Perspectief

Een nieuwe draai aan je leven kunnen geven. Ruimte zien om het leven weer te verkennen. Ruimte voor nieuw geluk. Misschien zelfs ooit ook nieuwe liefde. Weer hoop kunnen voelen. Weer heel diep adem kunnen halen. Frisse lucht in mijn longen. Weer perspectief zien. Aan een nieuwe horizon gloort een leven vol mogelijkheden. Ik kan niet wachten.

Advertenties

Echtscheidingsmarkt

Het lijkt wel of er steeds meer reclame is voor echtscheidingsbemiddeling. In tijdschriften, op TV, in de krant, levensgroot op borden langs de snelweg. Nogal confronterend vond ik ze. Ik betrapte me er in de laatste jaren steeds vaker op dat ik me ongemakkelijk voelde bij die reclames. Ik ergerde me er steeds meer aan hoe schaamteloos al die mediators hun diensten aan de man (ongeëmancipeerde woordkeuze, weet ik) aan het brengen waren. Het scheelt er nog maar aan of je krijgt als vaste klant korting op volgende scheidingen. Ik dacht dat ik me stoorde aan de schaamteloosheid. Inwendig verweet ik ze dat ze uit waren op het breken van relaties. Van mijn relatie. Ze zouden met hun schaamteloze geleur met hun diensten de ontevreden wederhelften maar op idiote ideeën brengen. Maar ik weet nu beter. Ze vormden voor mij een voorbode van iets onvermijdelijk. Mijn huwelijk ging recht op de klippen af. Nogal onverbiddelijk ook. Was ik echt machteloos? In ieder geval raakte ik steeds meer in mezelf verstrikt. Nu ik weer uit de knoop ben zie ik mijn waarheid. Mijn ergernis, nee schaamte voor die reclames voor echtscheidingsbemiddeling kwamen voort uit mijn schaamte voor mijn eigen relatieproblemen. Die schaamte ben ik nu wel aardig overheen. Scheiden is blijkbaar doodnormaal. Alledaagse praktijk. Laat die scheidingsbemiddelaars er maar fijn garen bij spinnen. Hun aanbod bestaat bij de gratie van de vraag, en niet andersom.

De ware romanticus

Hij is eigenlijk bepaald geen ridder op een wit paard. Dat zou hij zelf in principe nooit over zichzelf beweren. Wie zou zoiets überhaupt over zichzelf zeggen? Dat vroeg hij zich vaak af. Welke man zou zichzelf nou openlijk een romanticus noemen? Hij in ieder geval niet. Ook al barstte hij van de romantiek. Wat eigenlijk misschien ook wel zo is. Het is er bij hem alleen nog nooit uitgekomen.

Een ware romanticus uit het vast allemaal bij de ware liefde. Voor de ware zou hij beslist mierzoete serenades schrijven en zelfs onder haar balkon zingen. Met bijbehorende rode roos tussen zijn tanden. Voor de ware zou hij allicht draken doden. Met zijn blote handen. Voor de ware zou hij de grond waarop ze liep willen kussen. In principe dan. Niet letterlijk natuurlijk. Een man is in principe alleen figuurlijk romantisch, zo veronderstelt hij. Hij is een wanhopige cynicus. Een ware romanticus als het ware.    

Mijn woorden

Alles wat ik hier verwoord, en ook de manier waarop, doe ik vanuit een gevoel. Ik verwoord wat ik voel bij iets dat me overkomt, raakt, verbaast of verwondert. Dat doe ik vooral voor mezelf. Ik pel mijn gevoel bij iets dan af tot op de naakte essentie. Dat probeer ik dan te vatten in passende, zuivere woorden. Precies de juiste woorden op de juiste plek. Woorden met de juiste klank, kleur, lading en vorm. En om mijn woorden tot hun recht te laten komen, moeten punten en komma’s op precies de juiste plek staan. Het steekt vreselijk nauw. Soms is het een ware lijdensweg. Het gaat me erom dat ik het allemaal in mijn woorden vat. Woorden die mijn gevoel precies goed verwoorden. Zodat ik dat gevoel kan begrijpen en accepteren. Dat is dan ook weer helder.

