Het principe van het principe

Het principe van een gloeilamp is dat het licht geeft omdat er een elektrische stroom door de gloeispiraal gaat. Hierdoor wordt de gloeispiraal heet (drieduizend graden) en straalt dan licht uit. Zo werkt het. Een handige uitvinding waardoor je ‘s avonds een boek kunt lezen.

Volgens het principe van Fermat is de weg die dat licht van gloeispiraal tot jouw boek aflegt altijd de weg die in de kortste tijd kan worden afgelegd.  Een natuurkunde-wet waar geen photon aan ontkomt. Deze bewering is altijd waar. Dat is wetenschappelijk aangetoond en verklaard. Daarom mag je het als basisprincipe (grondslag, axioma) voor andere wetten gebruiken. Bijvoorbeeld voor het bepalen van de hoek waarmee licht wordt gebroken bij een materiaal-overgang (wet van Snellius).

Maar je kunt ook niet bewezen beweringen, theorieën, als grondslag voor andere stellingen gebruiken. De hedendaagse rekenkunde zou bijvoorbeeld niet kunnen bestaan zonder de theorie van het natuurlijke getal. Deze theorie, de rekenkunde van Peano, is gebaseerd op een overzichtelijk rijtje basisprincipes die ondubbelzinnige bepalen wat de reeks van natuurlijke getallen is.

In de wetenschap voer je in principe nooit bovennatuurlijke krachten aan als verklaring voor een verschijnsel. Vanuit dat principe ligt alles wat we niet rationeel kunnen verklaren altijd aan ontbrekend inzicht. Het is een belangrijk grondbeginsel van de wetenschap. Daarmee onderscheidt het zich van religie.

Bij religie staan hogere machten juist centraal in de verklaring van verschijnselen. Die hogere machten kunnen goden zijn, maar dat hoeft niet. Taoïsten zoeken bijvoorbeeld geen verklaring in Opperwezens, maar zien de loop der dingen eenvoudig als een natuurlijk principe. Het is zoals het is, omdat het is zoals het is.

Maar natuurlijk kun je als mens ook gewoon een zelf gekozen standpunt innemen. Zo kun je er bijvoorbeeld voor kiezen om volgens bepaalde regels te leven. Je kunt bijvoorbeeld uit principe geen vlees eten. Of uit principe alleen aardbeien eten  die uit Nederland komen en niet in een kas zijn gekweekt. Of uit principe  geen Apple-technologie willen gebruiken. Of uit principe niet gokken. Dit soort principes zijn afspraken met jezelf, en zijn sterk bepalend voor je gedrag. Soms moet je je principes wel eens herzien of tijdelijk of voor altijd overboord gooien. Mijn aardbei-principe gooi ik bijvoorbeeld soms wel eens overboord als ik in november ofzo plotseling overmand word door trek in aardbeien.

Dus samenvattend is het principe van een principe dat je er in beginsel door bewerkstelligt dat je uitgangspunten hebt voor het innemen van (nieuwe) standpunten of juist om eerder ingenomen standpunten (tijdelijk) te verlaten. Daar is in principe natuurlijk geen speld tussen te krijgen.

Vlugge Vloggers

Een plaatje zegt meer dan duizend woorden. Dus dan maak je altijd de afweging: maak ik een mooie plaat, of schrijf ik even een stuk tekst van duizend woorden. Het hangt ervan af hoe ingewikkeld het onderwerp is dat uitgelegd moet worden. En het hangt ervan af hoe goed je bent in het maken van plaatjes.

Maar het hangt ook van je voorkeur af. Zelf schrijf ik graag, dus ik ga voor duizend prachtige woorden. Af en toe zet ik er wel eens een plaatje bij, maar dat is meestal puur ter illustratie. Als ik al een zelf geschoten plaatje plaats, dan doe ik dit om er een verhaal bij te vertellen. Ik ben ook maar een matige fotograaf, dus ik moet mijn plaatjes ook wel bijlichten met wat tekst.  Ik ben meer praatjes- dan plaatjesmaker.

Wel volg ik diverse foto-blogs. Ik hou namelijk wel veel van fotografie, maar vooral als kijker. Foto’s die een verhaal vertellen, zonder dat er woorden voor nodig zijn, spreken me het meest aan (bijna letterlijk).

