Maand: januari 2011

Kinderen vouwen

Mijn jongens zijn ineens fanatieke vliegtuigvouwers. Voor elk vouwde ik een heel stoer stuntvliegtuigje dat ik al sinds mijn jeugd vouw. Een grote neef die zelden op bezoek kwam vouwde er ooit eens eentje voor me. Hij liet waar al mijn vriendjes bij waren zien hoe ik hem moest gooien. Door zijn speciale vorm maakt het prachtige loopings. Ik was de koning te rijk. Het was het stoerste vliegtuigje van de straat, en hij was van mij.

Toen ik vroeg of ik ook kon leren om zo’n vliegtuig te vouwen, antwoordde mijn neef dat ik het mezelf kon leren door goed te kijken hoe het vliegtuigje in elkaar zit. Ik smeekte of hij alsjeblieft een reserve-vliegtuigje voor me wilde vouwen. Maar dat deed hij niet. Ik kon het best, zei hij. Ik stond voor een groot dilemma. Stel nou dat ik het níet kon. Ik moest het stoerste vliegtuigje van de buurt opofferen om er achter te komen of ik er zelf eentje kon maken.

Aanvankelijk stelde ik het een tijdje uit. Het vliegtuigje zette ik op een speciaal daarvoor vrij gemaakt plekje in mijn speelgoedkast. Het was zowat mijn kostbaarste bezit. Ik speelde er alleen heel voorzichtig mee, want ik was veel te bang dat hij zou scheuren. Maar zo had ik er eigenlijk helemaal geen lol van. Dus op een dag besloot ik om te proberen er zelf ook eentje te vouwen.

Met chirurgische precisie ontleedde ik het tuigje dat mijn neef voor me had gevouwen. Het bleek te bestaan uit twee in elkaar geschoven delen: de vleugel en de staart. Ik vouwde ze helemaal open tot ik een vierkant stuk en een smal rechthoekig stuk had. De lange kant van het rechthoekige stuk paste precies tegen het vierkante stuk. Het was gemaakt van een enkel vel briefpapier. Ik had het bouwschema ontrafeld, en het zag er eigenlijk helemaal niet zo ingewikkeld uit.

Mijn eerste zelfgevouwen exemplaar deed het wel, maar maakte grillige vluchten. Het vliegtuigje dat mijn neef had gevouwen vloog loepzuivere lussen. Mijn eigen tuigje zag er ook veel minder strak uit. Ik moest vast veel netter vouwen. Over mijn tweede vliegtuigje deed ik haast wel een half uur. Met het puntje van mijn tong uit mijn mondhoek – nog steeds een teken van opperste concentratie in mijn geval – legde ik elke papierpunt precies goed en maakte ik de vouwen superstrak. Het resultaat was verbluffend. Ik zag meteen dat deze perfect zou vliegen. En hoe!

Mijn eigen jongens waren ook de koning te rijk met het vliegtuigje dat ik voor ze had gevouwen. Ik vouwde het waar ze bij zaten en zei dat ze goed moesten kijken hoe ik het deed. Nu ben ik natuurlijk hun vader en niet, zoals mijn neef, zelden hier om nieuwe vliegtuigjes te vouwen, dus mijn jongens pakten het veel minder dramatisch aan als ik. Ladingen A4-tjes werden er verbruikt in de hoop dat het volgende baksel wel perfect zou vliegen. Intussen ligt hier nu een hele vloot papieren stuntvliegertjes die het allemaal nog lang niet zo goed doen als die van mij. Ieder vliegtuigje wordt vol trots ter keuring aan mij getoond. Ik wijs ze dan op de slordigheidjes zeg steeds dat ‘ie echt wel goed zal vliegen als ze heel precies vouwen. Natuurlijk vind ik ze stuk voor stuk de schitterendste vliegtuigjes die ik maar kan bedenken.

Opvoeding lijkt soms eigenlijk net vliegtuigjes vouwen. Slordig gevouwen kinderen vliegen elkaar en hun ouders vaker in de haren. Een slordige vouw ontstaat als je tegen de vezels van je kind in wrijft, of als je spontane vouwen niet goed begeleidt. En soms moet een koppige ouwe vader zich ook wel eens door zijn kinderen laten bijvouwen naar een betere vorm. Heel moeilijk hoor dat laatste, heel erg moeilijk.

Bewogen door het Drentse landschap

Dwingelderveld, in mooie weekenden loopt heel Nederland daar en soms ook half Duitsland. Vandaag heb ik de natuur helemaal voor mezelf.

Ik loop zo snel mogelijk bij de weg vandaan die dit mooie gebied doorklieft. Het geraas van het verkeer stoort. Jammer genoeg draagt dat geluid nu heel ver omdat de bomen zo kaal zijn.

Het is bijna windstil en kil. De vennen zijn omringd door dorre bomen. Niets beweegt. Zo doods en zo vredig. Ik laat me erdoor bewegen. Wervelende gedachten dwarrelen rustig neer terwijl ik mijn pad volg.

Een jonge berk buigt zich over mijn pad en lijkt me aan te moedigen om dit pad te blijven volgen. Ik volg het advies. Even later breekt zelfs de zon even door. De bleke stralen worden weerkaatst door de talloze waterpoelen om me heen. Een schitterend moment dat zich niet liet pakken door de lens van mijn telefoon. Waarom zou het ook?

