Openlijke ontrouw

Zo langzamerhand begin ik te geloven dat ook trouwheid niet zwart-wit is. Niet dat je ook half trouw kan zijn, of 20% trouw of zo, maar meer dat je trouw kunt zijn aan meerdere mensen tegelijk. Aan meerdere geliefden tegelijk. Oké, er is natuurlijk een hele dikke kans dat geliefden jouw trouw aan andere geliefden als ontrouw zien. We worden in de westerse cultuur immers opgevoed met het ideaalbeeld van monogamie. In de praktijk is dat echter vaak seriële monogamie. Relaties gaan nog wel eens kapot, dus je kan er meerdere hebben in een leven. Maar waarom rust er zo’n taboe op het hebben van meerdere relaties tegelijk? Als je er vanaf het begin open over bent, is dat misschien wel helemaal niet zo moeilijk. Misschien is dat wishful thinking, maar misschien is het ook gewoon een heel vruchtbaar inzicht. Een inzicht dat je, zeg maar, zo rond middelbare leeftijd krijgt. In die periode in je leven waarin je je identiteit weer eens in twijfel trekt. In die periode waarin menig mens zich weer verder ontpopt. En ik zie zo langzamerhand dus een nieuwe versie van mezelf ontstaan die vindt dat je best open kan staan voor openlijke ontrouw.

Ruimdenker

In mijn hoofd draaien veel gedachten om elkaar heen. Dat is voor mij normaal. Ik denk heel veel en heel breed. En ik denk holistisch. Uiteindelijk komen gedachten die eerst heel ver uit elkaar leken te liggen, toch bij elkaar. Daar kunnen weken, maanden overheen gaan. Ik ben ruimdenker. Letterlijk. Dus ga ik veel naar buiten, de natuur in. De weidsheid van de weilanden geven mijn gedachten de volle ruimte die ze nodig hebben. Bomen lijken mijn gedachten haast wel te absorberen. Het is alsof ze meedenken. Nee, het is alsof ze mijn gedachten overeind helpen te houden. Ik gebruik hun takken om gedachten aan op te hangen.

De laatste tijd denk ik veel na over mijn vaderschap. Daar rijzen steeds die irrationele twijfels. Mijn jongste zoon (bijna 13) heeft een veel te hoog IQ. Scholen weten daarmee geen raad. Het ventje worstelt met zijn identiteit omdat hij klaarblijkelijk niet past in het model dat de school voorstaat. Een kind moet passen in het systeem in plaats van andersom. Passend onderwijs is een wassen neus, kan ik je zeggen. Mijn jongen kan zich niet aanpassen aan de schoolnorm. Hij kan daar niets aan doen. Het is echt geen dwarsheid, ook al lijkt dat wel zo. Zijn brein krijgt onvoldoende uitdaging en dat leidt tot frustratie. Een te hoog IQ gaat gepaard met een na ijlende emotionele intelligentie, dus die frustratie uit hij niet als een 13-jarige, maar als een veel jonger iemand. Dat zet hem dus nog verder apart. Het doet mij letterlijk pijn om mijn zoon te moeten zien worstelen met zijn identiteit. En ik voel me eigenlijk steeds machtelozer.

Over hoogbegaafdheid heb ik intussen veel gelezen. Ik snap de theorie, maar ik kan me niet verplaatsen in een hoogbegaafde. Ik kan me niet voorstellen hoe het is om een te hoog IQ te hebben. Die “te” is natuurlijk onzin. Die van mij schommelt trouwens tussen de 100 en de 120, wat af hangt van de hoeveelheid daglicht op een dag. Ik ben hooguit hoogbevaagd. Dus ik voel mij als vader van een hoogbegaafde best onzeker. Hij kan me ook af en toe ook best onnozel laten voelen met zijn niet persoonlijk bedoelde sarcastische, intelligente opmerkingen. In mijn hoofd heb ik maar een mantra aan staan: “Blijf zacht, blijf geduldig. Ben er maar gewoon voor hem, want hij heeft je echt nodig”. Niet altijd makkelijk. Hij kan mijn wervelgedachten als geen ander laten opvlammen tot een orkaan zodat ik zomaar van mijn stoel op spring en naar buiten vlieg. Hoge denknood.

Belabberde vreemdganger

Toen ongeveer een week geleden het koppelingspedaal van de auto bleef hangen besloot ik om vreemd te gaan. Nou ja, niet in eerste instantie. Ik ben namelijk erg trouw. Maar hoewel ik niet onmiddellijk werd afgewezen, bleek die trouw niet wederkerig. Er werd duidelijk geen prioriteit aan mij toegekend. Aanvankelijk was ik, zoals altijd, begripvol. Natuurlijk was er geen haast bij. Als een mak lammetje liet ik me naar achteren in de agenda verhuizen.