Wat ik (nog) helemaal niet volg, zijn vlogs. Zo wist ik pas sinds vandaag af van het bestaan van Enzo Knol, de populairste vlogger op dit moment. Hij schiet de hele dag niets anders als filmpjes. Gegrepen uit zijn interessante leven. Iedere dag zet hij een nieuw filmpje online. Het is een vlugge vlogger. Het is veelzeggend dat ik hem nog niet kende. Ik zat lekker onder mijn rots.

Technisch gezien is een filmpje een heleboel plaatjes (frames) die je snel achter elkaar toont. Een filmpje van een minuut bevat al snel 300 frames. 300 plaatjes die elk meer vertellen dan duizend woorden. Vertelt een vlog van een minuut meer dan 300.000 woorden?  Misschien wel als er niet teveel bij gesproken wordt.

Maar misschien hoeven filmpjes wel helemaal nergens over te gaan om het bekijken waard te zijn. Na het zien van 30 seconden Knolpower, haakte ik al af. 30 seconden die mij in potentie meer dan 150.000 woorden hadden kunnen zeggen. Maar het zei mij helemaal niks. Het gaat helemaal nergens over,  en toch meer dan een miljoen bezichtigingen. Blijkbaar denken al die kijkers er anders over dan ik. Ik ben ook maar een ouwe zeur. Laat mij maar lekker mopperen op mijn ouderwetse blog met amper 40 volgers. Blatende bloggers zijn passé. Dit is de tijd van de vlugge vloggers.

 

 

Loophekmisbruik

“Loophek defect, s.v.p. omlopen langs andere kant”, dat stond laatst op een keurig, geplastificeerd stuk papier dat met plakband aan een pylon was bevestigd. Het loophek verschaft toegang tot de parkeerplaats direct bij het kantoorgebouw waar ik bijna dagelijks kom – eigenlijk mijn tweede thuis – en bevindt zich op de kortste looproute vanaf de reserve-parkeerplaats een halve kilometer verderop. De pylon stond aan het begin van het wandelgangetje via welke een omwandeling van 5 minuten kan worden vermeden. Maar toen dus niet. De reserveparkeerders mochten fijn een langere wandeling maken.

Tijdens die omwandeling bedacht ik me dat een mens het woordje “defect” normaal gesproken niet bezigt (“bezigt” zelf trouwens ook niet). Ja, alleen in formele meldingen, zoals: “wegens een defecte bovenleiding is er tussen A en B geen treinverkeer mogelijk”. Als ik met een lekke band langs de weg sta en mijn vrouw bel om haar dit te vertellen, zeg ik bijvoorbeeld niet: “wegens een defecte autoband is er voor  mij tussen kantoorlocatie en thuis geen autoverkeer mogelijk”.

Waarom mag er niet gewoon “het loophek is stuk, u moet helaas even omlopen”, op dat bordje staan? Als er in plaats van zo’n bordje een persoon zou staan, dan zou deze dit waarschijnlijk zo zeggen. Alhoewel dit na tig collega’s waarschijnlijk wordt ingekort tot “loophek stuk, effe omlopuh”. En zou je dan geschokt reageren met: “Stuk? Defect bedoelt u! En hoezo móet ik omlopen? Als u er nou even netjes s.v.p. of a.u.b. bij zou zeggen, dán loop ik om”?

En dan “loophek”. Wie heeft dat malle woord bedacht? Met mijn geestesoog zie ik een hek met voetjes. Een hek dat kan weglopen. En een defect loophek kan dat dus even niet, of loopt mank of zo. In de Van Dale komt loophek in ieder geval niet voor. De hekwerkentoko’s verkopen het desalniettemin. Het is blijkbaar een hek, of een deel van een hek dat open en dicht kan, zodat je door dat hek heen kunt lopen. Jij loopt dus. Dat hek kan dat helemaal niet, alleen zwaaien of draaien (Van Dale erkent overigens ook geen draai- of zwaaihek).