Stug doorhollen

Ongeveer anderhalf jaar geleden pakte ik het hardlopen op. Weer op, want jaren geleden deed ik ook al eens een verwoede poging tot hardlopen. Dat zal ergens in het jaar 2003 geweest zijn. Wij woonden toen nog in Baltimore. In een appartement bovenaan een heuvel. Ik rende dan eerst over de stoep langs de weg naar beneden. En daarna weer terug omhoog. Na een tijdje begonnen mijn knieën te klagen. Zware slijtage aan het kraakbeen. Van de huisarts mocht ik niet meer hardlopen en ik moest magnesium slikken. Daar zou het kraakbeen weer van kunnen aangroeien.

Met de knietjes kwam het best wel weer goed. Een jaar of wat terug verdraaide ik er eentje en beschadigde mijn meniscus. Er kwam een MRI-scan aan te pas om het minuscule scheurtje daadwerkelijk vast te stellen. Ik had er desalniettemin last van. Met fysiotherapie en krachttraining kwam ook dat weer goed. Geen klachten meer qua knieën. Toen had ik ook al het idee opgevat om weer te gaan hardlopen, maar de fysiotherapeut vond dat niet verstandig. Ik besloot het advies nog maar even niet in de wind te slaan. Braaf liet ik me daarom maar wekelijks afmatten in een HIT-klasje (high intensity training) bij de sportschool. Sindsdien maken de woorden burpie, steplunge en squat deel uit van mijn toch al aanzienlijk vocabulaire.

Maar anderhalf jaar terug ben ik dus tóch, tegen beter weten in, gaan hardlopen. Op advies van een GGZ-verpleegkundige die er in mijn depressieve periode op toe zag dat ik mijn pilletjes nam. Dat is goed voor je geluksgevoel, had ze gezegd. Runner’s High, noemen ze het. Dus ik kocht een paar goeie gympies en ik begon weer met hardlopen. Het werkte geweldig. Mijn volle verwarde hoofd was na een uurtje sjokken lekker opgeruimd en ik voelde me erg tevreden over mezelf. Hardlopen bleek uitermate gezond voor mijn geest te zijn.

Maar helaas is hardlopen slecht voor de gezondheid van mijn spieren en pezen. Om de haverklap scheurt of verrekt er wel iets in mijn benen. Dan weer een achillespees, dan weer een kuitspier, dan weer een hamstring, en zo voort. Iedere keer moet ik dan weer een pauze inlassen van een week of 6 en kan ik weer opnieuw beginnen met een basisloopschema. De afgelopen 8 weken ging het heel goed. De compressiekousen bleken wonderbaarlijk goed te werken. Ik begon al voorzichtig te fantaseren over 10 kilometer aan één stuk hardlopen. Ik was fanatiek bezig om mijn tempo onder de 6 en een halve minuut per kilometer te krijgen. Van sjokken naar rennen. Ik werd weer te fanatiek, en je voelt hem al aankomen: whiplash in rechterkuit. Auw. Zielig. Been omhoog. Icepack eronder. Kak! Maar over een week of wat ga ik toch weer beginnen. Stug doorhollen. Mijn levensmotto.

Hoe te vermannen

Omdat ik betekenis belangrijk vind stoei ik vaak met woorden. Dat is mijn dominante linker hersenhelft. Kan ik niks aan doen. Het begint met spelen, maar als ik niet oppas wordt het een gevecht. Bij vermannen denk ik dan dus aan een transformatie van een toestand waarin je gevoel van man zijn te wensen overlaat waardoor je de situatie niet helemaal de baas bent, naar een toestand waarin je gevoel van man zijn dusdanig is toegenomen dat je de situatie weer de baas bent.

Maar wat doe je eigenlijk als je je vermant? Wat gebeurt er precies? Stroomt er, omdat jij dat wil, ineens meer testosteron door je aderen? Is het moeilijker om je te vermannen als je te weinig testosteron in je bloed hebt? Misschien heeft testosteron er wel helemaal niks mee te maken. Mijn onderbuik zegt van niet. Die speelt volgens mij een grote rol bij het vermannen. Onzeker gevoel zit bij mij altijd in de onderbuik.

