Pendelvader

Vader zijn is de helft van mijn identiteit. Minstens de helft. Zonder mijn kinderen voel ik me maar half mezelf. Hun ouders zijn al enkele jaren uit elkaar nu. De kinderen zijn regelmatig bij me. Er is nu genoeg ruimte in mijn huis voor ons alle vijf. En ze voelen zich ook thuis bij me. Dat merk ik aan hoe vrij ze zich voelen. En als ze er zijn voel ik me ook meer thuis in mijn huis. Ik voel me dan zelfs meer thuis in mijn eigen lichaam. Ik ben dan volop vader.

Hun moeder en ik zijn dus al een tijd niet meer samen. De afstand werd onoverbrugbaar. Ik was mezelf totaal kwijt geraakt. Wanhopig klampte ik me nog vast aan illusies, maar het luchtkasteel verging onherroepelijk in een alles verwoestende orkaan. En in in het oog van die orkaan vond ik mijn verloren gewaande zelf terug.

Nu, zo’n drie jaar verder, is mijn achterstallige zelfkennis enorm bijgespijkerd. In mijn hoofd is het helder. Mijn leven vult zich weer. De holte die ik nog voel is de ruimte die achter is gebleven na de scheiding. Gedurende je leven breng je steeds nieuwe lagen aan om je kern. Daar is een grote hap uit waardoor de binnenste kern weer bereikbaar werd. De hap is de holte. Maar gelukkig groeien er weer nieuwe, betere lagen overheen.

Als mijn kinderen bij me zijn voel ik me dus vollediger. Het liefste had ik ze altijd bij me in huis, maar ik weet dat dat niet kan. Ik weet ook niet of ik het wel wil. Ik geniet ook van de rust als ze er niet zijn. Ik zie uit naar hun komst, maar ook naar hun vertrek. Dus ik ben een pendelvader: zoals de kinderen pendelen tussen mij en hun moeder, zo pendel ik tussen emoties. En ook dat went.

Einde discussie

Zo kap ik regelmatig een gesprek af met een van mijn kinderen. Op zo’n moment erger ik me grondig aan mijn eigen onvermogen om volwassen te doen, maar kan het niet uitzetten. In zo’n “gesprek” luistert niemand, inclusief ikzelf. Dus is het ook geen gesprek. Het begint meestal met een ergernis over iets dat de ander alweer doet. Niet zelden start ik de aanklacht. Dan vraag ik of diegene er als-je-blieft mee wil ophouden. Natuurlijk heb ik altijd “sterke” argumenten. Meestal iets in de trant van: “anders gaat het kapot”. Dat gaat er natuurlijk nooit in, want het is nog steeds niet kapot ondanks al het zogenaamde schadelijke gedrag. Het leidt tot een klassieke welles-nietes-conversatie. Mijn wellesen omlijst ik met steeds meer bewijslast, maar de nietesen blijven me onverminderd om de oren vliegen. En dan ben ik het zat en blaf autoritair: “EINDE DISCUSSIE!”. Daarmee is het bepaald niet basta, want ik krijg een welverdiend: “BOEIEN!”. Het ging inderdaad weer nergens over.

Bikkelen en smikkelen

Vandaag heb ik met eigen handen een bescheiden stukje van mijn tuin bestraat. Met grijze klinkertjes. Ik had dat nog nooit gedaan dus ik dacht dat ik het dus waarschijnlijk wel kon. Na het bekijken van wat instructiefilmpjes op youtube, maakt ik een boodschappenlijstje voor de lokale doe-het-zelf-zaak: lange waterpas, rubberen hamer, kniebeschermers, lat, touw.

Mijn straat is gloedjenieuw. De tuinen van mijn buren zijn nog net zo kaal als die van mij. Mijn buurvrouw besloot zowat haar hele tuin te bestraten, en had nog een lading klinkers over. Meer dan genoeg voor mijn kleine terrasje. Dus die kruide ik in twaalf keer lopen of zo naar mijn achtertuin. Het was beter geweest als ik dat in twintig keer had gedaan. Zou een hoop spierpijn hebben gescheeld.

