Maand: oktober 2011

Apple iLantern gereed voor 11-11

De laatste keer dat ik Sint Maarten liep kan ik me nog goed herinneren. Eigenlijk was ik de maximale leeftijd (hoe hoog is die eigenlijk?) al voorbij om mee te mogen doen. Met wat vriendjes liep ik langs de huizen. Lampionnen hadden we niet. Met een felle zaklantaarn schenen wij dikke lol te trappen. Ons doel was om zoveel mogelijk snoep te scoren. Dus snel “sinmaten sinmaten de koeienhebbestaten meisjes hebbe rokjes aan dakompsimatinus aan” zingen in gorillamodus (voetbalsupporterstem), snoep graaien en doorrennen naar de volgende deur. Schandalige etterbakkies.

Voor de onbeschaamde vlegeltjes van tegenwoordig is er op 11-11-2011 een alternatief voor de zaklantaarn en je hoeft ook niet zelf te zingen: de iLantern. Het is de meest associale app in de AppStore. Ongelooflijk dat Apple deze app goedkeurde. Voor 99 cent tover je je iPhone of je iPad om in een pulserende lampion die je helemaal naar je eigen smaak kunt stylen. De iLantern komt met een ruime selectie aan Sint Maarten liedjes ingezongen door artiesten zoals ACDC, De Jeugd van Tegenwoordig en Rammstein. Zo kun je Sint Maarten lopen in jouw stijl. Echt vet.

Voor de rijkere etterbakken nog de volgende tip: tape 3 iPads (leen gewoon even de iPad van je zus en je pa) aan elkaar in een driehoekopstelling, met de achterzijden naar elkaar toe. Installeer de iLantern App op alle drie de iPads. Met de speciale synchronisatie-functie kun je de 3 iPads dezelfde Sint Maarten tune synchroon laten afspelen, en pulseren de lampionnen ook in sync met elkaar. Hoe vet is dat?

Nu moet ik als een haas die app in elkaar hacken en vet stinkend rijk worden op kosten van de schoffies van Nederland. Ja ja, jat mijn idee maar, want ik kan helemaal geen apps hacken, laat staan dat ik Rammstein, ACDC en de Jeugd van Tegenwoordig heb weten te strikken. Dit idee had ik een half jaar eerder moeten hebben.

Powered by ScribeFire.

Advertenties

Boek-ingrediënten: 1 Wereld, 1 Plot, Een handvol Personages, 88 kilometer verhaal en 30 kilo Dialoog

Groot bewondering heb ik voor schrijvers zoals Henning Mankell. Meteen vanaf de eerste zin hang je aan zijn woorden. Stoppen met lezen is onmogelijk, want je móet weten hoe het verder gaat. Vertwijfeld draai je het boek in je handen als je echt de allerlaatste bladzijde hebt verslonden. Hoe kan het boek nou al weer uit zijn? Het smaakt naar veel meer. Razend knap als je je lezer dusdanig weet te pakken.

Mankell schrijft over een wereld waarin hij zelf leeft. Hij hoeft “alleen” een pakkend plot, een contrastrijk pallet van schitterende personages en een verhaal te maken. Dat is op zichzelf al ontzettend moeilijk. Hij creëert geen nieuwe wereld, maar schildert zijn verhalen in de bestaande wereld. Daarvoor legt hij veel meer het accent op de sfeer en geur van de omgevingen. In Mankell’s boeken proef je bijna die omgevingen. Als Kurt Wallander langs het strand loopt, krijg je droge lippen en een zilte smaak in je mond.

In een totaal ander genre, science fiction, schrijft Peter Hamilton. Zijn boeken zijn zelden dunner dan 1000 bladzijden. Neem nou de Commonwealth Saga bijvoorbeeld. In ieder boek van deze saga lopen tientallen verhalen door elkaar in een bizarre, futuristische wereld van vele werelden verspreid over het universum. De verhalen lijken in het begin volledig los van elkaar te staan, maar ze verstrengelen zich meer en meer.