Na een nacht draaien in mijn bed besloot ik mijn heil bij een ander te zoeken. Ik kon dezelfde middag al langs komen. We maakten samen een ritje in de auto. De wagen liet het niet afweten en deed erg zijn best, ondanks het slappe koppelpedaal. Na een kwartiertje rijden stelde de monteur een geruststellende diagnose, en ik mocht mijn trouwe bolide achterlaten. Hij zou zijn uiterste best doen en ik kreeg een leenauto mee.

Natuurlijk heb ik mijn vaste garage even op de hoogte gebracht van mijn vreemdgaan bij een ander. Zoals ik al kon verwachten was de reactie emotieloos. Het maakte hem weinig uit. Er kwam zelfs geen reactie toen ik dan maar zei dat hij het moest zien als een avontuurtje, een tussendoortje. En dat dat niet betekende dat alle voorheen ontvangen service niets voor me betekende. Hij gaf geen kik.

Vandaag kon ik mijn auto weer ophalen bij die ander. Ik kreeg een dampende kop koffie en een uitgebreid verslag van het verrichtte werk. De auto was duidelijk gepoetst en stond te glimmen in de werkplaats. Mijn hart maakte zowaar een sprongetje. Zoveel liefde! Maar daar hing wel een leuk prijskaartje aan. Dat dan weer wel. “Nou meneer, met deze auto zou ik in vol vertrouwen naar Zuid-Frankrijk rijden, maar hij heeft wel een grote onderhoudsbeurt nodig”, werd me verteld, gevolgd door een lijst die me nog net niet naar adem liet happen. “Hij is het waard hoor”, verzekerde de garagehouder me. Dat is voor latere zorg, besloot ik. En ook dat ik met hangende pootjes terug ga. Ik ben een belabberde vreemdganger.

Levens

Een leven lang voelde ik me alleen. Alleen wilde ik dat niet toegeven. Ik hield mezelf voor dat ik nou eenmaal een einzelgänger ben, wat ook wel echt waar is. Maar ik was het wel. Alleen. Zelfs ik zelf liet mij links liggen. Nu weet ik dat ik ooit juist zélf begonnen ben met het in de steek laten van mezelf. Maar lange tijd hield ik een leugen in stand.

Het gekke is dat ik twee levens leek te leven. In het ene leven stond ik er midden in. In het andere aan de zijlijn, machteloos toe te kijken. Ik had een werkleven en een sleepleven. In mijn werkleven voel ik mij het meest mezelf. Het sleepleven voelde als een leugen en holde me uit. Maar misschien waren beide levens wel gefundeerd op zelfverloochening. Misschien diende het werkleven wel om het sleepleven te vergeten. In mijn werkleven beschikte ik wél over mezelf. In mijn sleepleven raakte ik mezelf meer een meer kwijt.

Vandaag heb ik één enkel leven. Een aantal jaren geleden heb ik mijn dubbelleven met enorme kracht van me afgeworpen. Nog immer de einzelgänger, maar wel een vrolijke. Ik laat mezelf nooit meer in de steek. Die belofte heb ik mezelf plechtig gemaakt. In mijn leven sleept niets meer. Nooit meer. Ik heb de wind in de rug. En het vrijgezellenbestaan dat ik met zoveel verve oppakte, lijkt tóch een korter leven beschoren te zijn. Ze wandelde zo mijn leven in. Weerloosheid maakt zich meester van me. O jee…

Lief

Hoe zou een bloemknop zich voelen, nu de lente zo dichtbij is? Zou het verlangen naar warmte? Zou het verlangen naar de sprong in de volle bloei? Zou het smachten naar het zoemen van de bijen? Zou de sapstroom op hol slaan bij de gedachte daaraan? Ik zie die knoppen als ik buiten wandel en voel me er vreemd genoeg mee verbonden. Alhoewel, vreemd? Gezien de stand van mijn gemoed is het eerder vanzelfsprekend. Een intens gevoel van geluk bruist in me. Ze is zo waanzinnig lief.