De laatste keer dat ik me moest vermannen van mezelf was enkele dagen geleden. Ik was mijn telefoon vergeten. Meteen een hol gevoel in de onderbuik. Alsof de wereld zou kunnen vergaan als ik niet bereikbaar ben. Maar ik wist me dus te vermannen. Hoe precies, weet ik niet meer. Het gebeurt half onderbewust. Je ergert je aan je zwakte op dat moment en vindt dat je niet zo zielig moet doen. Zo van: “Ach, kop op! Je kan best een dag zonder je smart phone. Een dagje zonder afleiding zou je goed doen!”

Vermannen is misschien wel vooral het binnen de juiste proporties houden van een (acuut) probleem. Niet moeilijk doen. Niet je hoofd laten hangen, maar accepteren dat iets is zoals het is en er het beste van maken. Het voor handen zijnde probleem onder ogen zien. Kracht. Optimisme. Maar ook kalmte en berusting. Dat is hoe vermannen voor mij voelt.

Om je te kunnen vermannen hoef je trouwens geen man te zijn. Vrouwen kunnen zich ook uitstekend vermannen. Mijn linker hersenhelft komt nu met de vraag of je je ook kunt vervrouwen… Food for thought…

Kak, telefoon vergeten

Daar kwam ik dus pas achter toen ik op het schoolplein stond. Het klamme zweet breekt me dan op zich ook weer niet uit, maar ik word er wel onrustig van, merkte ik. Op dat moment wilde ik de sprongen van mijn zoontje filmen. Vandaag zijn namelijk de Koningsspelen, dus gaan ze allemaal sporten. En de warming-up was op het schoolplein. Nu moet ik maar vertrouwen op mijn geheugen en hopen dat ik er een blijvende herinnering van maak. Ik dwing mezelf om mijn aandacht te verleggen naar alle pret op het schoolplein. Die telefoon is volkomen onbelangrijk.

Mijn telefoon ligt natuurlijk nog thuis op de keukentafel. Ik zie hem zo liggen. Even overweeg ik om terug naar huis te rijden (20 minuten) om hem op te halen, maar ik verman me. Ik dwing mezelf (wederom) om gewoon door te rijden naar mijn werk en te genieten van een ongestoorde werkdag. Dat moet gewoon kunnen. Ik ben mijn laptop niet vergeten, dus ik ben straks weer gewoon online. Niks aan de hand.

Maar toch heb ik een hol gevoel in mijn buik. Ik merk dat ik prikkelbaarder ben dan anders. Ongeduldiger ook, want ik wil nu wel zo snel mogelijk op mijn werk zijn zodat ik snel mijn kinderen kan laten weten dat ze me niet telefonisch en via whatsapp kunnen bereiken. Deze week zijn ze bij mij, dus is mijn bereikbaarheid extra belangrijk. Vandaar dus de onrust en het holle gevoel. Maar gelukkig merk ik het. Dus ik dwing mezelf (wat ben ik ook een dwingelandje) om te ontspannen. De zon schijnt. Het leven is goed. Rustig maar. Hakuna Matata.

En zie, ik ben al weer online en reageer mijn technologiefrustratie even lekker hier af. Zo, dat lucht op. Eigenlijk helemaal zo erg nog niet om gedeeltelijk offline te zijn. Het holle gevoel is al weg. Paniek om niks. Misschien moet ik mijn telefoon vaker vergeten. Het ding speelt een veel te belangrijke rol in mijn leven. Het is mijn hotline naar mijn belangrijke mensen, en andersom. Het verlies ervan voelt als een amputatie. In deze tijd volkomen begrijpelijk, maar ook heel zorgwekkend. Bij het langdurig wegvallen van alle mobiele connectiviteit breekt in ons land de pleuris uit. Moeten we met z’n allen mobiel afkicken? Misschien eerst maar eens beginnen met een jaarlijkse, nationale offline dag.