Maand: december 2011

Stomme-medeklinkernamen en erfelijkheid

Je zou toch maar Sjors Smit heten. Dat is toch zonde van die ‘s’. De 2e ‘s’ van Sjors dus. Die hoor je niet, want het gaat op in de ‘S’ van Smit. Waarom konden Sjors’ ouders geen handigere naam kiezen? Net als de ouders van Peter Rademakers, Ruud Dekker en Natasja Adema. Ik snap dat gewoon echt niet. Bij het vinden van namen voor mijn eigen nageslacht was dit een belangrijk dingetje voor mij. Geen voornaam die eindigt op ‘n’, hoe mooi en bijzonder de naam ook moge zijn geweest. Als compromis mocht het dan e-ven-tu-eel bij de tweede naam, maar alleen als er echt geen alternatief kon worden gevonden. Ik hield mijn poot stokstijf als het nodig was (echt).

Een voornaam met “stomme medeklinkers” leidt al tot problemen bij het aangeven van de geboorte van je kind. “Hoe zegt u meneer? Natasja Dumma?” of: “Ru, zegt u?…wat een..eh..bijzondere naam meneer Dekker”. Gelukkig zit papa dan in zo’n roze wolkje en barst hij van het geduld. Dus hij artikuleert kalm en trots de naam van zijn nieuwe spruit tegen de onzeker glimlachende ambtenaar. Aanleg voor het geven van stomme-medeklinkervoornamen is blijkbaar erfelijk, want je wilt niet weten hoeveel Hermannen Nankman er in mijn stamboom zitten.

Mijn eigen ouders braken gelukkig met die generaties durende gewoonte van het vernoemen van zonen naar opa Herman. Mijn tweede naam eindigt dan weer wel op een ‘n’. Daar hield mij ma of pa zijn of haar poot blijkbaar niet stijf genoeg. Met de gevolgen van die slappotigheid moet ik mij nu door het leven zien te worstelen. Mijn vader is gelukkig een doorzetter en gaf dát gen gelukkig wél aan mij door. Nu maar hopen dat dat gen dat ervoor zorgt dat je je zoon Herman wil noemen niet alleen maar een generatie heeft overgeslagen.

Advertenties

Natuurlijk ben jij de allermooiste

Kleine kiem, diep in de bodem
Je barst van potentie
Zodat je omhoog schiet
Kijk eens hoe goed ik groei!

Ongeduldig, reikhalsend
Strek je je naar de hemel
Zo hoog als je kunt
Kijk eens hoe groot ik ben!

De hele wereld kijkt naar jou
Van schrik schiet je in knop
Je barst van de zenuwen
Waarom kijkt iedereen naar mij?

In het prilste daglicht
Ontluik je jezelf
Voor de allereerste keer
Hopelijk ziet niemand je

Onzeker kijk je om je heen
De wereld is gruwelijk mooi
Diep van binnen weet je het
Jij bent mooier dan iedereen

Moedig reik je hoger
Hoe hoger hoe vrijer
Je stijgt boven alles uit
Natuurlijk ben jij de allermooiste

Alles draait om jou
In de bloei van je leven
Kan je de hele wereld aan
Kijk eens hoe sterk ik ben!

Niks krijgt jou eronder
Je zwelgt van zelfvertrouwen
Totdat je wordt vertrapt
Wie dacht je ook dat je was?

Je keert in je zelf
Geknakt tot op je ziel
Toch kruip je weer overeind
Kijk eens hoe veerkrachtig ik ben

Fier richt je je weer op
Je putte nieuwe kracht
Uit je nieuwe wijsheid
Kijk eens hoe stevig ik sta

Mooier dan ooit straal jij
De wereld weer tegemoet
Dan word je eindelijk geplukt
Natuurlijk ben jij de allerliefste

Alles draait om liefde
Je hebt zoveel te geven
Je geluk is oneindig
Nooit krijg je genoeg van elkaar

Ineens ben je ouder
Je straalt bemoedigend
Naar dat reikhalzende grut
Natuurlijk worden jullie nóg mooier