Ubuntu

Een tijdje geleden kocht ik in een opwelling een boek over de Zuid-Afrikaanse filosofie “Ubuntu“. In het boekje staat op bijna iedere bladzijde wat Ubuntu is, maar steeds een beetje anders verwoord. Je ziet jezelf in anderen, en anderen zien zichzelf in jou. Jij bent waardevol voor en door anderen. Anderen helpen is jezelf helpen. Anderen in de steek laten is jezelf in de steek laten. Ubuntu gaat dus over de verbondenheid met anderen.

In hetzelfde boekje las ik verder dat Ubuntu over perspectief gaat. Iets kunnen zien vanuit het perspectief van een ander. Bij een conflict zou je volgens Ubuntu moeten proberen het perspectief van de ander te begrijpen. Alleen dan kan aan weerszijden ruimte ontstaan voor een verbreding van de zienswijze.

Dat geeft toch wel te denken. Je hoort immers heel vaak dat er gesproken wordt over de polarisatie van de maatschappij. We weten allemaal dat de polarisatie veroorzaakt én versterkt wordt doordat de ene zijde zich niet kan (en wil) verplaatsen in de andere zijde. Polarisatie is verdeeldheid. En verdeeldheid maakt een maatschappij zwak. Poetin spint daar nu garen bij. Op de wereldschaal waarop het conflict om Oekraïne nu speelt zou een beetje meer Ubuntu volgens mij niet misstaan.

Woordspeling

Woordspeling is wiebelruimte in een woord. Waardoor de betekenis ervan lekker los zit. Zodat een woord vanuit een andere hoek zomaar iets heel anders betekent. Woordspeling is zelf ook zo’n woord. Gaat het nu over de beweeglijkheid van een woord, of over speelsheid met woorden? Ontmoeting is een andere favoriet. Ik zie dan dat mooie verband met onthaasten. Dat is niet alleen je tempo verlagen, maar ook het moetgehalte. Een onthaast mens heeft daardoor meer tijd voor het moment. En natuurlijk ook duidelijk minder haas.

Geselen

Gisteren geselde de regen de straten. Dat is hoe ik het beleefde. Als een geseling. Tegelijk vroeg ik me af: wie zegt er vandaag de dag nog “geselen”? Het is meer een woord dat je schrijft dan uitspreekt. Geselen is een beetje als zwarte peper. Het is een woord dat in spannende verhalen wordt gebruikt om de scene “op smaak” te brengen voor de lezer. Geselen versterkt de beleving van regen. Geselende regen is geen voorjaarsbuitje. Een geselende bui striemt en kwelt.

Stel je een te voet gaande reiziger voor. Zijn pad wordt gegeseld door een niet aflatende regenbui. Diep voorover gebogen klieft hij zich door het noodweer. In de verte lokt de warme gloed van zijn bestemming: herberg “De Gegeselde Reiziger”. Na wat een eeuwigheid lijkt, bereikt de reiziger de herberg alwaar hij zijn doornatte jas bij de kachel te drogen hangt en plaats neemt aan een wiebelende tafel. Het ruikt er naar boenwas en natte hond, maar het is er droog en warm. De potige herbergier komt zijn tafel schoon vegen met een geruite theedoek vol vlekken, en bromt: “Wilt u iets bestellen?” De wandelaar bestudeert even de groezelige menukaart en zegt dan: “Ja, ik had graag de gegeselde uitsmijter met uw beste bier”.

De ruimdenker

Hij probeert zo min mogelijk van dingen op te kijken. Dingen die ver van hem af staan. Dingen die indruisen tegen zijn overtuigingen. Dingen die hij nog niet begrijpt en misschien wel helemaal niet hoeft te begrijpen. Dingen die ook gewoon zijn wat ze zijn. Dus denkt hij er niets over. Hij vindt eigenlijk dat hij niet eens per se een mening over alles hoeft te hebben. Het leven is eenvoudigweg te kort om over alles wat gebeurt in de wereld, een mening te hebben. Dus hij denkt maar ruim. Zodat er plaats is voor het respecteren van het vreemde. Het leven zelf voelt dan ook ruimer.

Het zou hem ook niet verbazen als anderen zich zouden verbazen over dingen die voor hem heel gewoon waren. Dingen die hij doet en morgen weer. Dingen die indruisen tegen hun overtuigingen. Dingen die ver staan van hun waarden. Misschien is het voor anderen moeilijk of zelfs onmogelijk om zijn dingen te laten zijn wat ze zijn. En misschien is het voor hen zelfs onmogelijk om geen mening te hebben over die dingen. Ook daarover moet hij ruim kunnen denken, vindt hij. De ruimte in het denken van anderen is immers ook slechts een ding dat hij niet per se hoeft te begrijpen.