Maand: februari 2011

Het Spook van Michael Jackson

De gestorven King of Pop vindt zichzelf een heel bijzondere geest en is erg gefrustreerd dat tot nog toe niemand hem kon zien of horen. Hij had eigenlijk verwacht dat al zijn fans in principe een medium voor zijn geest zouden zijn. Niet dus. Niet één van zijn fans. Gedesillusioneerd waart het spook van Michael Jackson rusteloos rond op zijn Ranch Neverland. Althans, dat probeert hij. Maar hij merkt dat het hem veel moeite koste om op zijn geliefde landgoed te blijven. Hij drijft voortdurend af. Steeds in dezelfde richting: Oostwaarts.

Uiteindelijk geeft Michael het op en laat zich op een dag gelaten afdrijven. Dagen en nachten drijft hij langzaam maar gestaag naar het Oosten. Op moonwalk-snelheid, vindt Michael zelf. Hij drijft over woestijnen, bergen en meren. Een eindeloze tijd drijft hij over de oceaan. Hij drijft ironisch genoeg ook dwars door de Big Ben, maar deze blijkt niet zijn ultieme bestemming. Steeds verder Oostwaarts drijft Michael, tot hij eindelijk tot stilstand komt in een doodgewoon rijtjeshuis in Groenlo.

“Dat is toch ook raar”, denkt Ben als hij de schimmige gedaante in zijn huiskamer ziet staan, “dat lijkt wel…nee, dat kan niet, die is toch dood?…”. Ben gaat rechterop zitten en tuurt naar de verschijning. Het spook lijkt terug te turen en gilt dan ineens: “Hiiiihiiii!”, doet wat rare danspasjes, grijpt zich in zijn kruis en roept “Auw!”. Ben kijkt naar zijn bierflesje en controleert het alcoholpercentage. Hoe kan hij nu al zó dronken zijn?

Ben accepteert voor het gemak maar even dat hij blijkbaar een spook ziet. Wat hij moeilijker te verkroppen vindt, is het feit dat Michael Jackson uitgerekend bij hem komt spoken. “You are dead hè?”, vraagt Ben voorzichtig. Het spook van Michael Jackson kijkt hem meewarig aan en moonwalkt demonstratief even door een muur en weer terug . Ben wil eigenlijk helemaal niets met dit spook te maken hebben, dus hij roept: “Leave me Alone! Beat it!”. Maar dit heeft een averechts effect. “You know my songs!”, roept Michael ecstatisch en begint weer te dansen.

Michael kijkt eens wat beter om zich heen en er vallen hem enkele attributen op. Aan de muur hangt een bloedrode sjaal met “FC Twente” erop. Daaronder hangt een poster van, zo te zien, een voetbalteam waarvan de leden shirts van diezelfde bloedrode kleur dragen. In de hoek van de kamer staat een gitzwarte, elektrische gitaar met, in goudkleurige verf, een doodskop erop. “You play guitar!”, roept Michael verheugd, “Play something for me please”. Ben’s mond valt open van verbazing. De King of Pop is hier komen spoken om hém te horen spelen?

Michael klapt bemoedigend in zijn schimmige handen als Ben de versterker aan zet en de gitaar oppakt. Ben draait aan wat knoppen en zet de vingers van zijn linker hand op de snaren. Dan zet hij zijn benen een heel end uit elkaar en begint te spelen. Rauwe klanken vullen de kleine, muffe huiskamer. Michael vertrekt zijn gezicht. Hij vindt het afschuwelijk. Maar Ben gaat helemaal op in zijn spel en zwiept zijn lange haren wild heen en weer. Plotseling begint Ben als een bezetene te krijsen,  te grommen en te grauwen.

“HIIIIIIIIIIIIIIIIIIII!! HOEOEOEOEOEHOEHOE!”, gilt het spook van Michael Jackson. Hij is van schrik, voor zover mogelijk, nóg witter geworden. Ben heeft het niet in de gaten en gaat “vrolijk” door met zijn door merg en been gaande grafherrie. En dan ziet Michael wat er op Ben’s vale, zwarte shirt staat afgebeeld: een helse rat met lange haren, op een duivelse motorfiets dat brandende sporen achterlaat op het asfalt. Eronder staat in Bloedrode, druipende letters “Ben Rattink”. Ben houdt ineens op met spelen, alsof hij door heeft dat zijn muziek niet bepaald in de smaak is gevallen bij zijn onwaarschijnlijke toehoorder.