De Commonwealth is een soort intergalactische vereniging van werelden met een gemeenschappelijke regering. De Commonwealth werelden zijn verbonden door kunstmatige “worm holes” en dus kun je gewoon met de trein van de ene naar de andere wereld reizen. Het hele interplanetaire transportnetwerk is in handen van het machtigste bedrijf in het universum. Een waanzinnige, duizelingwekkend complexe wereld, waar Hamilton je volledig in zuigt. En dan ineens is het boek uit, heel gemeen met een volledig open einde. Meer verhaal paste er gewoon niet in het boek, dus ging Hamilton maar verder in een volgende pil. Gelijk doorlezen in die vervolgpil kan ik nooit. Eerst even een jaartje pauze om alles te laten bezinken.

De theorie van het schrijven van dit soort boeken lijkt heel simpel. Je hebt vijf ingrediënten nodig: een wereld, een plot, personages, een verhaal en dialogen. Die wereld moet je schilderen. Het vormt het podium voor je personages. Die personages moeten natuurlijk wel iets beleven dat de lezer boeit. Dat is het centrale plot. Dat kan zoiets zijn als: een megalomane boef heeft hele snode plannen om de hele wereld in zijn macht te krijgen en dreigt daarin te slagen, maar een held die als bescheiden en onzeker personage begint, redt tegen alle verwachting in de wereld. Tussendoor wordt die held verliefd voor de nodige kwetsbaarheid. Een veel gebruikte formule die pas interessant wordt door de personages, de dialogen en het verhaal.

In mijn jeugd begon ik diverse keren vol goeie moed aan een boek. Ik kladde hele schriften vol met de meest waardeloze verhalen, vond ik zelf. Niks heb ik daarvan bewaard. Erg jammer eigenlijk. De wens om ooit een boek te schrijven is er nog steeds. Een jaar of wat geleden begon ik enthousiast aan een kinderboek. Na vier hoofdstukken was ik het al zat. Discipline is cruciaal natuurlijk, maar ook het hebben van een goed idee. Mijn kinderboek heeft nog geen duidelijk plot. Zonder plot heb je niets aan een held, want die had ik wel. Maar ik kan maar niets leuks verzinnen om die held voor in te zetten. Ik heb dus een troefkaart zonder spel.

Sinds kort heb ik een nieuw idee voor een boek. Het zoveelste idee eigenlijk. Ik ben eerst maar eens begonnen met het schrijven van de tekst die je op de achterkant van de kaft zou kunnen zetten. Het is een fantastisch plot in de lijn van die veelgebruikte formule die ik hierboven al beschreef: een briljante boef die naar werelddominantie hunkert en een held van het type antiheld om dat te voorkomen. Nu alleen nog personages verzinnen en een wereldje voor ze om in te leven en te acteren. Doe ik zo even. Eitje. Over 10 jaar is het klaar.

Powered by ScribeFire.

Je sterft maar één keer. Toch?

Je leeft maar één keer, zeggen ze. Dus dan moet je er het beste van maken. Wat een dooddoener. Dan ben je steeds aan het vergelijken. Doe ik het wel beter dan hem (of haar)? Ik had “hem” voor het laatst gesproken toen ik nog volop puberde. Hij kon altijd alles beter dan ik, vond ik. Laatst zocht ik hem eens op op LinkedIn om te kijken hoever hij het had geschopt. Dat had ik niet moeten doen dus. Toch hoef ik geen herkansing.

Het leven is kort, zeggen ze. Dan kun je maar beter zo eerlijk mogelijk leven. Dan duurt het langer. Eerlijk gezegd geloof ik daar geen snars van. Geloven is sowieso niet mijn sterkste vaardigheid, moet ik je bekennen. Alles moet in de twijfel getrokken, en zelfs dat weet ik niet zeker. Alles is immers nogal veelomvattend, maar ook weer heel betrekkelijk. Ik kan toch onmogelijk álles in twijfel trekken. Daar is het leven gewoon te kort voor.

