Borreltje. Dat is het woord dat een oude vriend van me blijkbaar altijd met mij is blijven associëren. Na ik weet niet precies hoeveel jaren – minstens 8 – sprak ik hem weer. In mijn studietijd zat ik samen met hem en nog een maatje in een excursiecommisie die een studiereis naar Dublin organiseerde. En laatst waren we weer herenigd in een restaurantje in Groningen.

Die associatie met “borreltje” heb ik natuurlijk niet te danken aan het genoegen dat ik als student haalde uit het nuttigen daarvan. Ik was een heel verstandige student… Dat ik “borreltje” zei in die tijd, vond die oude vriend die ik zo lang niet meer had gesproken, ook altijd zo lekker oudbollig klinken. In zijn bijzijn zei ik het dan maar extra vaak. Wij hadden een soort onuitgesproken zeg-jij-maar-lekker-borreltje-als-jij-je-daar-prettig-bij-voelt-afspraak. Bij echte vrienden mag je gewoon jezelf zijn. Prettig.

Hee “prettig”. Dat was altijd zijn manier om aan te geven dat iets goed was. Zijn manier om dingen te bevestigen. Als ik dan vroeg: “Nog een borreltje dan maar?”, dan was het antwoord “Prettig”. Die fijne herinneringen. Hij woonde toen al heel burgerlijk samen. Er was zelfs een cavia. Huisje-boompje-beestje. En er stond altijd een borreltje klaar voor me bij hen thuis. Zo prettig.

En laatst, na al die jaren, viel het woord “borreltje” ook weer heel spontaan in dat restaurantje in Groningen. Ik had er niet eens erg in. Het lag ineens in het gesprek. “Hè, daar is het al weer gevallen”, zei mijn prettige oude vriend. Geen verwijt in te horen, helemaal niet. In tegendeel, het voelde als een aanmoediging: “zeg jij maar fijn ‘borreltje’, want dat past bij je”. Imméns ouderwets prettig. Vrienden laten elkaar fijn in hun waarde.

Powered by ScribeFire.

Advertenties