Moet zijn. Op dit moment weet ik eigenlijk vooral hoe ik mijn rol als vader niet wil invullen. Ik mag een heleboel dingen niet zijn van mezelf als het aankomt op vaderschap. En ik hanteer meestal de ik-zie-wel-methode. In mijn eigendunk kent mijn vindingrijkheid namelijk geen grenzen. Ik vind altijd een oplossing. Dat is mooi papa, maar wij willen duidelijkheid en structuur. Wij willen een plan!

Die ik-zie-wel-mentaliteit komt misschien wel voort uit mijn hang naar vrijblijvendheid. Ik hou eigenlijk niet van vastomlijnde plannen. Die voelen verstikkend. Afspraken ook. Maar vaderschap is niet vrijblijvend. Vaderschap houdt een grote verantwoordelijkheid in. Dat besef is levensgroot. Het belang van mijn kinderen zou natuurlijk moeten prevaleren over mijn eigen belang. Ik ben eerst vader. Niet altijd makkelijk, maar wel glashelder.

Eerst vader. Dat is de fundering waarop ik een solide stuk vaderschap wil zetten. Dat is allemaal leuk en aardig, maar dan moet er wel een stip op de horizon komen. Dan krijgt het vaderschap pas richting. Dat mooie advies kreeg ik onlangs van iemand die daar verstand van heeft. Wat vind ik dan belangrijk om te bereiken met mijn vaderschap? Niet voor mij, maar voor mijn kinderen. Ik vind dat best lastig. Verder dan “nou, gewoon, alles wat nodig is” kom ik niet. Minimaal dat mogen de kinderen toch van me verwachten?

Eerst vader. Die kun je ook anders opvatten. Vader eerst. Die kant lijkt me toch ook best belangrijk. Ik mag mezelf niet verliezen. Niet weer. Dus ik moet balanceren tussen “nu ik” en “eerst vader”. Soms vader eerst zodat hij zo veel mogelijk eerst vader kan zijn.

Advertenties

Versnapering

Onlangs diende ik bij mijn werkgever een declaratie in voor “versnaperingen”. Tot mijn eigen verbazing typte ik dit antieke woord argeloos in bij de omschrijving. Ik bedacht me glimlachend dat ik me niet kon herinneren wanneer ik dit woord het laatst uitsprak. Het komt doorgaans ook niet voor op mijn boodschappenlijstjes. Ik vraag mijn kinderen niet of ze een versnaperingetje willen. Het synoniem “lekkernij” zit overigens ook niet in mijn dagelijkse woordenselectie. Hoewel ik wel eerder zou zeggen dat ik een tafel vol lekkernijen zie dan een tafel vol versnaperingen. Maar lekkernijen voelen dan weer minder declarabel. Lekkernijen doen de wenkbrauwen van de declaratiecontroleur alleen maar rijzen. Ze roepen lastige vragen op. Ik zou de betroffen lekkernijen nader moeten specificeren. Ik had waarschijnlijk vooraf schriftelijk toestemming moeten vragen voor de betroffen lekkernijen. Versnaperingen zijn zakelijker. Voor versnaperingen zijn er ongetwijfeld duidelijke declaratiekaders bepaald. Dat voelde ik intuïtief aan. Altijd weer mooi als mijn onderbuik mijn verstand weer eens weet te verbazen. Diezelfde buik herinnert mij nu aan de versnaperingen die zich in mijn lekkernijenlade bevinden.

Uit mijn hoofd!

Jezelf terug kunnen vinden nadat je jezelf had verloren is blijkbaar een kwestie van stoppen met zoeken. Het is ook een kwestie van aandacht voor dat wat wél belangrijk is voor jezelf. Die aandacht vast blijven houden is moeilijk, vind ik. Mijn aandacht lijkt steeds van mezelf af te glijden. Dan heb ik gedachten over mezelf die niet van mezelf zijn. Er zit nog altijd een tweede stem in mijn hoofd die me zeer vertrouwd is. Haar stem. Onbegrip. Sarcasme. Mijn projectie. Ze uit zich voortdurend in mijn hoofd bij keuzes die ik maak. Of niet maak. Bij ondoordachte acties weerklinkt haar afkeuring in mijn hoofd. “Kop houden!”, denk ik dan (soms hardop), “Uit mijn hoofd jij!”. Naar het schijnt duurt het een derde van de tijd samen voor een ex-geliefde helemaal uit je hoofd is verdwenen. Ruwweg zeven jaren in mijn geval. Daar zijn er al twee van voorbij, dus nog vijf voor de boeg. Haar stem is nog sterk, maar heeft al minder vat op me. Een kwestie van tijd dus. En vooral een kwestie van koppig blijven geloven in mezelf. Koppig is mijn eerste natuur en zelfspot mijn tweede, dus ik maak me geen zorgen.