Het begin was het lastigst. Ik stampte het zand aan. Meette en zweette. Rekende en tekende. De contouren in het zand. Daarlangs legde ik wat betonbanden. Terwijl ik bezig was kwam de buurman van de andere kant eens bij me buurten. Die was zelf ook lekker aan het klussen. Hij is zo’n handige beroepsklusjesman die alles kan. En bovendien heel behulpzaam. Hij vleide met de waterpas even vlot mijn zandbedje zodat ik de klinkertjes er alleen nog maar in hoefde te leggen.

Daarna ging het van een leien dakje. In no time lag mijn terrasje erin. Op het eind moest ik nog wel even kwaad worden op een klinker die niet mee wou doen. Ik kwam niet helemaal goed uit en kwam 2 millimeter te kort. Rammen met de rubberen hamer om twee meter beton 2 mm naar rechts te krijgen bood geen soelaas. Shit. Die laatste rij moest er dus weer helemaal uit en er nu van links naar rechts in. Het betonbandje rechts kon ik nog 2 mm dichter op de schuttingpaal krijgen. Toen paste het.

Ik hurkte neer om mijn nijvere werk trots te overzien. Retestrak (zie plaatje). Voldoening. Nog even zand erover bezemen, en Mark is uitgebikkeld. Mijn hersenen ontvangen nu diverse klachten vanuit het gehele lichaam. rugspieren, buikspieren, bovenarmen, handen. Die had ik maar even genegeerd. Mijn conclusie is dat stratenmakers bikkels moeten zijn. Topatleten zelfs.

Hete douche. Koffie. Neerploffen op de bank. Studio Sport kijken. Spannende 3000 meter schaatsen van de dames. Ronde van Spanje. En natuurlijk eet ik zuurkoolstamppot. Het stampen ging nog net. Het koude glas bokbier dat ik daar bij schonk, smaakte lekkerder dan ooit. Bikkelen doet smikkelen.

Snelpraat

Vergeleken met mijn dochter praat ik dus in slow motion. Het aantal woorden per seconde ligt bij mijn dochter een factor 4 tot 6 hoger dan bij mij. Het is me opgevallen dat meiden in dezelfde leeftijd sowieso een ontzettend hoog spreektempo hebben. Mijn “steekproef” bestaat uit mijn dochter, een nichtje van dezelfde leeftijd en wat ik verder langs hoor komen babbelen op straat, in de winkel en op televisie. Ik ken op zich ook mannen met een hoog spreektempo, maar aan de meiden kunnen die niet tippen.

Ik merk dat het me moeite kost om de snelpraat van mijn allerliefste dochter te volgen. Ik knik zo goed mogelijk op haar ritme mee, maar we raken binnen luttele seconden uit fase. De woorden komen zo snel uit haar mond dat ze in mijn beleving beginnen te overlappen. Ik ben nog bezig met de verwerking van een woord terwijl zij al halverwege het volgende woord is.

Zo vroeg ze laatst: pabbamahikuhghoeghje? Voor ik er erg in had dat ze iets tegen me zei, was het al over haar lippen gegaan. In een fractie van een seconde. Ik zweer het je. Ik meende een opgaande toon te horen aan het einde, dus ik nam aan dat het een vraag was. Haar verwachtingsvolle blik was ook een duidelijke aanwijzing. Aan mijn wazige blik was blijkbaar duidelijk af te lezen dat ik het totaal niet had verstaan, dus ze zei in slow motion: “Papaaaah? Màààg ìììkkk uhnnn koeoeoekkkjuh?”

Ik plaag haar er natuurlijk regelmatig mee. Dan zeg ik dat ze zo snel praat dat haar eigen mond het niet eens kan bijhouden. “Je mondje is nog bezig met het afmaken van het ene woord, maar moet al beginnen aan het volgende woord. Je hebt vast spierpijn in je kaken vanavond!”. Ik word dan altijd beloond met de mooiste frons die ik ken.