30_loophek_1_

Eigenlijk is de lettergreep “loop” van loophek nogal betuttelend. Je mag alleen door het hek “lópen”. Hoe gaat dat loophek mij verhinderen dat ik er doorheen ren, kruip of huppel? Er staat geen bordje bij waarop zoiets staat als “Loophek, alleen doorheen lópen s.v.p.”. Staat er dan een camera op gericht misschien? En als ik morgen door dat loophek huppel, klinkt er dan ineens een strenge omroepstem die zegt: “Meneer, het is een lóóphek! Dus graag gewoon door het hek lópen!”? En kom ik na herhaling dan te boek te staan als notoire loophekmisbruiker? Het duiveltje op mijn schouder slaat zich nu al op zijn dijen.

Maar een mens

Het is volgens mij altijd goed om te beseffen dat we maar een mens zijn. Wij beseffen dat we ons kunnen vergissen. Dieren hebben dat besef niet, denken we. Onze huiskat denkt bij een mislukte jacht toch niet: tjonge, heb ik me daar even in de snelheid van die muis vergist! Maar de kans is groot dat ik mij ook daarin wederom vergis. Daar hou ik bewust rekening mee omdat ik ook maar een mens ben. Ik weet niet wat er in de kop van een kat omgaat na een mislukte jachtpoging. Ik ben immers geen kattenfluisteraar, alhoewel…

Maar een mens dus. De “maar” is om te voorkomen dat ik mezelf als bovenmenselijk beschouw. Niet dat ik dat vaak doe, maar ik heb mijn momentjes van megalomanie waarbij ik de mensheid wel lijk te ontstijgen. Mijn ego is nogal bovenmaats. De “maar” houdt mijn benen dan aan de grond en zorgt voor mijn aarding.

Maar een mens. Eigenlijk past de bescheidenheid van de “maar” niet. De mensheid zet de wereld naar haar hand. De mensheid overwint de zeeën. De mensheid vliegt naar de maan. De mensheid heeft wetenschap. De mensheid heeft massavernietigingswapens. De mensheid heeft bio-industrie. De mensheid ontregelt het klimaat. En in al haar bescheidenheid gelooft de mensheid ook in oppermachtige wezens die hen stuurt en behoedt. Die mensheid toch.

Gek, we hebben het eigenlijk nooit over de virusheid, insectheid, visheid, vogelheid, reptielheid of katheid. Waaraan moet een organisme eigenlijk voldoen om heid-waardig te zijn? In staat zijn tot dit soort filosofische overpeinzingen? Zich ervan bewust zijn dat het zich kan vergissen? Ik verzin ook maar wat, want ik ben ook maar een mens.

De Zokantook

De ietwat schuchtere zokantook laat zich veelal gelden in ietwat uitdagende situaties. Een zokantook is pragmatisch van aard, en daarmee duidelijk vriendelijker dan de naverwante zomottat. De zokantook komt vaak voort uit verbazing over de per ongeluk gevonden oplossing:”O? zokantook?”. Maar ook dikwijls uit ergernis over een aangedragen oplossing uit een heel andere hoek: “Jazokantookja!”.

De bepaald niet schuchtere zomottat komt uit die andere hoek en bemoeit zich ongevraagd met de situatie: “Aan de kant! Kijk zomottat!”. De zokantook probeert de zomottat zo goed mogelijk te vermijden, en doet dat door te letten op de voorbodes van de zomottat: de twilnies en de kworgeks.

Zokantooks hebben overigens een symbiotische relatie met kziewels en kweetnies. De kziewel creëert het pragmatische klimaat waarin de zokantooks goed kunnen gedijen. Een kweetnie is voor een zokantook hetzelfde als een stuk rottend hout voor een zwam: “kweetnie hoetmoet maar kziewel”. Zolang er genoeg kweetnies zijn en niet teveel twilnies en kworgeks (hier komen immers de zomottats op af), is de zokantook in zijn element.

 

Programmeuse versus Programmeur

Onlangs las ik op Nu.nl dat vrouwen beter in programmeren zijn dan mannen. Toen ik het las, dacht ik: nogal wiedes. Jaren geleden (1988-1992) ben ik zelf opgeleid tot programmeur op de HIO (HTS Informatica). Ik geloof dat er tussen de honderden mannelijke opleidingsgenoten, hooguit 2 of 3 vrouwen zaten. Dus in mijn beleving is de programmeuse zeldzaam. Gedurende mijn loopbaan heb ik maar met enkele van hen samengewerkt, maar ik kan onderschrijven dat programmacode die door een vrouw is geschreven netter is gestructureerd, en meestal beter is gedocumenteerd. Het viel me vooral op dat de programmacode van de hand van een programmeuse veel beter kon worden overgedragen aan anderen.