De levensgenieter

Hij ademt diep in. Probeert het allemaal in zich op te nemen. Er gaat niets boven die verkwikkende geur van een regenbui. Geen halfbakken buitje, maar zo’n lekkere plensbui. Die heerlijke frisse wind die eraan vooraf gaat is natuurlijk ook niet te versmaden. Hij kan hier enorm van genieten.

Zijn leven is hem lief. Liever dan ooit tevoren. Eerder nam hij het leven misschien wel een beetje teveel voor lief eigenlijk. Alsof het leven iets vanzelfsprekends is. Maar het leven kan niet worden teruggespoeld. Het leven heeft geen “uitzending gemist”-knop. Gemist leven is een gemiste herinnering. Hij leeft nu dus aandachtiger. Plukt de dagen. Wentelt zich er in om. Vanaf nu is hij een verwoede levensgenieter.

De banden van zijn fiets zoemen. Zijn benen hebben hun cadans gevonden. Als vanzelf glijdt hij door het landschap. Is er één mee. De hoge maishalmen rechts van hem naast het pad ruisen in de wind. De bomen links van het pad breken de vroege zonnestralen. Een waaier van dwarrelend goudstof steelt de show. En precies op het juiste moment weerklinkt de schrille roep van een buizerd. Daar vliegt hij precies door het zonlicht. Schitterend geregisseerd.

De levensgenieter hield zijn adem in. Nam het allemaal in zich op. Het duurde maar een hartslag of vier. Vier aandachtige hartslagen. Dan ademt hij weer uit. Vier keer klopte zijn hart het leven voelbaar door zijn bloed. Kippevel schiet nu vanuit zijn nek langs zijn ruggengraat naar beneden en dan weer terug. De levensgenieter kan de gelukszalige grijns natuurlijk niet onderdrukken. Waarom zou hij ook?

Ost Friesland te fiets

In acht etappes van gemiddeld 57,4 kilometer toerde ik (volgens eerder hier beschreven plan) negen dagen met mijn fiets door Ost Friesland. 517 kilometers in totaal. Mag ik zonder meer trots op zijn, vind ik. Eergisteren deed ik de laatste etappe weer naar huis. Van Wietmarschen naar Hoogeveen. Gebruind, licht uitgedroogd, moe en enorm voldaan kwam ik weer in Markplaats aan.

Op vrijdag 16 augustus vertrok ik. Mijn fiets bepakt met zo’n 30 kilo bagage. Ik had me voor mijn doen uitgebreid voorbereid. In de maanden die eraan vooraf gingen heb ik tips verzameld. Wat doe je wel, wat doe je niet? Wat moet je meenemen? Gelukkig zijn er velen voor mij gegaan op veel grotere avonturen per fiets. Er zijn diverse paklijsten te downloaden op het internet. Daar heb ik gretig gebruik van gemaakt. Ik vond de voorbereiding op zichzelf als heel leuk.

Op mijn vertrekdag zou het mooi weer zijn, en dat was ook zo. Maar daarna zou het gaan regenen. Ik liet me er niet door tegenhouden. Daar is regenkleding voor uitgevonden. Qua schoeisel koos ik ervoor om op Teva sandalen te gaan fietsen. Die kunnen nat worden en de voeten blijven lekker koel. Bovendien hoefde ik nu dus ook geen sokken in te pakken. Nu heb ik van die orthopedische zolen in mijn schoenen tegen de scheefstand van mijn voeten, maar ik dacht: ach, ik ga voornamelijk fietsen. Dus ik beklom mijn pedalen vol goeie moed, op sandalen.

De eerste etappe bracht me net voorbij Meppen. Ik fietste dwars door het aardoliewingebied. Overal bevestigden jaknikkers dat ik de goeie kant uit ging. Met hulp van een speciale navigatie-app voor fietsers op mijn telefoon kwam ik waar ik wezen wilde. Gedwee volgde ik de instructies die ik in mijn speciaal daarvoor aangeschafte bluetooth oortje kreeg ingesproken.