Waarom praten meisjes uit mijn referentiegroep (pubermeiden van 13 jaar en ouder) eigenlijk zo snel? Of luister ik gewoon te langzaam? Als je dat aan die meisjes vraagt zal dat natuurlijk in zeer hoog tempo resoluut worden bevestigd. Maar misschien willen ze gewoon de kans maximaliseren dat alle woorden gezegd kunnen worden. Misschien is dat hun manier om om te gaan met het feit dat vaders en andere slome figuren ze steeds onderbreken. Het leven is natuurlijk ook veel te kort om alles te zeggen, dus zeggen ze alles maar heel erg snel. Voordat het niet meer kan. Duh!

Wrevelwoorden

Wroeten is een woord dat qua klank geweldig goed past bij de betekenis ervan. Bij wroeten stel ik me een woest gegraaf met je beide handen voor. Of lekker met je spitse neus, luid snuivend, als je geen handen hebt. Wie wroet is naarstig op zoek naar iets. Wroeten heeft iets groezeligs. Woorden die met “wr” beginnen gaan wel vaker over ongenoeglijke zaken, bedacht ik me. Wrak, wrat, wroeging, wrikken, wrok, wreken. Allemaal wrevelwoorden. Wroeten is eigenlijk vooral een wrevelwoord als iemand anders met z’n neus in jouw zaken zit te wroeten.

Toen ik laatst de kinderen weer terug naar hun moeder transporteerde (enigszins wrevelig, zoals wel vaker bij die autoritjes), gooide ik dit idee eens in de groep. Ik vond uiteraard weerklank. Dus ik voelde me aangemoedigd om een stapje verder te gaan. Bij woorden die met “vr” beginnen is het eigenlijk ook zo, oreerde ik. Zoals vrek, vrees, vreten, vriezen en, en, en…eh, wat eigenlijk nog meer? Waarop mijn zoon me droogjes aanvult: vrouwen? Toegegeven, daar moest ik smakelijk om lachen, maar het kwam hem natuurlijk wel op een kleine, corrigerende berisping te staan.

Samenleving

Platgeslagen wordt alles eenvoudiger. Als ik iets wil begrijpen, dan sla ik het goed plat. Platgeslagen is een samenleving precies wat het woord zegt. Leven dat je samen doet. Leven is iets waar we allemaal recht op hebben. In onze samenleving is dat recht voor iedereen even groot. Ik vind dat heel wezenlijk. Daarom begrijp ik niet waarom anderen op dit moment tóch hun eigen recht op leven boven dat van anderen denken te mogen stellen.

Op nogal argeloze wijze wordt maar even besloten dat ze “niet meer meedoen” met die “belachelijke maatregelen” van die malle overheid van ons. Nogal argeloos wordt door die mensen voorbij gegaan aan het recht op leven van andere mensen. Het is ze letterlijk een rotzorg of die mensen in de intensive care belanden. En het is ze een rotzorg dat daarmee ons zorgstelsel, dat er voor ons allemaal is, enorm onder druk komt te staan. Dat is hoe ik dit zie. Ik vind het echt onbegrijpelijk, hoe plat ik dit ook sla. En wordt er nou echt zoveel van ons gevraagd?

Ja, ik vind de sociale isolatie ook niet fijn. Ook ik mis het oude normaal. Ook ik verlang naar innige omhelzingen met mijn lieve medemensen. Maar in vergelijking met de lijdensweg van hen die vreselijk ziek worden na besmetting met het Coronavirus, en letterlijk voor hun leven moeten vechten, vind ik het een zeer draaglijke last. Als ik op die manier meevecht voor het leven van anderen, is het me dat meer dan waard. Niet meedoen is eigenlijk niet eens een optie. Dan zou je moeten emigreren denk ik. Naar een samenleving waarin samen leven niet zo hoog in het vaandel staat. Ik zeg het nog maar een keer: samenleving. Met de nadruk op samenleving.