Over één ding twijfel ik nauwelijks: sterven doe ik maar één keer. Toch? Wacht even, ik leef natuurlijk wel voort in mijn kinderen. Zolang zij zich blijven voortplanten, leef ik onderhuids door. Mijn manier van denken gaat voor een deel over op mijn nageslacht. Wie denkt die bestaat, dat weet iedereen. Dus ook mijn manier van bestaan is dan erfelijk. Geleidelijk besta ik steeds minder naarmate mijn stukje genetisch materiaal steeds verder wordt gestekt. In die theorie sterf je dus precies zo vaak als je nakomelingen hebt plus 1. Nog een hele wilde denkstap verder is dan beweren dat de kerk het liefst zou zien dat je zo vaak mogelijk sterft. God, wat vergezocht. Weer een half uur van mijn leven verspild met dit geneuzel.

Powered by ScribeFire.

Breek de sleur en doe alsof je neus breekt

De meeste momenten van je leven gaan aan je voorbij en laten geen blijvende indruk achter. Er kunnen dagen voorbij gaan zonder dat er iets gebeurt dat je voor de rest van je leven zult onthouden. Toch zal ook niemand al die memorabele momenten zo kunnen oplepelen. Het is meer zo dat ze soms ineens naar boven komen dobberen. Ze zitten nooit heel diep, een paar meter onder de oppervlakte van de drukke vaarroute van je bewuste denken.

Vooral je neus is er erg goed in om bij het ruiken van een bepaald luchtje ineens zo’n boei naar boven te laten schieten. Dan zit je zomaar ineens te mijmeren over toen. Als ik die muffe geur van een kelder vermengd met de geur van mengsmeerbenzine ruik bijvoorbeeld, dan dobbert ineens de oude brommer van mijn opa naar boven. Daarmee tufte hij met oma achterop door heel Noord-Nederland. Die brommer stond in de kelder van de flat waar hij samen met mijn oma woonde, aan de Antaresstraat in Groningen. Onder het kelderraam stond een werkbank met een oude radio erop. Daar kon mijn opa alles repareren. De oude brommer werd daar met pure liefde in tiptop-conditie gehouden. Ik kwam graag in die kelder. Het rook daar naar mijn beste vriend. Mijn opa. Ik heb zoveel van hem geleerd.

Laatst liet mijn neus een hele verrassende herinnering naar boven schieten, maar niet door het ruiken van iets. Ik kon helemaal niks ruiken, want ik was snip- en snipverkouden. Nee, het kwam door een krakend geluid dat ik hoorde toen ik na het snuiten van mijn neus mijn neus schoon wreef met de zakdoek. Ik had mijn leeggesnoten en gigantisch kriebelige neus nog in de zakdoek, dichtgeknepen tussen mijn handen. Om mijn neus te ontkriebelen wrikte ik het eens een beetje heen en weer tussen mijn handen. Mijn neus kraakte zo hard dat ik meteen in de spiegel ging kijken of ik het per ongeluk had gebroken. Het deed tussen mijn oren alvast pijn, maar dat bleek valse pijn. Mijn neus was wel rood maar stond nog keurig recht. Het was gewoon mijn snot dat in mijn neusholtes sopte, kwam ik voorzichtig experimenterend achter.

En toen ik mezelf zo in de spiegel zag moest ik ineens lachen. Ik zag ineens dat gesmoorde gezicht van een oude studievriend voor me. In een vreselijk saai college over discrete wiskunde, waarin de oude professor zijn monotone les afdreunde terwijl hij zonder te kijken het hele bord vol tikte met zijn krijtje, werd ik steeds gezapiger en dus meliger. De tijd kroop tergend langzaam voorbij. De professor dreunde maar door en dreunde maar door. Het leek wel of ik hier al de hele dag zat en dat die dag nooit voorbij wilde gaan. Tijd voor wat ongein om die breindodende eentonigheid, die verdovende sleur, te breken.

