De trein zit bomvol. Zelf zit ik prinsheerlijk in zo’n eersteklas werkcoupé, maar direct naast mij staan mensen in het gangpad. Zij klagen niet, maar ondergaan de pech gelaten. Op de stoel naast mij zit een oud, zemelig wijf. Het wijf heeft relatief geluk, want zij hoeft dus niet te staan. Toch zucht en steunt ze terwijl ze dramatisch met haar ouwe kop schudt. Wanhopig probeert ze oogcontact te krijgen met de mensen in haar coupé. Mijn coupé-genoten verstoppen zich stoïcijns achter hun laptop of, zoals ik, achter hun boek.

“Nou, dan ga ik maar verder met mijn kruiswoordpuzzel”, zegt ze tegen niemand. Het wijf staat op om het uit haar tas te pakken die in het bagagerek boven haar hoofd ligt. “Oeh!!!”, slaakt het mens ineens. Ze verliest zogenaamd haar evenwicht en laat haar puzzelboekje op de grond vallen. Theatraal grijpt ze de rand van het bagagerek en kijkt verschrikt om zich heen. Dit heeft ze vaker gedaan. De trein reed op een recht stuk en maakte niet de geringste slinger. Het is nu de bedoeling dat iemand haar te hulp schiet.

De meneer met de laptop pakt het puzzelboekje van de vloer en geeft het aan het ouwe wijf. “O, dankuvriendelijk meneer”, zegt ze overdreven dankbaar, “fijn dat er nog behulpzame mensen zijn in deze wereld”. De man kijkt ietwat nerveus maar beleefd glimlachend naar haar op. Fout!! Nooit aankijken! Maar het is te laat. “Ach, het is niets hoor mevrouw”, en hij wil zijn blik weer op zijn laptop richten. “Wat erg hè”, zegt het mens dan terug terwijl ze nog zijn oogcontact heeft, “Dat niemand daar nou eens iets aan doet”. Ze heeft een zeikprooi aan de haak. Hij is reddeloos verloren, want de rest van de coupé duikt nog dieper in zichzelf.

Ongevraagd stort ze nu een tenenkrommend geklaag over alle ellende die ze op dit moment ervaart over de man uit. Dat ze van haar schamele pensioentje een veel te duur treinkaartje moest kopen en dat ze dan nóg hutje op mutje moet zitten in de eerste klas. En dat door die drukte Jan en alleman maar eerste klas gaat staan want conducteurs, ho maar!. En bij het uitspreken van “Jan en alleman”, blikt ze kwaadaardig in de richting van een knaap met versleten spijkerbroek en ruige baard die in het gangpad staat. Mijn klomp is aan gruzelementen. Ik zucht geërgerd en klap nijdig mijn boek te hard dicht. Verschrikt kijkt de meneer die tegenover me zit op van zijn tijdschrift. Ook in zíjn ogen zie ik ergernis. Een prima zeikprooi voor mijn eigen situationele onvrede.

“Dames en heren, we naderen het station Meppel…”, tettert die conducteur die niet optreedt tegen boven hun stand staande jongeren ineens door de intercom. Geen tijd meer om het wijf een koekje van eigen deeg te geven, want ik moet er zo uit. Even later wurm ik me langs Jan en alleman naar buiten. Ik kijk nog even naar binnen mijn coupé in. Tot mijn genoegen is Jan en alleman in mijn stoel gaan zitten. Even heb ik oogcontact met het zeikwijf. Haar ogen schieten vuur. Ik zwaai glimlachend naar haar terwijl de trein verder rijdt. Een glorieus moment.

Advertisements