Wat een gedrocht van een werkwoord is dat toch: beklijven. Ik lees dus altijd bek-lijven in plaats van be-klijven. Voor hetzelfde geld is “beklijven” gewoon het meervoud van beklijf. Godsamme wat heb jij eigenlijk een ontzettend beklijf! Je bent gewoon één en al bek, zo’n grote bek heb jij. Een soort pacman eigenlijk. Beklijven is dus een bommelwoord. Dat is een woord dat je op meer dan één manier kan lezen of uitspreken, zoals het welbekende bommel-ding.

Iemand vroeg me ooit eens om dit rijtje hardop te lezen:

barneveld
beneveld
theepottuitje
pijpetuitje

Juist: bene-veld en pijpe-tuitje. Nog twee bommelwoorden.
Dit geinige rijtje kan dus mooi worden uitgebreid met:

olijven
beklijven

Lelijk als het woord ook moge zijn, het wordt wel vaak dankbaar gebruikt als een soort excuus wanneer je nieuwe materie niet zo 1-2-3 allemaal kunt bevatten. Het duurt gewoon even voor nieuwe kennis bij mensen beklijft. Voor het blijft hangen dus. Ik doe het nu zelf ook, in mijn nieuwe baan. Gelukkig mag een nieuwe medewerker zich in het begin meestal nog fijn achter zijn (of haar) beklijfproces verschuilen. Ik mag nog ongegeneerd glazig kijken als ik in een vergadering weer eens een term hoor langskomen die ik nog niet kan plaatsen. “Eh, misschien een gekke vraag, maar wat is een TAO?”, vroeg ik nog in mijn proeftijd tijdens een bijeenkomst vol TAO-deskundigen (zo bleek achteraf). Ik zag de verbijsterde blikken best. “Ja, sorry hoor, het moet allemaal nog gaan beklijven voor me”, zei ik dan maar. De verbijstering sloeg meteen om in sympathie.

Ik merk dat dingen bij mij  sneller beklijven als ik het opschrijf. Kortom: schrijven doet beklijven. Dus wie schrijft, beklijft. En laat er nou ook nog dit spreekwoord zijn: blijven doet beklijven.  En daarmee is het kringetje mooi rond.

Advertenties