Dus ik stopte een pepermuntje in mijn mond en draaide me om naar die studiemaat die in de bank achter me zat. Hij keek me meewarig aan. Ook hij zat af te zien. Toen beet ik het pepermuntje door en draaide tegelijkertijd aan mijn neus. Nooit meer vergeet ik die kop van hem toen. De tranen schoten uit zijn ogen. Het lukte hem nauwelijks om zijn lachen te smoren. Steeds als ik weer achterom keek, begon hij weer te schuddebuiken. Schitterend. Na het college kon hij zich eindelijk laten gaan. Ik weet niet meer precies wat ‘ie toen zei, maar het was zoiets als “Lul! Wil je dat nooit meer doen!”, maar hij lachte er wel bij. En dat truukje met dat pepermuntje, dat heb ik dus van m’n opa geleerd.

Powered by ScribeFire.

Kom op, stug doorwinteren!

Gisteren wilde ik mijn blog weer eens in de wilgen hangen. Al mijn blogs. Weg ermee. De hele donderse pijp aan Maarten geven. Dat heb ik eens in de zoveel tijd. Allerlei redenen vliegen dan door mijn kop: geen zin meer, vind niet de voldoening die ik zoek, zou mijn tijd beter aan echt belangrijke dingen moeten besteden, mijn blog zuigt, waar doe ik het voor?

Tot nog toe ging ik toch gewoon door met bloggen. Even een tijdje mokken en broeien en dan ineens vind ik mijn blog-energie weer terug. Soms smijt ik dan zelfs weer een heel nieuwe blog op het web. Nu effe niet. De energie is ver onder peil. Ik zit in een blogdip. Deze tekst komt als stroop uit mijn vingers. Dit is een verwoede poging om mijn vingers achter mijn dip te krijgen.

Het overkomt me dus vaker en het overvalt me ook altijd. Ineens bevind ik me in een dal. Overal om me heen zie ik bomen. Idioot hoge naaldbomen met hun kruinen ver boven me en lange, kale stammen. Hoog boven mij hoor ik de wind door de takken ruisen, maar bij mij staat een vaag briesje, nauwelijks voelbaar en verstrooid door de vele stammen. Eigenlijk voel ik verder weinig. Geen kou, geen warmte. De bodem is bezaaid met dorre naaldjes. Het is er doodstil.

Het is herfst en het belooft een lange donkere winter te worden. Misschien ben ik onbewust aan het voorwinteren. De zomer wil je zo lang mogelijk vasthouden. Lente is leuk, maar we willen toch snel door naar die zomer. Voorzomeren. De herfst ontkennen we door zo lang mogelijk te nazomeren. En dan staat de winter ineens heel snel voor je deur. Onverbiddelijk. Misschien is het een oerinstinct om me nu als een gek vet te vreten en een stil plekje te zoeken waar niemand me kan vinden tot het weer voorjaar is. Helaas, geen optie. Ik heb het veel te druk met geleefd te worden. Stug doorwinteren en daarna gewoon weer opbloeien.

Powered by ScribeFire.

Onno Zeleman laat zich weer eens naaien

Net als hij zit te eten gaat de telefoon. Met gefronste wenkbrouwen loopt Onno naar de telefoon en neemt op. Terwijl hij de hoorn aan zijn oor houdt wacht hij twee ademhalingen en zegt kalm “Met Onno Zeleman”. Aan de andere kant van de lijn begint een vriendelijk klinkende meneer te spreken. Het gesprek verloopt als volgt:

Goedenavond meneer, u spreekt met Mark Eter van de Nederlandse Aktie & Aanbiedingen Integra Maatschappij. Spreek ik met de heer Onno Zeleman?

Onno: daar spreekt u mee inderdaad, waar belt u voor?

Mark: Bel ik gelegen?

Onno: Nou, ik zit nog te eten, maar…

Mark: Uitstekend, dan zou ik u graag een aantal vragen willen stellen.

Onno: Maar…

Mark: Meneer Zeleman – of mag ik Onno zeggen?