Na het lezen van het artikel op nu.nl deelde ik een linkje op twitter, en plaatste ik er een zogenaamd spitsvondige opmerking bij, waar ik nu spijt van heb. Ik zette er namelijk bij dat vrouwen natuurlijk vooral betere programmeurs zijn dan mannen als er multitasking aan te pas komt. Dat is eigenlijk ronduit seksistisch. Ik bedoelde het vrij letterlijk en wilde juist de draak steken met de moeite die mannelijke programmeurs met multitasking hebben. Bij nader inzien ook erg flauw.

Met deze flauwe opmerking begaf ik me qua seksisme op behoorlijk glad ijs, maar het heeft me aan het denken gezet. Ingegeven door mijn lieve echtgenote, dat geef ik graag toe. Die invloed heeft ze op me, en dat is maar goed ook. Ze vroeg me of ik wel eens had nagedacht hoe het komt dat je steeds vaker leest dat vrouwen beter zijn in werk dat voornamelijk door mannen wordt gedaan. Misschien moeten die vrouwen zich in mannenwereldjes wel voortdurend bewijzen om daar “hun mannetje te staan”.

In het artikel wordt gesproken over de acceptatie van door vrouwen geschreven code, door mannen. Die acceptatie was hoger als die mannen niet wisten dat de code geschreven was door een vrouw. Dat gegeven alleen al vind ik schokkend. Blijkbaar kun je de kwaliteit van geleverd werk niet objectief beoordelen als je over informatie beschikt over het geslacht van persoon die het werk heeft gedaan. “Welkom in mijn wereld”, aldus mijn vrouw. Zij is een vrouwelijke astronoom…

Een programmeuse moet blijkbaar dus én beter haar best doen om zich in het overwegend mannelijke programmeurswereldje staande te houden, én hun sekse verbergen voor een objectieve beoordeling. Het woord “programmeuse” is misschien ook wel seksistisch en zouden we dus beter niet moeten gebruiken, maar dan moeten we ook af van “verpleegster”, “lerares” en “secretaresse”. Daarmee verbergen we de sekse van de uitvoerder van het beroep zodat beoordelingen objectiever worden. Het is triest dat zoiets blijkbaar nodig is om echte gelijkwaardige beoordeling van vrouwen en mannen te bewerkstelligen.

Misschien begeef ik me hier op nóg gladder ijs, maar zou het omgekeerde ook gebeuren bij mannen die een beroep hebben gekozen dat voornamelijk door vrouwen wordt beoefend? Wordt het werk dat wordt geleverd door een mannelijke secretaresse, of een mannelijke pedagogische kinderdagverblijfmedewerker (om maar gelijk een heel beladen beroepskeuze voor een man te nemen) , ook subjectief beoordeeld door vrouwen als deze weten dat het werk is gedaan door een man?

Moeten de mannen die in een vrouwenwereld werken zich ook voortdurend bewijzen om “hun vrouwtje te staan”? In dat licht ben ik nu ook wel erg nieuwsgierig naar hoe de programmeuse doorgaans de code van een collega accepteert. Ergens hoop (of verwacht?) ik dat ze hoofdschuddend feilloos het geslacht van de programmeur kunnen aflezen uit de code, maar desondanks in staat zijn om objectief te beoordelen.

 

Otto en de lompe stier

Op een smal landweggetje rijdt met een rustig gangetje, een roestig Golfje, bouwjaar 1978. Ooit was het waarschijnlijk wit, maar dat is bijna niet meer te zien. Hier en daar zitten gaten in de carrosserie, en de achterbumper hangt scheef. De auto ziet eruit alsof het rijp is voor de sloop. De motor pruttelt en blaast af en toe hoestend een wolk zwarte rook uit de uitlaat. De motor is eigenlijk op sterven na dood. Dat het ding nog rijdt is een waar mirakel.