Vlakbij mijn eindpunt voor die dag meende de app dat ik kon fietsen op een boeren paadje over een dijkje. Het was op zich befietsbaar, dus ik keek wel hoe ver ik kwam. Grappig genoeg stuitte ik op een interessante hindernis. Een hek met zo’n wandelaars-trappetje erover heen. Daarachter lag de rest van mijn route. Nog 150 meter tot aan de camping. Kortom: tassen van de fiets, alles over het hek tillen, de boel weer aande fiets hangen, en verder.

Bij de camping was nog wel platz für ein kleines Zelt. Het zou alleen rumoerig zijn vanwege een jeugdkamp op het terrein verderop. Maakte mij niks uit. Ik zou slapen als een roos.

De dag daarop begon droog, en eindigde kleddernat. Qua reisdoel had ik een plan A en een plan B. Plan A betrof een rustige camping die ik ergens op het internet had opgesnord. Maar die bleek niet meer te bestaan. Mijn telefoon had er trouwens de brui aan gegeven. Batterij was nagenoeg leeg en opladen aan de accupack die ik mee had ging niet vanwege vocht in de usb-ingang (de telefoon had nog net genoeg power om me die melding te tonen voor het zichzelf definitief uitschakelde). Dus ik moest zelf gaan navigeren, met een fietskaart. Plan B was een reguliere camping bij Essen (Quakenbruck), een kilometer of 6 verder fietsen. En voor die avond compleet geboekt door een kanovereniging. Ik besloot om noodplan C erbij te pakken: dan maar een hotel. In het hotel kon ik met de föhn het vochtprobleem van de telefoon gelukkig verhelpen. Het was een oud hotelletje maar het voldeed. 40 euro voor een nacht, Frühstuck includiert.

Tijdens dat ontbijt, dat overigens erg goed was, zag ik hoe de regen de straten geselde. Ik besloot om geen haast te maken. Misschien zou het opklaren. En dat deed het ook nog. Ik heb het grootste deel van de etappe van die dag droog weer gehad. Ik had trouwens ook besloten om de navigatie-app niet meer te gebruiken. Het fietsen met een papieren kaart is veel leuker. Ik volgde de op de kaart aangegeven fietsroutes door de groene fietsjes op de speciale bordjes te volgen. Soms waren die niet goed leesbaar…

Zo volgde ik die dag deels de Hase-Ems-tour en deels de Boxenstopp-tour (een route vol bezienswaardigheden). En als je dat doet kom je dus echt op mooie paden terecht in plaats van een digitaal aan elkaar geregen route die je niet per se over mooie paden leidt. En je vindt op die routes op precies de goeie plekken een pauze-halte.

De dagen die hierop volgden werden mooier en mooier. Ik wist niet dat Ost Friesland zo mooi was. Op de derde dag begon alleen mijn achillespees te ontsteken. Om dat te voorkomen heb ik dus van die orthopedische zolen. Dus ook nodig op lange fietstochten. Ik kocht bij de lokale apotheker maar extra pijnstillers en een tube voltaren. Ik was toen in Diepholz, een aardig stuk Ost Friesland in. Bij de camping om een ice pack gevraagd en een dagje rust ingelast. Het was niet anders. Gelukkig knapte het weer wel lekker op. Op dag 5 was de pijn aan de achillespees gedempt tot een vaag gezeur. Tijdens het fietsen had ik er de eerste 50 kilometer geen last van. Daarna kon ik nog wel 10 kilometer door fietsen voor het echt niet meer ging. Geen reden om te stoppen dus.

Om een lang verhaal wat in te korten heb ik mijn reis lekker voortgezet. Van Diepholz reed ik over de Megalithkultur-route (langs Hunnebedden en dergelijke) naar Wildeshausen.

Van Wildeshausen fietste ik via Cloppenburg (mooie stad!) naar Werlte. En van Werlte, via Sögel (waar het prachtige Schloss Clemenswerth ligt), langs de Werpeloher Stenenkring naar een camping met heerlijke douches in Lathen.

Van Lathen zakte ik af naar Geeste en sloeg daar rechtsaf naar Wietmarschen. Daar zocht ik de vooraf uitgezocht camping “Zum Blauen Bock” uit. In mijn beste Duits vroeg ik of er nog een plekje vrij was voor een kleine tent. De beheerder keek me meewarig aan en zei: je kan gewoon Nederlands praten hoor. Hij had nog wel een plekkie. Voor een schaamteloos hoge prijs trouwens, maar dat terzijde. De laatste etappe was dus weer naar huis. Ik vertrok al om half 9 in de ochtend om te profiteren van de koelte in de ochtend. Omdat ik ook vandaag nog vakantie had koos ik een mooie route uit. Ik besloot de Vecht te volgen tot aan de grens. Daarna via Gramsbergen en Slagharen naar Hoogeveen.