Michael kijkt hem diep bedroeft aan en begint nu, heel zacht, zelf te zingen:

Ben, the two of us need look no more.
We both found what we were looking for….

Michael begint er steeds jonger uit te zien. Hij ziet er weer net zo uit als toen hij 14 jaar oud was als hij de laatste zinnen van het lied zingt:

Ben, most people would turn you away
I don’t listen to a word they say
They don’t see you as I do
I wish they would try to
I’m sure they’d think again
If they had a friend like Ben

Like Ben…
Als het Spook van Michael Jackson deze laatste twee woorden zingt, glimlacht hij en verdwijnt.

Advertenties

Vloeknood

Je ziet ze regelmatig, die grote posters van de Bond Tegen Vloeken met teksten zoals “Een Vloek Stoort” of “Vloeken? Natuurlijk Niet!”. Ik stoor mij op mijn beurt dan weer aan die posters. Begrijp me niet verkeerd, ik loop heus niet de hele dag te vloeken, maar ik ben ook maar een mens. Als ik heel hard mijn teen stoot, helemaal als die teen al zeer deed omdat er eerst een hamer op is gevallen, dan móet er heel nodig een vloek uit. “Potjandorie”, doet het dan niet echt voor me. Dat is gewoon niet rauw genoeg. Hartgrondig en luid een opperwezen dringend verzoeken mij in zijn naam te verdoemen, lucht nou eenmaal ontzettend op.

Vloeken is eigenlijk vergelijkbaar met niezen. Als je lijf niest, wordt met ongelooflijke kracht je neus verlost van prikkelende stoffen. Dat is bijna niet in te houden. Veel mensen doen dat uit sociale overweging vaak wel, waardoor je neus blijft kriebelen en de niesnood nog niet over is. Als je vloekt worden met ongelooflijke kracht je hersenen verlost van pijnprikkels. Hou je een vloek in, dan blijven de prikkels in je hoofd en is de vloeknood nog niet over.

Gek genoeg hou ik me bij mijn kinderen dan wel weer in als ik moet vloeken. Ik loop dan bijvoorbeeld op mijn sokken door het huis en stap dan in een punaise. Er ontstaat dan acuut een heel hoge vloeknood. De tranen schieten in mijn ogen en mijn longen zuigen zich vol om de dreigende vloek goed kracht te kunnen geven: “GGGGOH…..”. Mijn kindertjes kijken verschrikt maar tegelijkertijd gefascineerd naar me. In hun oogjes meen ik te lezen dat ze nu extra goed gaan opletten zodat ze mijn vloek goed kunnen nadoen, dus ik buig de vloek om naar: “…WWWWAT….EENNN….STOMMMMMM….GGGGEDOEOEOEOEO!”. En láchen dat de potjes met de grote oren dan doen! Ik hink naar de bank, trek de punaise uit mijn hak en vloek binnensmonds nog een beetje na: “gmmfdmmm!”.

Powered by ScribeFire.

De Agritect

Harm parkeerde de trekker achter de schuur. Er was vannacht een boom omgewaaid en deels op het dak van de melkerij gevallen. Hij had de boom even weggesleept. Alleen het dak was beschadigd, de melkmachine gelukkig niet. De machine draaide de laatste jaren dan wel op een heel laag pitje, maar missen kon hij het ding nog niet. Hij had nog 30 koeien in het bedrijf. Te veel om met de hand te melken. Te weinig om aan te verdienen. Verder had Harm een stuk of wat varkens, wat schapen, twee ouwe knollen en rond het hele erf scharrelden kippen. Harm had niet veel land en hij verbouwde vooral mais en aardappelen. Zijn bedrijf kwam nauwelijks rond en Harm moest moderniseren, dat wist hij.

Op de deel deed Harm zijn klompen uit en ging het huis binnen. Greetje had al koffie gezet. Dankbaar schonk hij een bak vol. Op tafel lag de krant van vandaag. Greetje had een grote cirkel gezet om een artikeltje op de voorpagina. Ze had er zelfs een uitroepteken achter gezet. Het artikel kondigde aan dat morgen de grootste landbouwbeurs van Nederland weer plaats zou vinden. Greetje vond blijkbaar dat Harm daar maar eens heen moest. Toen hij de koffie op had ging hij zijn goeie broek en hemd luchten en zijn goeie schoenen poetsen.

