“Zo, het gaat hem al behoorlijk goed af!”, zegt de ene. “Jaaah…het gaat inderdaad vrij aardig ja”, zegt de ander. De eerste zou een trotse opa kunnen zijn, en de ander een schaatstrainer. Opa’s zien talent in ieder kleinkind. Dat is ook een heel belangrijke rol van een opa. En een trainer zou erop gericht moeten zijn het beste te willen halen uit zijn pupillen. Dus hij (of zij natuurlijk) is opbouwend kritisch: “het kan nog veel beter”.

In valse bescheidenheid gebruiken we “vrij aardig” ook vaak. Je hebt een perfect staaltje werk geleverd en je weet het. Je collega’s kijken met ontzag naar je. Jij loopt echter heel nonchalant naar de koffiekan, schenkt een bakkie in en zegt dan: “ik denk dat we zo een vrij aardige opzet hebben”.

Wat gek eigenlijk dat we “vrij” gebruiken om iets af te zwakken. Van Dale geeft voor “vrij” onder meer de betekenissen “tamelijk” en “nogal”. Maar “tamelijk aardig” en “nogal aardig” hebben duidelijk een andere betekenis dan “vrij aardig”. Het woord “aardig” is op zichzelf al een ingetogen beoordeling, een zeventje. Met “vrij” ervoor wordt het een zeven min. Gelukkig werkt het omgekeerd ook: “Het is hier vrij slecht weer, maar…”. Die “maar” werd uitgenodigd door “vrij”. Het weer is nog niet helemaal hopeloos. Zonder “vrij” komt er een “dus” in plaats van de “maar”. “…dus ik blijf lekker binnen”.

Overigens, “aardig” doet niet onder voor “vrij”. Je kunt ergens een aardige teringzooi van maken bijvoorbeeld. En schoonvaders willen hun schoonzonen nog wel eens op subtiele wijze duidelijk maken dat ze nog lang niet helemaal geaccepteerd zijn door te zeggen: “nou nou, je begint al aardig vrij te worden hier”. Dan weet de schoonzoon in kwestie dat hij over een zekere grens is gegaan. Tussen mij en mijn schoonpa zit het wel goed, geloof ik. We doen altijd vrij aardig naar elkaar.

Powered by ScribeFire.

Advertenties