Om een uur of vier in de middag kwam ik thuis aan. Bijna 80 kilometer afgelegd. Veel meer dan ik had gedacht. Ik heb ruim 3 en een halve liter water gedronken onderweg, maar dat was niet genoeg. Ik had alle symptomen van uitdroging (droge huid, stemverlies, slap, misselijk en heel donkere urine). Gelukkig knapte ik snel weer op na een dagje rust en veel water drinken. Een lesje rijker dus: nog meer water drinken, of toch maar niet 80 kilometer afleggen bij dit soort temperaturen.

Ik heb het gevoel dat ik drie weken onderweg ben geweest. Ondanks de (kleine) tegenslagen heb ik er enorm van genoten. Ik heb nog weer meer missende stukjes van mezelf terug gevonden. Deze tocht deed ik op mijn manier. Ik hoefde alleen aan mezelf verantwoording af te leggen. Als ik verkeerd reed omdat ik een bordje had gemist, lastte ik gewoon een pauze in, keek eens rustig op de kaart en vond mijn pad weer terug. Ik voelde me niet opgelaten over mijn “falen”. Niet opgejaagd om het ontstane probleem op te lossen. Maar ik voelde me gewoon helemaal mezelf. En zo werd het dus ook een heilzaam avontuur. Wat mij betreft was het besluit tot dit avontuur, het beste besluit dat ik dit jaar nam.

Algoritmen

Stukjes code die helemaal vanzelf keuzes maken voor mij. Zoals de super hete pizza die voor me wordt gebakken omdat het algoritme registreerde dat mijn blik wel 0.374 seconden op die smakelijke groene jalapeño op de foto boven de balie bleef hangen. Zoals de route van A naar B omdat ik maar zou verdwalen en bovendien niet in files wil staan, maar eigenlijk worden we met z’n allen als kuddedieren zo over de wegen geleid dat de files korter zijn en sneller oplossen. Of het nieuws dat mij zou moeten interesseren op basis van een persoonlijk profiel dat is bepaald door volautomatische verzameling van data over mijn gedragingen.

Algoritmen combineren mijn data met de data van anderen. Algoritmen delen ons op in categorieën. Digitale schaapskuddes. Algoritmen voorspellen met die data wat we nodig hebben, en matchen onze behoeften aan de ideale keuze uit het enorme aanbod. Het aanbod is zo groot dat we niet eens meer zelf kúnnen kiezen. Veel te veel gedoe. Boeken, muziek, gadgets, verzekeringen, reizen, restaurants, woonruimte, medische zorg, en ook liefde. Niets is blijkbaar taboe. Algoritmen die (tegen betaling) de beste keuzes voor een nieuwe partner voor je berekenen. Ik vind het nogal wat. Als gediplomeerd infoloog weet ik hoe je algoritmen maakt en hoe ze werken. Maar toch vind ik het nogal wat. Die beroepskeuze maakte ik destijds trouwens helemaal zelf. Nooit spijt van gehad. Straks wordt je ideale studiekeuze natuurlijk al voor je berekend door een algoritme. Dat is al geen taboe meer.

Het duurt vast ook niet lang of algoritmen weten precies wanneer je dood gaat. Sterker nog, dit weten ze beslist al, op de dag nauwkeurig, maar ze hebben zich nog niet uit de taboesfeer gewurmd. Op een dag in de nabije toekomst krijgen zij die al digitaal ten dode zijn opgeschreven schaamteloze advertenties voor praktische en passende uitvaarten die precies bij ons passen (duurzaam de pijp uit knetteren kan dan ook). Je keuze voor het verzorgingstehuis is dan natuurlijk dan ook al door een algoritme gemaakt. Het vriendelijke algoritme dat het beste met je voor heeft. In al zijn goedheid heeft het ook alvast de ideale uitvaart voor je uitgezocht. Je hoeft het allemaal alleen nog maar in je winkelwagentje te slepen.