Bezield worden

Bezield worden is natuurlijk het opnieuw aanleggen van een ziel. De oude kasseien worden met een shovel opgeschept en gestort in de laadbak van een kiepwagen. Als die vol is, rijdt deze naar een een zwakke dijk en stort daar jouw kasseien. Een goeie bestemming. Even lig je open en blootgesteld aan de elementen, maar je voelt je veilig. En je hebt geluk, want het begint te regenen. De druppels vinden direct hun weg naar je diepste wezen. Intussen werkt de ander aan je herbezieling. Eerst wordt een koele, zachte laag zand als een deken over je heen gelegd. De zandlaag wordt zachtjes aangetrild. Je beeft daar niet van op je grondvesten, maar vibreert precies op de goeie frequentie. Jouw resonantiefreqentie. Frisse ideeën trillen door je heen. Levenslessen vibreren zich op hun plek. Als dat klaar is voel je hoe nieuwbakken klinkers precies op de goeie plek worden getikt. Met iedere steen ben je heler. Met iedere steen ben je completer. Weldra ben je gewoon weer de oude, maar dan een nóg betere versie.

Het is me weer eens overkomen. Ik wist niet eens dat ik er weer aan toe was. Er was niks mis met mijn ziel namelijk, dacht ik. Maar toch raakte ik bezield. Dat ging heel spontaan. Je ziel weet zelf wanneer bezieling nodig is. En weet je wat nou zo mooi is? Degene die je bezielt, wordt automatisch ook terug bezield. Dat gaat als het goed is helemaal vanzelf. Iemand die jou bezielt trilt in zekere mate met jou mee. Je ziel heeft een zekere bandbreedte van frequenties waarin het prettig trilt. Mensen met veel overlap in die bandbreedte kunnen elkaar heel makkelijk bezielen. Dat zijn zielsverwanten. Soul mates. Als een zielsverwant je bezielt, dan voelt het extra goed. Bijna té goed.

Luchtkastelenliefde

Het idee van liefde is natuurlijk niet hetzelfde als de liefde zelf. Toch lijkt het erop dat mensen genoegen kunnen nemen met slechts het concept van liefde. Echte liefde kan uitdoven. Een relatie kan volledig verdorren. Dat overkwam ook mij. Ik ging ermee om als een verkoudheidje dat wel weer over zou gaan. Gewoon vrolijk doorgaan met de dagelijkse sleur. Het idee van liefde was voor mij blijkbaar genoeg. Schone schijn.

Hierin ben ik beslist niet bijzonder. Het lijkt mij iets dat nogal menselijk is. Je relatie is immers een deel van je. Het wordt een onderdeel van je identiteit. We vereenzelvigen ons met het idee van liefde, ook al is het uitgehold. Ikzelf heb sterk de neiging om problemen, vooral relatieproblemen, klein te houden en te isoleren van alle andere problemen. Ik stapel problemen (liever) niet. Daardoor zag ik (bewust) niet hoe uitgemergeld het idee van mijn relatie gaandeweg werd. Misschien is dit wel typisch mannelijk gedrag. Het is in ieder geval erg handig als je een idee van liefde in stand wil houden. Het is echter een heilloze zaak, want op gegeven moment spat je luchtkasteel als een zeepbel uiteen.

Deze levensles heeft zich met voelbaar gewicht om mijn hals gehangen. Het heeft ervoor gezorgd dat ik liefde kritischer beschouw. Liefde is een gevoel en geen afweging. Als het niet echt vóelt, dan ís het ook niet echt. Geen luchtkastelenliefde meer voor mij.

De Opticynist

Het leven is mooi. Laat ik dat alvast voorop stellen. Altijd de optimist natuurlijk. Waarschijnlijk is het kenmerkend voor de fase waarin ik mij momenteel bevind, dat sterker waarderen van het leven. Het is een soort bezwering eigenlijk. In deze tweede helft van mijn bestaan zal ik verdomme meer van het leven genieten, zowaar ik Mark heet. Niets zal mij daarvan natuurlijk ook kunnen weerhouden. Het leven zal mooi gevonden worden als is het het laatste wat ik doe! Mij krijg je er sowieso niet onder. Mijn natuur is te weerbarstig. Dus geef ik aan alles met mijn grootste overtuiging de positiefste draaien. Zo van: die permanente, wazige vlekken in mijn blikveld maken de zonsondergang voor mij natuurlijk een uniek, psychedelisch spectakel! Opticynisme. Een zegen.