Op de beurs werd Harm een ander mens. Het was alsof hij al die jaren onder een steen had geleefd. Harm had alles wat hij zag opgezogen als een droge spons. En aan het eind van de dag had hij een glasheldere visie. Hij moest alles anders doen. Met een suizende kop en een tas vol folders en gratis pennen toog Harm weer huiswaarts. Greetje zag de verandering gelijk. Harm keek mijlenver vooruit, vastberaden. Hij zag Greetje dan ook niet. Haastig sprong ze opzij.

Harm sloot zich drie dagen op in zijn werkkamer. Hij moest de hele tijd wel aan het telefoneren zijn geweest, want Greetje hoorde hem veel praten. Op een dag stopte er een bestelwagen van de DHL. Harm kwam opgetogen uit zijn kamer gestoven om de spullen in ontvangst te nemen. Na vier keer lopen met de steekwagen had Harm alle spullen in zijn kamer. Hoe dat daar allemaal in paste begreep Greetje niet. En wat hij met al die spullen moest, begreep ze nog veel minder. Toch hield ze zich wijselijk op de achtergrond. Er ging iets veranderen, en dat was goed.

De volgende ochtend ontbeten ze zoals altijd zwijgend. Sinds hun ja-woord 8 jaar geleden hadden ze hooguit een handvol woorden met elkaar gewisseld. Na het ontbijt trok Harm zijn jas aan en ging naar buiten. “Greet, ik ben even naar de kapper!”, riep Harm en sprong op zijn trekker. Achter de trekker hing een kar vol met ouwe troep uit Harm’s kamer. Greetje krabbelde zich achter haar oren, en keek hem hoofdschuddend na.

Toen Greetje naar binnen ging, zag ze dat de deur van Harm’s kamer nog open stond. Het enige dat ze nog herkende was het oude bureau. Daarop stond een groot beeldscherm en verder lag het vol met folders. In de hoek waar eerst een boekenkast stond, stond nu een enorm apparaat te zoemen. En aan de grote muur tegenover zijn bureau had Harm een groot wit bord opgehangen waarop hij verwoed allerlei lijnen en figuren had getekend met viltstift.

Harm kwam pas laat in de ochtend weer terug in een spiksplinternieuwe auto die geruisloos het erf op reed. Greetje herkende hem eerst niet eens toen hij uitstapte. Hij had een blits kapsel en droeg een nieuw maatpak met overhemd en stropdas. Aan zijn voeten twee glimmende Italiaanse schoenen. “Hai Gree”, zei hij. Hij spreidde zijn armen en draaide langzaam rond. “En?”, vroeg hij toen. “Ja, heel anders hè”, antwoordde hij zelf. “Kiek, ik heb zelfs een visitekaartje”. Greet nam het verbijsterd aan. Het zag er heel modern uit. Dit stond er op het kaartje:

Lunchen met oersoep

Mijn oudste zoon leest nu op school (groep 5) over de oude Grieken. Mijn papadag is wat dit soort informatie betreft echt geweldig. Op die dag eten de kids tussen de middag hun bammetje lekker bij papa en overspoelen ze mij met alles wat hen bezig houdt. Deze keer zijn het dus de oude Grieken. Het begon met deze vraag: “Papa?”. Aan de manier waarop hij alleen dat al vroeg hoorde ik al dat er iets moois ging komen. Aan “Papa?” ging namelijk eerst een voorpretgiecheltje vooraf.

“Ja?”, antwoord ik. “Nou..um..weetje?”, gaat hij verder. “Neetje”, zeg ik automatisch. “Ja wat was er eerst, de kip of het ei?”, floept er nu uit. En daar komt de rest van de giechels. Het blijkt dus napret te zijn van iets waar hij in de klas die ochtend mee bezig was. De oude Grieken dachten erg veel na over moeilijke vragen. “Tja, wat denk je zelf?”, vraag ik terug. “Ja, het ei natuurlijk”, zegt hij vol overtuiging, “want die heeft God gewoon gemaakt”.