Heren volgen geen instructies

Negen wijze heren kwamen bijelkaar om te praten over gewichtige zaken. Op de grote tafel in hun midden lag een klein kapitaal aan gadgets. Minstens 3 per persoon. Allemaal noodzakelijk natuurlijk, dat staat buiten kijf. Behendigd werd er uit de losse pols met de de diverse gizmos gejongleerd. Ikzelf arriveerde een chique half uurtje later. Met respect werd ik bij binnenkomst door de collega’s begroet. Argeloos slingerde ik mijn fonkelende leipad op tafel terwijl ik mijn leifoon achter mijn rug omhoog gooide, mijn jas over de leuning van de stoel hing, ging zitten en toen de telefoon in het borstzakje van mijn overhemd op ving. Allemaal in één vloeiende beweging. 

Die acrobatiek werd natuurlijk als volkomen normaal beschouwd. Dit werd ik geacht te kunnen en was ik op geselecteerd. De voorzitter knikte wel even goedkeurend, maar dat had er meer mee te maken dat ik was gearriveerd. Hij gaf aan een collega aan de andere kant het teken om de presentatie te starten. Daarop stond de beste man op en drukte op een knopje op een paneel aan de muur. Er rolde een projectiescherm uit het plafond en de projector aan het plafond boven de tafel kwam tot leven. Echter, de beoogde beelden verschenen niet op het grote scherm. De collega drukte nog eens op wat andere knoppen, maar dat leverde geen verbetering op.

De man keek hulpeloos naar zijn collega’s om: “Eh, hij doet ’t niet”. Verbijsterde blikken. Wat nu? “Misschien moet je de projector gewoon even uit en weer aan zetten en het nog eens proberen”, opperde iemand. Er werd meteen instemmend geknikt. Zo gezegd zo gedaan, maar zonder het beoogde effect. Het scherm bleef verstoken van beeld. De man bij het knoppenpaneel streek nerveus door zijn haar. Toen ging er een licht bij hem op. Zijn gezicht klaarde op, waarop de andere heren hoopvol opveerden. Maar toen verzuchtte hij: “Ach, dat werkt natuurlijk ook niet”. De heren zonken weer in. 

De voorzitter bracht verlossing: “Ik stel voor dat we dit moment even benutten voor een korte koffiepauze en dat iemand even contact opneemt met de technische dienst”. Het was natuurlijk evident dat de projector niet naar behoren werkte en dat er maar even iemand moest komen. De man die de twijfelachtige eer was toebedeeld het projectiesysteem te beteugelen werd verwachtingsvol door de voorzitter aangekeken. Hij maakte gehoorzaam twee lenige backflips en trok in één beweging zijn telefoon, koos het nummer van de technische dienst (welke uiteraard onder een sneltoets zat) terwijl hij via een dubbele salto in zijn stoel sprong. 

De andere heren wandelden één voor één, met soepele, nonchalante tred naar de coffee corner om zichzelf te voorzien van een ristretto, capuchino, machiato of een doodgewone, maar desalniettemin acceptabele espresso. Even later kwamen de heren, met koffiekopje in de ene hand en al twitterende met de telefoon in de andere hand, de zaal weer binnendruppelen. Er kon gelukkig worden gemeld dat de technische dienst met succes kon worden gecontacteerd. Alles was onder controle. Er werd meteen opgeluchter adem gehaald. 

De opluchting ging acuut over in verbazing toen er een klein, spichtig vrouwtje met een streng klein brilletje op haar neus in uniform de zaal binnentrippelde. Ze deed me sterk denken aan juffrouw Mier. In haar hand droeg ze een kaart met een overzichtelijk ogend lijstje. Klaarblijkelijk de bedieningsinstructies voor het projectiesysteem. Ze las de eerste instructie met luide stem voor: “aan de muur bevindt zich een bedieningspaneel…”. De heren wezen haar behulpzaam in de juiste richting. “Aha”, zei het mensje en las de volgende instructie voor: “Schakel de installatie in met de rode knop”. Knop werd ingedrukt en wederom kwam alles tot leven. En zo liep het mensje alle instructies één voor één af en geschiedde er een wonder: Op het scherm verscheen het door ons zo vurig gewenste beeld.