Zonder aarzeling

Als een trein aankomt bij een station, remt hij geleidelijk, zodat de mensen niet door de coupés vliegen. Maar soms, bij de laatste centimeters, staat de trein toch heel abrupt stil. Een tijdje geleden bokte ook mijn trein zo onverwacht. Ik hield me goed vast, maar die ene mevrouw halverwege het gangpad niet. Ze ging finaal op haar gezicht en haar bril schoof onder de stoelen. Tot mijn grote verbazing schoot niemand die direct in haar buurt stond, te hulp. Tot ergernis van de andere passagiers liep ik dus tegen de stroom in terug om te zien of ze hulp nodig had. Er was gelukkig niks aan de hand, maar ik ergerde me aan de mentaliteit van de anderen. En ik miste mijn aansluiting.

Afgelopen donderdag bokte mijn trein weliswaar niet maar gaf,  na een keurige zachte landing naast het perron, ter plekke de geest. Pech die min of meer de orde van de dag is voor de NS. Ik mocht met mijn medereizigers in de waterige kou staan kleumen en wachten op de vervangende trein naar Haarlem. Toen ik eindelijk aankwam in Haarlem spoedde ik me naar de OV-fietsen en hobbelde even later over de klinkertjes van mijn vaste weggetje. Dit weggetje komt op gegeven moment uit op een brede strook versleten asfalt (Friese Varkenmarkt) langs de Spaarne.

Van rechts kwam in de verte een bestelbusje. Daar kon ik nog makkelijk voor langs. Dat asfalt bleek dus een spiegelgladde ijsbaan te zijn. Mijn blauw-gele tweewieler gleed zonder waarschuwing pardoes onder mijn lichaam vandaan en ik smakte op mijn buik boven op de fiets. Terwijl ik mijn klap probeerde op te vangen schoot er een scheut van verlammende pijn door mijn onderrug. Daar ging ik dus finaal doorheen op dat moment. Ik schreeuwde het uit en vloekte hartgrondig. Ik gleed enkele meters over het gladde asfalt.

Het bestelbusje remde af, maar stopte niet en reed gewoon om me heen. Een fietser aarzelde eventjes en had eventjes oogcontact met me, maar toen deze zag dat ik overeind krabbelde fietste hij door. Ik kon niet eens rechtop staan. Ook vanuit de woonboten die daar liggen kwam geen hulp. Verbijsterend vind ik dat. Vraag me niet hoe het me gelukt is, maar ik ben met de fiets in de hand naar kantoor gestrompeld. Bij de receptie kon ik nauwelijks praten en ging ik zowat van mijn stokje van de pijn.

Twee jaar later…

Voor mijn ogen glijdt een fietser uit, precies op dezelfde plek als ik 2 jaar geleden. Weer verraderlijk glad. Ik kom hem achterop en rem af. De gevallen fietser ligt met vertrokken gezicht op de grond. Als ik dichterbij kom herken ik de stumper. Ik aarzel dus niet.

Powered by ScribeFire.

Waas

foto door Daphne Nankman

De man loopt door de stad, diep in gedachten verzonken. Automatisch bepalen zijn benen zijn route. Half bewust en ontkoppeld van de wereld. Nauwelijks registreert hij wat er om hem heen gebeurt.

Plotseling is hij ergens waar hij helemaal niet zijn moest en waar hij zelfs al jaren niet meer was geweest. Verschrikt kijkt de man om zich heen. Waarom staat hij in godsnaam in deze portiek? En dan ineens komt zij van de trap af. Ze schrikt als ze de man herkent. “Zo, heb je eindelijk je sigaretten?”, vraagt ze bits.

Bovenstaande gaat over een fictieve man in een willekeurige stad

Struisvogel versus nijlpaard.

Gek genoeg stond er op een ochtend ineens een nijlpaard in de achtertuin. Het beest maakte een verwarde indruk maar zag er verder gezond uit. Ik kreeg het gevoel dat ik iets moest doen. Er werd iets van mij verwacht. Maar wat? Ik besloot om een kop koffie in te schenken in de keuken. Na een kop koffie ziet de wereld er vaak eenvoudiger uit.

Nippend aan een dampende espresso liep ik terug naar de woonkamer. Ik keek strak naar de grond, want pas als ik de koffie op zou hebben zou mijn tuin er weer zo eenvoudig uitzien als het er altijd uitzag. Met mijn ogen dicht genoot ik overdreven van de veel te bittere, hete koffie. Even later was mijn kopje leeg en had ik er spijt van dat het geen dubbele espresso was. Ik haalde me mijn tuin voor de geest, nog steeds met de ogen gesloten. Met extra energie verdrong ik het beeld van een nijlpaard: ik maakte als het ware een antinijlpaard. Langzaam opende ik mijn ogen.

Het nijlpaard bleef onvermurwbaar realistisch. Draaiende met zijn (of haar?) staart sproeide het dier een zeer realistische fontein van nijlpaardenpoep over mijn gazon. Weer hing die verwachting in de lucht. Ik stond op het punt om dan maar de dierenbescherming te bellen, maar ik bedacht me. “Wát staat er in uw achtertuin???” Bovendien leek het nijlpaard niet in nood te zijn. Het had hooguit honger, maar dat probleem werd al door het gazon dat nodig moest worden gemaaid, opgelost.

Geen dierentuin in de buurt, maar nijlpaarden blijken ’s nachts, terwijl ze op zoek zijn naar graasland, met gemak 10 kilometer te kunnen wandelen. Wie weet had mijn nijlpaard tijdens zijn dwaaltocht al diverse gazonnetjes kaal gegeten. En daarin zat dan ook de oplossing van mijn situatie. Het nijlpaard zou vanzelf wel weer verder gaan als het in mijn tuin geen voedsel meer kon vinden. Gelukkig, ook deze uitdaging kon worden aangevlogen met de struisvogelmethode. Ik hoefde alleen maar te doen alsof er niets aan de hand was en wachten tot het vanzelf een probleem werd van iemand anders.