Je leeft maar één keer, zeggen ze. Dus dan moet je er het beste van maken. Wat een dooddoener. Dan ben je steeds aan het vergelijken. Doe ik het wel beter dan hem (of haar)? Ik had “hem” voor het laatst gesproken toen ik nog volop puberde. Hij kon altijd alles beter dan ik, vond ik. Laatst zocht ik hem eens op op LinkedIn om te kijken hoever hij het had geschopt. Dat had ik niet moeten doen dus. Toch hoef ik geen herkansing.

Het leven is kort, zeggen ze. Dan kun je maar beter zo eerlijk mogelijk leven. Dan duurt het langer. Eerlijk gezegd geloof ik daar geen snars van. Geloven is sowieso niet mijn sterkste vaardigheid, moet ik je bekennen. Alles moet in de twijfel getrokken, en zelfs dat weet ik niet zeker. Alles is immers nogal veelomvattend, maar ook weer heel betrekkelijk. Ik kan toch onmogelijk álles in twijfel trekken. Daar is het leven gewoon te kort voor.

Over één ding twijfel ik nauwelijks: sterven doe ik maar één keer. Toch? Wacht even, ik leef natuurlijk wel voort in mijn kinderen. Zolang zij zich blijven voortplanten, leef ik onderhuids door. Mijn manier van denken gaat voor een deel over op mijn nageslacht. Wie denkt die bestaat, dat weet iedereen. Dus ook mijn manier van bestaan is dan erfelijk. Geleidelijk besta ik steeds minder naarmate mijn stukje genetisch materiaal steeds verder wordt gestekt. In die theorie sterf je dus precies zo vaak als je nakomelingen hebt plus 1. Nog een hele wilde denkstap verder is dan beweren dat de kerk het liefst zou zien dat je zo vaak mogelijk sterft. God, wat vergezocht. Weer een half uur van mijn leven verspild met dit geneuzel.

Powered by ScribeFire.

Advertenties