Nou leef ik zelf een volkomen goddeloos bestaan. Zo ben ik opgevoed. Ik heb van huis uit helemaal niets meegekregen over het geloof en ben qua Bijbel- en Korankennis volkomen blanco. Geloof was voor mij lange tijd iets met even je ogen dicht doen en je handen vouwen voor het eten of zo. Onwetendheid maakt bekrompen. De kinderen kregen op hun vorige school en van hun moeder wel het nodige mee en bekijken de wereld daarom een beetje anders als ik. Dat is ook goed. Hun algemene opvoeding is daardoor hopelijk breder dan die van mij.

“Dat zou kunnen, en ik denk dat je gelijk hebt”, zeg ik dan, “maar ik geloof niet in God maar in de Oerknal en de Oersoep”. Die woorden leveren een hoop gegiechel en gegrinnik op. Hoewel ik ook geen oersoep-expert ben doe ik toch mijn best. Ik leg uit dat het eerste leven bestond uit hele kleine beestjes die je alleen onder een microscoop kon zien. Ze zwommen in de “oersoep” (water) en bestonden uit één celletje. Die beestjes maakten kindjes zonder dat daar eieren of mama’s met dikke buiken voor nodig waren. Ze braken gewoon doormidden en elke helft groeide weer dicht.

Ik maak grote sprongen, want ik ben bepaald geen expert. Ik redeneer dus verder dat er steeds meer van die beestjes kwamen en dat die allemaal voedsel nodig hadden om die kindjes te kunnen maken. Ze gingen dus op gegeven moment elkaar opeten. Daardoor moesten ze dus zorgen dat ze konden jagen en zorgen dat ze zelf niet werden opgegeten. Aan dat ene celletje had je dus niet meer genoeg. Je moest cellen maken voor onder andere een maag, tanden en vinnetjes om weg te zwemmen voor grote enge beestjes en om zelf achter andere lekkere beestjes aan te zwemmen.

Die zee raakte dus vol met allerlei soorten zwemmende beestjes die er alles aan deden om te overleven. Met een buik vol kindertjes ben je makkelijker te vangen, dus moest je die kindjes misschien maar beter buiten je lijf groeien. Zo ontstonden de eerste eitjes. Het werd erg gevaarlijk in de zee, dus kropen ze aan land en gingen ze pootjescelletjes maken en nog veel meer celletjes want ze waren ontzettend groot. Reusachtige, verschrikkelijk enge dino’s. Ze hadden hele grote achterpoten, hele kleine voorpootjes en een hele grote bek vol scherpe tanden. Dino’s legden ook eieren om hun kindjes in te groeien. De kip zoals wij haar nu kennen bestond toen nog lang niet, maar de monsterlijke oermoeder van die kip wel. Dus, ja, het ei was er eerst, geloof ik.

De kinderen hebben het met grote ogen aangehoord. Mijn oudste denkt dan even na en zegt dan dat het toch best wel heel erg knap is als je dat van die celletjes en die oersoep allemaal kunt bedenken. Dat vind ik op dat moment zelf ook best knap. Maar langzaam bekruipt me het gevoel dat hij met “je” niet zijn vader bedoelt.

Powered by ScribeFire.

Verkeerd geslacht en bevroren hersenen

Vanochtend boodschappen gedaan, maar de rode kool vergeten.
Kon ik dus weer terug naar de supermarkt.
Als ik langs de kaas kom, besef ik dat ik die ook was vergeten.
Bij de kassa aangekomen blijkt mijn rode kool ongeprezen.
Nu woon ik hier toch al ruim een half jaar. “Ik leer het ook nooit”, zeg ik.
Vergoelijkend glimlachend kijkt het kassameisje me aan. “Na een half jaar nog steeds niet gewend?”, vraagt ze.
“Na tien jaar weet ik het nog niet. Ik heb het verkeerde geslacht”, zeg ik in een poging grappig te zijn.
Een vakkenvuller mag de kool gaan wegen. Het kassameisje bliept alvast mijn kaas.
Ik haal intussen alvast mijn bankpas door de sleuf van de pinautomaat en toets mijn code in.
“Wacht op bedrag”, lees ik op het apparaat. Ik ben de rode kool alweer vergeten.
“Ik wacht op een bedrag”, zeg ik even later tegen het kassameisje.
“En ik wacht op een rode kool”, zegt het kassameisje nu giechelend.
“O ja”, breng ik nog schamper uit. Ik krijg een kleur.
“Met die kou werken de hersenen ook nog eens trager hè?”, zegt het kassameisje.
Ik kan er dus vandaag helemaal niks aan doen. Gelukkig.