Onno: Ik heb liever…

Mark: Mooi, dat praat een stuk makkelijker. Onno, zoals je weet is de Nederlandse Aktie & Aanbiedingen Integra Maatschappij uitgeroepen tot het beste bedrijf op de Nederlandse afzetmarkt. Je bent toch bekend met dit bedrijf?

Onno: Eh.. nee, ik weet niet…

Mark: We bestaan ook nog maar kort. Misschien ken je ons onder de kortere naam De NaaiMij.

Onno: De Naai…Mij…, zegt u? Ja, dat doet geloof ik wel een belletje rinkelen bij me…

Mark: Zie je wel. Het zou ook erg jammer zijn als je ons niet kende, want ik heb een leuke aanbieding voor je.

Onno: O, eh..

Mark: Onno, maak je regelmatig buitenlandse reizen?

Onno: Och, ik zou het wel vaker moeten doen eigenlijk, maar ik ben maar alleen

Mark: Kijk, kijk, dan heb ik echt een zeer interessante aanbieding voor je!

Onno: O ja?

Mark: Jazeker Onno, speciaal voor jou. Ik heb daarvoor nog wel wat gegevens van je nodig.

Onno: eigenlijk zit ik nog te…mijn gehaktballetje wordt koud…kan ik u later…

Mark: Wanneer ben je geboren?

Onno: 12 september 1959, maar…

Mark: Heel goed, en wat is je beroep?

Onno: ik werk bij de gemeente, maar eh…

Mark: Mooi, mooi, nu heb ik nog uw adresgegevens nodig.

Onno: maar wacht even, u hebt me nog niet verteld wat de aanbieding precies is.

Mark: Kijk, een oplettende klant, daar hou ik van. Eh..even kijken…ja..ik mag je onze exclusieve en uitgebreide reisverzekering een heel jaar gratis aanbieden. En dankzij onze zeer exclusieve afspraken met diverse grote reisorganisaties krijg je met die verzekering ook nog eens tot wel 40% korting op bijvoorbeeld hotelkosten en vliegtickets.

Onno: nou, dat klinkt zeker interessant zeg.

Mark: Nu kun je je dromen waarmaken Onno. Het enige dat jij daarvoor hoeft te doen is even je adres, bankrekeningnummer en creditcardnummer aan mij door te geven. Dan zorg ik persoonlijk dat het hele pakket vanavond nog naar je toe wordt gestuurd.

Als Onno heeft neergelegd staat hij vertwijfeld te glimlachen. Hij wrijft vergenoegd in zijn handen en gaat weer aan de eettafel zitten. Zijn gehakballetje is intussen helemaal koud geworden, maar dat geeft eigenlijk niks, want hij heeft vanochtend van die aardige meneer die aan de deur kwam een professionele Combi-magnetron-oven die door alle grote chefkoks wordt aanbevolen gekocht voor maar 1199 euro terwijl ze normaalgesproken wel 2500 euro kosten. Een buitenkansje dus waardoor Onno Zeleman nu zijn gehaktballetje toch lekker warm kan nuttigen.

Powered by ScribeFire.

De stilte van 15 miljoen

Een van mijn favoriete oasen van verstilling in Nationaal Park Dwingelderveld (vanmiddag zelf gekiekt met mijn fotofoon)

Vanmiddag liep ik door de Drentse bossen, niet ver van Spier, niet ver van de snelweg, niet ver van het Noorderveld. Samen met mijn vier dartele veulentjes. Ik had 3 pogingen nodig om een stil stukje Drenthe te vinden. Gelukkig was mijn favoriete stukje nog relatief rustig. Rondom onze woonplaats Dwingeloo waren de bosparkeerplekken bomvol en overal tussen de bomen zag én hoorde je mensen lopen. Allemaal toeristen die op zoek waren naar die Drentse stilte. Dit werd mij duidelijk toen ik het Journaal van 8 uur vanavond zag.