Sta los

Boos zijn is niet moeilijk. Boosheid uiten is veel moeilijker, vind ik. Ik stop het meestal maar weg. Niet goed. Weet ik. Ik kan bijvoorbeeld erg boos worden van onredelijkheid. Daar ben ik beslist niet de enige in. En ik kan ziedend worden als iemand mijn grenzen niet respecteert. Dan moet je ze wel duidelijk aangeven, die grenzen. Vandaag zei iemand tegen me dat je best boos mag zijn als iemand over je grenzen gaat. Maar je hoeft dan niet per se enorm fel van je af te bijten, ga maar simpelweg staan voor de overschreden grens. Wees maar duidelijk dat de ander de grens dient te respecteren.

Een tijd geleden kreeg ik ook het advies om “het zacht te houden”. Maar te zacht is dus niet goed. Dan laat je toe dat iemand over je grenzen gaat. Stelselmatig. Moet ik dan toch meer verharden? Vroeg ik. “Nee”, luidde het antwoord, “Sta stevig, maar los genoeg om ook mee te kunnen bewegen”. Het deed me denken aan de yogalessen die ik jaren geleden volgde. Ik ben de naam ervan vergeten, maar er is een yoga term voor een houding die ontspanning en stabiliteit combineert. Losheid en kracht. Als je los staat kan iemand je minder makkelijk omver duwen. De aikido-meester van mijn zoontje zegt het ook steeds: Sta los. Dan sta je steviger.

Verwacht niets

Nee heb je, ja kun je krijgen. Een wijsheid van mijn moeder. Als ik iets wilde maar niet durfde te vragen, dan was dat haar advies. Het is een waarheid als een koe natuurlijk. Zelf zeg ik nu heel vaak tegen mijn kinderen dat brutalen de halve wereld hebben. Soms mag je, nee, móet je brutaal zijn, zeg ik tegen ze. Het betekent ongeveer hetzelfde als mijn moeder’s wijsheid, maar ik voeg er assertiviteit aan toe. Als je iets wil, moet je er brutaalweg om vragen. Wat een gedoe. Toch pas ik dat altijd behoorlijk vrijpostig toe als ik een rib uit mijn lijf ga trekken voor een auto, of een keuken, et cetera: kan er wat van de prijs af? Het is verbazingwekkend hoe zelden ik daarop een nee als antwoord krijg.

De kern van mijn moeder’s oude wijsheid zit ‘m in de verwachting van de afwijzing. Een mens gedijt slecht op afwijzing. Voor mij geldt dat sowieso. De vraag niet stellen voorkomt op zich wel afwijzing, maar de begeerde bevestiging wordt niet ontvangen. Kortom: ga die vraag vol goeie moed en brutaliteit stellen, met de verwachting van de nee? Nee. Ik denk dat je geen ja én geen nee moet verwachten, maar helemaal niets. Verwacht je namelijk een “ja”, dan is er het risico van teleurstelling. Maar als je altijd uitgaat van de “nee”, dan loop je het risico van gelatenheid: het maakt toch niks uit wat ik doe. Ik denk dat dat laatste erger is dan af en toe een afwijzing verwerken.

En natuurlijk is de wereld niet zwart-wit. De mijne niet in ieder geval. Er zit een hele wereld tussen alles en niets. Soms helpt het om brutaal te zijn met hoge verwachtingen, en soms loont je sierlijke bescheidenheid. In het midden zit acceptatie van net gelijk welk antwoord. Verwacht niets, en accepteer alles. Natuurlijk is alles niet alles, en niets niet niets. Het gaat erom dat er een hele wereld tussen nee en ja zit, en dat je je open stelt voor het antwoord dat je krijgt en dan kiest wat je daarvan kunt accepteren. Wat een gedoe. Ach, voor mij is dit zo’n inzicht dat er altijd al was, maar waar je door schade en schande door het leven steeds weer aan herinnerd wordt. Afhankelijk van je koppigheid (en daarmee ben ik nogal gezegend), leer je dit ergens in je leven te accepteren.

Vooruit!

Als je iemand verliest dan hoor je altijd dat je het leven weer op moet pakken. Vooruit! Je moet weer verder gaan met je leven, ondanks het verlies. Er zijn twee soorten verlies. Bij de ene is de verlorene dood, en bij de andere niet. In beide gevallen raak je ook een deel van jezelf kwijt. Een groot deel. Er blijft een uitgeholde versie van jezelf over. Zo voelt het. Misschien blijft het altijd wel zo voelen. Een deel van me klampt zich zelfs vast aan dat gevoel. De holte heeft de vertrouwde vorm van degene die je bent verloren. In de holte weerklinken de echo’s van een verleden dat ik maar niet kan loslaten.