Enigzins geirriteerd haalde het mensje haar schouders op en keek ons meewarig aan. “Als je precies de instructies volgt, dan werkt het gewoon”, zegt ze. De heren, mijzelf incluis, keken van schaamte naar hun glimmende schoenen. “Eh, waar kunnen wij die instructies vinden”, werd binnensmonds door een van de heren gevraagd. “Die zou hier op de tafel moeten liggen. Kijk, daar ligt ‘ie”. En toen trippelde juffrouw Mier van de technische dienst weer de zaal uit: “Tot uw dienst heren, goedemiddag”. Met stomheid geslagen schoven de heren weer aan de vergadertafel aan, terug op hun plaats. Belangrijk turende naar het schermpje van het eerste gadget binnen handbereik hervonden de mannen weer hun waardigheid en kon er gelukkig fijn verder worden gegaan met de orde van de dag. 

Koning Winter, ontwaak en regeer!

De ganzen trekken al weer naar het warme Zuiden. Al lijkt dat “al weer” dit jaar een beetje later dan normaal te vallen. De seizoenen zijn de kluts kwijt. Koning Winter ligt nog in zijn slaperige oogjes te wrijven terwijl Harrie Herfst nu eindelijk eens goed op stoom is gekomen. Harrie heeft nog veel te veel pret met zijn onstuimige stormen. Hij is nog lang niet uitgegierd. Laat die kille koning nog maar even lekker liggen, denkt Harrie. 

Op de achtergrond rekt Lotte Lente zich al wat uit. Af en toe valt haar mooie voetje uit haar bed en raakt de grond. Onmiddelijke schieten er overal scheuten uit de grond en hervatten madeliefjes hun bloei. Stiekem neuriet ze soezende slaapdeuntjes om Koning Winter lekker te laten doorslapen. Lotte popelt om uit haar roze hemelbed te mogen komen. Laat die kille Koning maar lekker in zijn nest liggen, denkt Lotte.

Maar Lotte moet het niet te warm maken, want anders wordt Sjoerd Zomer te vroeg wakker. Lotte en Harrie spannen daarom samen. Samen zijn ze een lekker stel. Als het weer te mooi dreigt te worden, mag Harrie van Lotte eens even fijn huishouden in het lage land. Door deze stiekeme verhouding tussen de Herfst en de Lente, komt Sjoerd steeds later. Sjoerd is een slappeling geworden. 

Koning Winter moet maar eens worden wakkergeschud. Het is tijd dat hij de seizoenen weer in het gareel brengt. Het is tijd om ons kikkerklimaat weer in zijn ijzige greep te nemen. Koning Winter! Kom met uw vorstelijke doch luie derrière uit uw nest en laat uw ijzige wetten weer gelden. Ons klimaat rommelt maar wat aan zonder uw bezielende leiding.

Democratie werkt niet in het weer. Het weer moet strak geregeerd worden. Koning Winter, beter was u een dictator. Neem uw diepgevroren scepter en zwaai Harrie ermee om zijn oren. Dek Lotte toe met een dikke laag sneeuw. Sleur die slappe Sjoerd weer terug naar zijn plek. Alle seizoenen weer op hun plaats en hou ze daar. Laat ons bibberen en beven, zodat we weer weten waar we aan toe zijn. 

Opleggerkonten beter benut

Hou in het verkeer rekening met harde windstoten, zei de anwb-er op de radio. Dus netjes de handen op 10 voor 2, vervolgde de man. Ik heb mijn handen tijdens het autorijden het liefst op 10 voor half 8. Af en toe schuiven mijn handen over het stuur naar boven, richting kwart over 9 als ze elkaars nabijheid even niet meer zo goed kunnen verdragen. Of omdat ze gewoon even verzet willen worden. Een beetje vergelijkbaar met de trucker die, omdat hij al ruim 10 minuten tegen dezelfde achterkant van een andere oplegger zit te kijken, in haalt. 