Die Drentse stilte wordt in de nabije toekomst dus nóg stiller, en daarvoor wordt even 15 miljoen euro opgehoest. Het Noorderveld zelf wordt weer zoals het was vóórdat het landbouwgrond werd: een sompig en uitgestrekt heidegebied. Een glorieuze muggenkwekerij. Van het Noorderveld wordt momenteel een laag aarde afgegraven en over en strook van 5 kilometer langs de A28 op een grote langwerpige hoop gekwakt. Die hoop krijgt twee functies: geluidsdemper en toeristenlokker.

Nietsvermoedende automobilisten wil men van de snelweg lokken met behulp van een 5 kilometer lange lokstrook vol heide, bomen en wat waterpartijen. Als vliegen moeten de potentiële toeristen op de nieuwe natuur en stilte afkomen. Goed voor de lokale economie, want daarmee gaat het blijkbaar niet goed. Komt zeker door de krimp. Vanmiddag had Het Dwingelderveld bepaald geen tekort aan toeristen. Het gonsde ervan in de bossen en op de hei. Oh, wat is het hier stil hè? Ja, echt heel stil. Jeetje wat stil. En kun je nagaan, het wordt nóg stiller. Echt waar? Ja, echt waar.

De lokstrook moet ook het geluid van het verkeer dat ondanks de verlokkingen tóch door raast, dempen en verstommen zodat de natuur erachter nóg beter kan verstillen. Als natuur- en stilteliefhebber hoop ik dan maar dat de hoeveelheid nieuwe stilte, die stilte van 15 miljoen, groter is dan de de toename van het geroezemoes van die broodnodige nieuwe toeristen, anders komt er van die verstilling niks terecht. Aan de andere kant hebben al die nieuwe muggen ook weer verse toeristen nodig. Kom toch maar dan, u bent van harte welkom!

Powered by ScribeFire.

Bloggers zijn volhardende, idealistische sukkels

Naast mijn verwoede blog-pogingen alhier, probeer ik ook leuk en gevat te zijn op mijn Engelstalige blog #frappings. Met verwaarloosbaar succes probeer ik daar boven al het blog-gekrakeel dat op het web plaats vindt, uit te komen. In maart van dit jaar deed ik daar de gevleugelde bewering dat eigenlijk de meeste blogs een hoge gaap-factor hebben (inclusief die van mijzelf) in een verhaal getiteld “Bloggers are tenaciously idealistic fools, as they should be”.

De titel bevat heel bewust het woordje “fools”, want dat zou schijnbaar heel prikkelend moeten zijn en veel hits moeten genereren. Ik laat het werkelijke resultaat maar even in de lucht hangen. De centrale stelling van mijn verhaaltje was dat de boodschap die je wilt overbrengen in een blog post, waarschijnlijk al door vele anderen vóór jou is overgebracht (echte genieën daargelaten). Toch plaatsen wij stug onze ongetwijfeld briljante maar meestal overvloedige boodschappen op onze blogs, want bloggers zijn volhardendende idealisten. En dat lijkt mij een goeie zaak! Dankzij die volharding blijft Het Blog Springlevend, maar dat is al door vele anderen gezegd. Volhardende, idealistische sukkel die ik ook ben.

Gelukkig bijna uitgestorven

Voor ik mijn (gemakshalve zeg ik ‘mijn’, maar eigenlijk heb ik het ding in bruikleen van de baas) schootcomputer – type stoeptegel met vergelijkbaar gewicht – openklap in de trein kijk ik schuchter om me heen. Het is een 1e klas coupé, dus op diverse schoten ligt een laptop open. Hier en daar een eitje met een appeltje, maar overwegend zakelijke apparaten met een versie van Microsoft’s OS “Windows” erop. Ik zie gelikt zwiepende venstertjes op die schermen. Een en al grafische lenigheid. Toe maar! Windows 7 zeker! Uitslovers. Allemaal expres op standje maximale flitsflats-imponering gezet. Om de ogen uit te steken van noodgedwongen dinosaurier-users zoals als ik.