Achter het stuur zit een 2 meter lange magiër genaamd Otto. En de haastige bestuurder van een veel nieuwere Golf achter  Otto maakt de grote vergissing om te proberen om Otto op te jagen. Dit doet hij door dicht achterop Otto’s bumper te rijden en heen en weer te slingeren. Otto trapt resoluut op de rem. De bestuurder van de andere auto moet uitwijken en belandt daardoor met zijn auto half in de sloot.

Vloekend en tierend klimt de man – type lompe stier – uit zijn auto en beent op Otto af, die nog bezig is om zijn gordel los te maken. Woest rukt de boze man de deur van Otto open, met als gevolg dat de hele deur afbreekt. De man kijkt er even verbaasd naar, maar smijt de deur dan maar op de grond. Intussen vouwt Otto zich bedaard achter zijn stuur vandaan en staat even later tegenover het boze mannetje dat ruim 2 koppen kleiner is dan Otto. Het stiertje kijkt woedend naar hem op.

Otto duwt het rund eenvoudig opzij en kijkt met één oog door zijn duim en wijsvinger die hij vlakbij bij zijn oog heeft naar de andere auto. En terwijl hij door zijn duim en wijsvinger blijft turen, pakt Otto de auto simpelweg met zijn duim en wijsvinger vast, tilt het met gemak uit de sloot en zet het behoedzaam achter zijn eigen auto weer op de weg. Hij gaat tussen de twee auto’s in staan en knipt tegelijk met de vingers van zijn beide handen. Zowel de motorkap van zijn eigen auto, als die van de andere auto springen braaf open.

“Hee, wat ga je doen!?”,  vraagt het stiertje waarvan de boosheid intussen is omgeslagen in verbazing. “Ssssst!”, sist Otto en sluit zijn ogen. Hij mompelt iets dat klinkt als “zabbazabbajaja,zabbazabbajaja zabbazabbazap” en klapt plotseling zijn grote handen hard op elkaar. De motoren van beide auto’s starten en klinken alsof er iemand steeds  de gaspedalen van de auto’s intrapt en weer loslaat.  De motor van Otto’s eigen auto pruttelt en rochelt terwijl er vette wolken zwarte rook uit de uitlaat komen. De andere, veel jongere motor klinkt veel gezonder.

Otto staat, nog steeds met de ogen gesloten, tussen de twee auto’s in, met zijn linker handpalm naar zijn eigen auto gericht, en zijn rechter handpalm naar de andere. En dan, in één snelle beweging, zwaait hij zijn linkerhand boven zijn hoofd naar rechts, en zijn linker hand voor zijn buik naar rechts. Vanonder beide motorkappen komt op het zelfde moment een felle flits. Beide motoren draaien nog steeds, maar nu komt het gepruttel en gerochel uit de moderne Golf, evenals de zwarte rook.

Otto wrijft in zijn grote handen en wil weer in zijn auto stappen, maar bedenkt zich. Hij loopt terug naar de andere auto en rukt het bestuurdersportier eraf. Deze neemt hij mee naar zijn eigen ouwe Golfje en bekijkt of het op zijn auto past. Het is ruim 10 centimeter te breed, en past eigenlijk niet.  Otto geeft de deur dan maar aan het lompe stiertje, die het verbouwereerd aanneemt. “Wa-wa-wa,  hoe-hoe-hoe?”, stamelt deze. Maar Otto geeft geen antwoord.

Rustig pakt Otto zijn eigen deur op en houdt het op een paar centimeter afstand van zijn auto, en laat het los. Alsof het door een sterke magneet werd aangetrokken, klikt de deur weer vast. Tevreden opent Otto vervolgens zijn deur en stapt behoedzaam achter zijn stuur. Hij draait zijn raampje open en zegt: “bedankt voor de motor, die van mij was al wat op leeftijd en lekte olie. Hij draait niet heel best meer, maar je komt er waarschijnlijk nog wel mee thuis hoor!” En dan scheurt Otto er met piepende banden vandoor. De arme stier kijkt hem, door het raampje van het portier dat hij in zijn handen heeft, met trillend onderlipje na.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 50 andere volgers