Truckers halen elkaar niet in omdat ze te langzaam gaan en ook niet omdat ze haast hebben. Ze hebben gewoon even een verzetje nodig. Ik kan me dat heel goed voorstellen. Op een gegeven moment ben je echt wel uitgegeken op de kont van je voorligger. Wat dat betreft worden de konten van opleggers totaal verkeerd benut. Die konten worden immers het meest bekeken door andere truckers. Daar zou je toch iets mee moeten kunnen doen om te voorkomen dat ze willen inhalen?  

Een eerste mogelijkheid is ervoor te zoren dat die kont waar hij naar zit te kijken, interessant blijft. Dus moet die kont er niet steeds hetzelfde uit blijven zien. Er moeten dus wisselende beelden en teksten op komen te staan. Geen bewegende beelden, want die leiden weer teveel af, maar beelden die elkaar om de zoveel minuten vervangen. En de informatie die erop komt te staan moet nuttig zijn voor de trucker die het leest. Bijvoorbeeld rond lunchtijd: “eerstvolgende restaurant op jouw route is bij afrit 38, 10 minuten rijden”. Geen teletekst, maar konttekst.

Een andere mogelijkheid is om aan de voorkant van iedere truck een camera te plaatsen waarvan de beelden op de kont van de oplegger komen te staan. Zo kan de trucker die naar die kont kijkt zien of het de moeite waard is om in te halen. Hierbij ontstaat een tunneleffect. Als er een hele sliert truckers achter elkaar rijdt, kan ook de achterste zien wat de voorste trucker ziet, want al die beelden worden van de voorste camera naar de achterste kont gestuurd. Dan hoeven ze dus ook nooit meer in te halen. Warempel, dat is gewoon het beste idee van Nederland! Ik schrijf me met deze uitvinding meteen in 😉 

Blauwe tanden

Bij blauwe tanden stel ik mij de tanden voor van Gargamel die eindelijk een mals smurfje aan het verschalken is. Om een of andere reden heeft iemand ook ooit eens bedacht dat je iets dat snoerloos met je telefoon of computer is verbonden ook met “blauwe tand” gelabeld moest worden. Dit v[blueinput demo]erhaal tik ik op een koddig klein toetsenbordje waar geen snoertje aan zit. Wel moest is er een speciale “app” voor op mijn tablet zetten en deze [blueinput demo] toestaan te wroeten in de ingewanden van mijn tablet. Ik lig er niet wakker van noch draai ik mijn hand ervoor om.

Die “app” is natuurlijk weer niet gratis, dus krijg [blueinput demo][blueinput demo]ik om de zoveel tekens te lezen dat ik hier bezig ben met een demo. En wat is een demo als er niet meer mensen van kunnen genieten? Zie nou [blueinput demo]toch eens wat een mooie lettertjes er onzichtbaar (alhoewel, soms meen [blueinput demo]ik een blauwige glinstering in de lucht te zien vanuit mijn ooghoeken) getransporteerd door de lucht die ik in en uit adem, op mijn blog verschijnen. Magisch toch? Wat mij betreft een geslaagde dem[blueinput demo]o. Ik denk dat ik maar tot aanschaf overga, of vinden jullie dat [blueinput demo] niet erg?

Otto ontmoet Knarf

“Scheer je toch weg! Schele ouwe Knarf!”, zei Otto quasikwaad tegen ongetwijfeld de lelijkste kater ter wereld. Het nogal fors uit de kluiten gewassen beest heeft een gitzwarte zwarte vacht en opzich schitterende groenblauwe ogen, maar hij loenst als een te ver doorgefokte Siamees. Bovendien mist het mormel het grootste gedeelte van zijn linker oor en heeft het een groot litteken dwars over zijn neus. Dat liep hij ooit eens op toen hij een volwassen buizerdmannetje ving. De buizerd beet zijn oor eraf en zette zijn grote klauw in Knarf’s neus. Het litteken loopt door tot de rechterkant van zijn bek, waardoor hij die niet meer helemaal kan sluiten. Hierdoor lijkt het alsof Knarf een ongure, scheve grijns op zijn bek heeft. De buizerd smaakte erg lekker, weet Knarf nog.