Hopelijk met een blik van “ik vind het helemaal niet belangrijk om een moderne OS op mijn laptop te hebben” klap ik mijn laptop nonchelant open. Met een hoop geflikker komt mijn scherm tot leven en zit dan gelijk helemaal vast. Na een halve minuut reageert het ding nog steeds niet op mijn dringende aanmoedigingen op de toetscombinatie ctrl-alt-del, hoe stevig ik ze ook in druk. Geroutineerd houd ik dan maar de power-knop 4 seconden ingedrukt. Dat geeft altijd resultaat en weldra zie ik het vertrouwde opstartscherm.

Onmiddelijk meen ik achter mij gegrinnik te horen. Sissend gefluister: “pfff moet je zien…wzwzwzwz…XP…kgmpf”. Ik doe alsof ik even iets uit mijn jas moet pakken die op het bagagerek ligt. Steels kijk ik naar de mensen op de stoelen achter mij. Ogen schieten schuldig opzij. Hah!

Ja, mijn laptop draait nog Windows XP. Een OS uit de oertijd. Niks geen soepele, sexy flitflats user interface, maar sobere spartaansheid. En bovendien werkt het ook nog eens niet goed. Ja, die zandloper, die wel. Die doet het uitzonderlijk goed. Zelfs Microsoft wil niet meer met XP worden geassocieerd en heeft haar zegen en steun voor dit kind uit het nest ingetrokken. Dit prehistorische OS is zwaar bedreigd met uitsterven. En dat is maar goed ook.

Eind van dit jaar mag ik ook over op Windows 7. Gezien de gebleken houdbaarheid van XP zal ik daar in mijn beroep zeker de komende 8 jaar mee moeten werken. Over acht jaar kan ik dit verhaal dan gewoon recyclen. Ik hoef alleen ‘XP’ te vervangen door ‘W7’ en ‘Windows 7’ door ‘Windows 12’. Ja, Windows 8, 9 en 10 worden dan overgeslagen, want als bedrijf moet je een OS tot op het bot afkluiven voor een positieve business case.

Powered by ScribeFire

Polsjapanner

Ooit voor honderd gulden op de kop getikt
Anderhalve rib uit het lijf van een arme student
Een Casio Quartz model doodgewoon
Het sloot een periode vol digitale prutsklokjes af
Eenvoudig en degelijk met een wijzerplaat
En een uurwerkje met een hart dat tikt
Regelmatig, elke seconde secuur doserend
Jaren en jaren tikte het mij voorwaarts

Op en dag brak de metalen polsband
Ach, het werd ook wel tijd voor iets nieuws
Mijn trouwe polsjapanner wurde ersatzt
Durch ein modernes, titanium Uhr
Een mooi geschenk van mijn lief
De Casio ging bij de andere herinnerdingen
In het luxe doosje van zijn vervanger
Tikte het nog lange tijd stug door

Das neues Uhr bleek Duits maar niet degelijk
Een val op een Nederlands perron
Deed het krasvaste kristalglas barsten
Geen horlogemaker zag er nog heil in
Irreparabel kaput, Scheisse.
Een tijd lang bleef mijn pols ontsierd
Niet dat ik tijdloos door het leven ging
De mobiele telefoon weet ook hoe laat het is

Tijdens een verhuizing dook hij ineens op
Mijn ouwe, trouwe polsjapanner
Alleen maar een nieuw bandje nodig
En een nieuwe batterij
Zonder hapering tikte het als vanouds
Weer mijn eigen tijd vooruit
Tijdloos mooi prijkt het nog steeds
Zwaar maar geruststellend aan mijn pols

Maar veraderlijk lonken ze in etalages
Stoere mannensierraden vol tandwielen
Midlife doet schijnbaar veroorloven
Die oude Casio is te min voor mijn ego.
Van weggooien is natuurlijk geen sprake
Ceremonieel schenk ik het later een van mijn zonen
Beleefd neemt hij het dan aan en zegt eerlijk
“Pap, ik weet niet wat ik zeggen moet…”

Powered by ScribeFire.