Vooruit, pak het leven weer op, luidt het devies. En dat probeer ik ook. Uit alle macht eigenlijk. Maar het uitgeholde gevoel blijft. Misschien heb ik gewoon meer tijd nodig om van het verleden los te komen. Helemaal los kom ik natuurlijk nooit. En dat is normaal. Het verleden blijft namelijk altijd deel uitmaken van je leven, van je identiteit. Het heeft je gevormd, hoe je het ook wendt of keert. Je van je verleden afkeren, is je van jezelf afkeren.

Ik moet me alleen los maken van degene die ik verloren heb. Soms heb ik wel eens de macabere gedachte dat verlies door sterfte gemakkelijker is. De dood is onomkeerbaar, en smoort onverbiddelijk en acuut alle hoop op hereniging. Een tsunami van verdriet holt je in één klap uit.

Het rouwproces bij een scheiding is totaal anders. De hoop op hereniging stierf in mijn geval een langzame en pijnlijke dood. De uitholling gebeurde in golven. In het begin beukten grote golven op me in. Grote stukken van mezelf brokkelden af en verdwenen in de zee. Maar naar mate de storm in kracht afnam, werden de golven steeds kleiner. De zee is nu kalm en de storm teistert me niet langer. In mijn rug voel ik een frisse wind. Ik verbeeld me dat het me iets duidelijk wil maken: Vooruit! Leef! Nu!

Mijn fietstoer

Ooit, in een grijs verleden, had ik dit plan al eens opgevat. Een plan voor een vakantie op de fiets. In dat grijze verleden was ik een stuk minder grijs en ongeveer een jaar getrouwd. Nu ben ik bijna van die vrouw gescheiden en ga ik mijn plan van toen maar eens tot uitvoering brengen. Daarmee wil ik natuurlijk niet zeggen dat mijn huwelijk dat plan in de weg stond. Of misschien toch. Het ligt ingewikkeld en ik ben niet van plan om het hier uit te leggen.

Dus Mark gaat op fietsvakantie. Inderdaad. En ik heb geen flauw idee waar ik aan begin, en dat is nou precies wat het zo leuk maakt. Op het gebied van lange afstanden fietsen ben ik een beginner. Daarom begin ik klein. Mijn plan is om dit jaar eerst maar eens een kleine rondje door Duitsland te toeren. Ik vertrek eenvoudig vanuit huis, want Duitsland ligt maar zo’n 25 kilometer naar het Oosten. Mijn eerste etappe is van Hoogeveen naar Coevorden. Dat staat vast. Ongeveer.

Voor een fietsvakantie heb ik natuurlijk een fiets nodig. En allerlei andere dingen die ik nog niet had. Ik wil het allemaal doen met een minimaal budget. Dus schuim ik Marktplaats af naar goeie spullen voor een prikkie. Ik ga er stiekem een beetje prat op dat ik daar oog voor heb. Zo vond ik een prima fiets. Geen hypermodern, lichtgewicht hoogstandje uit Japan, maar een geleefd stuk Hollandse glorie. Stoer, sterk en eerlijk. Ik geef hem nieuwe liefde. Deze gaat me niet in de steek laten. Hoop ik.

En ik had fietstassen nodig om mijn kampeeruitrusting in te kunnen meenemen. Ik vond ze bij een gelouterde toerfietser uit Sneek. Hij had een complete set fietstassen te koop die hij helemaal naar Santiago de Compostella en weer terug had gefietst. Tassen die al zijn voorgemarineerd met avontuur. Precies wat ik zocht! De man vond dat de tassen een tweede leven verdienden. Op zolder vangen ze alleen maar stof, vertelde hij. Hij kon er eigenlijk geen afstand van doen, zo voelde het. Dit soort gesprekken maken het de moeite waard. Ik beleef nu al plezier van mijn plan.

Ergens in augustus moet het gaan gebeuren. Mijn eerste fietstoer. Ik trek er 9 dagen voor uit. Op een zaterdag vertrek ik. In mijn onverbeterlijke optimisme denk ik dat ik tussen de 50 en 80 kilometer per dag zou moeten kunnen fietsen. Dus een reisje van 600 kilometer is haalbaar. Bij fietspech fiks ik het wel. Mijn optimisme kent geen grenzen, en ik vertrouw op mijn vindingrijkheid. Zoals gezegd heb ik geen flauw idee waar ik aan begin, maar ik zie wel. Dat geeft me dus precies het gevoel dat ik leef. Ik popel!