Otto de magiër is de enige mens die Knarf verdraagt. Dat is volkomen wederzijds. Otto en Knarf begrijpen elkaar op een soort onderbewuste, instinctieve manier. Hun eerste ontmoeting was in wat Otto “thuis” noemt. Knarf, dat was overduidelijk zijn naam, lag heel vanzelfsprekend in Otto’s favoriete, luie en enige stoel toen Otto ’s avonds thuis kwam. Otto begreep meteen dat hij een nieuwe stoel moest gaan zoeken. Deze stoel had Knarf zich toegeëigend. Otto had zijn schouders maar opgehaald en keek ook niet op van de enorme ravage in de keuken. Overal bloedspatten en veren. In het midden lag een half opgevreten karkas van een grote roofvogel. Een kat met gevoel voor spektakel, dacht Otto, precies het huisdier dat bij hem paste. 

Otto zette alle deuren en ramen van zijn huis open en liep weer naar de keuken. Hij ging wijdbeens staan en zorgde dat de kater hem kon zien. Hij haakte zijn vingers in elkaar en duwde zijn handen naar buiten, palmen naar voren. Zijn vingers knakten. Theatraal zwaaide hij toen zijn armen op zij, vingers gespreid. Plotseling begon het hard te waaien buiten. En omdat de ramen open stonden waaide het ook in huis. Otto liet de wind tot stormkracht toenemen. Ramen en deuren klapperden. De wind gierde door het huis. Natte bladeren waaiden naar binnen en begonnen om Otto heen te wervelen. Ook de veren werden door de steeds sneller draaiende wervelwind opgepakt. Even later was Otto helemaal verdwenen in een wilde, draaiende gierende wolk van troep. Otto maakte zich nóg kwader en ontlaadde het in de om hem heen draaiende wolk. Het effect was spektaculair. Er schoten heuse bliksemschichten uit zijn wolk en het begon naar ozon te ruiken in huis.

“Knarf!”, bulderde Otto boven het gegier uit, “sleep dat vieze, stinkende karkas naar buiten of ik rooster je levend!”. Hierop tilde Knarf zijn dikke lelijke kop op en keek Otto met een oprechte blik van respect  aan, in ieder geval met zijn rechter oog. Kennelijk was het het waaihoofd dat daar in de keuken stond te tieren, menens. Toch wilde Knarf wel eens weten hóeveel menens precies. Dus hij stond langzaam op, draaide zich om en plofte weer neer. Zijn grote lelijke kop weer tussen de poten en gewoon verder slapen. Otto werd woest en met een gigantische knal en flits zapte hij gericht naar Knarf. Deze slaakte een kreet waar een krolse puma jaloers op zou zijn geweest. Met zo’n vuile blik van totale minachting die alleen katten kunnen produceren, sjokte Knarf naar het buizerdkarkas en nam het in zijn grote bek. Nonchelant, en schijnbaar zonder moeite liep Knarf met de halve buizerd in zijn bek, tegen Otto’s razende storm in, naar buiten. 

Otto liet de woedende wervelwind nog eens goed door zijn huis razen. Het pikte al het vuil, maar ook rondslingerende sokken en een stapel oude kranten op. Otto richtte de wervelwind door de voordeur naar buiten, de nacht in en liet het los. De wind om het huis nam weer af en de vuilwolk viel uiteen. De bladeren en buizerdveren dwarrelden rustig neer. In huis was geen vuiltje meer te bekennen. Otto liet zijn grote handen met een laatste harde klap op elkaar komen, waarop alle ramen en deuren in één klap dichtsloegen. Knarf lag al weer op zijn stoel te ronken en is sindsdien bij Otto blijven wonen. In de vacht op zijn rug liep een nog nasmeulende kale zigzag-lijn waar Otto’s bliksem hem had geraakt. Wat een beest.