Het is een sneetje van een brood. Een sneetje worst noemen we dan weer een plak. Tenminste, als het niet te dik gesneden is, want dan wordt het een homp of een stuk. Een plakje wortel is dan weer een schijfje.

En alleen bepaalde sneetjes brood mag je boterham noemen. Ik heb geen scherp afgekaderde definitie, maar stokbroden kun je bijvoorbeeld geen boterhammen van snijden. Dus niet al het brood is boterhamwaardig.

Ik begin te vermoeden dat de vorm van de broodplak bepaalt of het een boterham mag heten of niet. Een soort paddestoel met een dikke steel. Die vorm denk ik aan bij een boterham. Maar ik noem een plak vloerbrood ook een boterham. Die plakken hebben de vorm van de hoofdletter D. Misschien is het toch niet de vorm.

En dan nog het woord zelf. Ja, op een sneetje brood is boter vrij standaard, maar ham niet. Of was vroeger toen de boterham werd uitgevonden ham het enige beleg dat bestond? Hier kom ik niet uit.

Wikipedia raadplegen leert me dat de herkomst van het woord onduidelijk is. Vroeger werd een sneetje brood ook wel een “rammel” genoemd. Een mogelijk oorsprong daar weer voor ligt in België, want daar noemen ze een geroosterde boterham een rammeke. Zie je wel, het ligt dus niet aan ons Nederlanders dat wij over boterhammen spreken. Die rare Belgen toch 🙂

Advertenties