Maand: maart 2012

Tot op het bot

Geuren kunnen ineens herinneringen oproepen, maar pijnen blijkbaar ook. Zo werd ik ineens ruim 30 jaar terug in de tijd getrokken naar het moment waarop ik door een auto werd geschept. De klap zelf herinner ik me helemaal niet meer. Wel het moment dat ik ontdekte dat ik op straat lag. Iemand ondersteunde mijn hoofd en zei dat de ambulance zo zou komen. Iemand anders bracht een kussen voor onder mijn hoofd. Mijn been tintelde en kriebelde. Ik voelde er even aan en ontdekte een glibberige uitstulping halverwege mijn linker scheenbeen.

De dag ervoor had ik mijn verkeersdiploma gehaald op school. Daarom mocht ik helemaal alleen naar het zwembad fietsen. Trots was ik daar naartoe onderweg toen ik in tegenovergestelde richting ineens een vriendje zag fietsen. Hij zwaaide al van verre. Of ik ook naar het zwembad ging. Hij moest eerst zijn zwemspullen nog halen. Ik riep dat ik wel even mee wilde fietsen. Dat was goed. Ik gooide zonder om te kijken mijn stuur om. Het bejaarde echtpaar dat mij schepte is zich bijna doodgeschrokken. 

Mijn linker onderbeen was finaal doormidden. Het was een lelijke breuk dat met een metalen plaat gezet moest worden. Zestien dagen lag ik in het ziekenhuis. Na de eerste operatie hielden ze mijn been open voor observatie. Iedere dag moest de wond worden schoongemaakt. Vastgeplakte stukken watten en verband met gedroogd bloed moesten worden losgepeuterd. Dat deed iedere keer gemeen zeer. Ik heb het uitgeschreeuwd en mijn moeders hand blauw geknepen. Toen de artsen tevreden waren over het herstel mocht mijn been weer worden dichtgenaaid. In al die tijd dat mijn been open lag, hadden de huid en al het spierweefsel zich teruggetrokken.

Tijdens de tweede opratie moeten de chirurgen met grof geweld mijn spieren en vel weer om mijn kleine beentje gespannen hebben. Ik stel me voor dat ze eerst de hechtingsdraden hebben aangebracht en daarna mijn been als een strakke laars weer dichtsnoerden. Het voelde voor mij, toen ik uit de narcose kwam, alsof ze het hadden gedicht met een nietpistool. De huid zat zo strak dat ik al door de grond ging als je er te hard naar keek. Ik kreeg een kooi over mijn been, want het gewicht van de lakens van het ziekenhuisbed kon ik niet verdragen.

Het heeft me ongeveer een jaar gekost om weer helemaal te revalideren. Mijn linker scheenbeen heeft nog steeds een lelijk litteken over bijna de hele lengte. De breuklijn op het bot kan ik nog steeds exact aanwijzen. Dat gebied is altijd hypergevoelig gebleven. Ik kan er grote drukveranderingen in de atmosfeer mee voelen. Als je heel zacht met je vinger over het litteken aait voelt dat voor mij alsof je met je nagel over mijn scheenbot schraapt. Al bij het idee griezel ik. Ik vloek de hele wereld bij elkaar als ik even heel licht tegen bijvoorbeeld een tafelrand stoot met dat scheenbeen. Laat nu net dat stukje van mijn lijf het plan opgevat te hebben om er na 30 jaar de brui aan te geven en eens lekker geïrriteerd te reageren.

De huisarts denkt aan scheenbeenvliesontsteking (ook bekend als shinsplint). De fysiotherapeut meende dit hypergevoelige gebied op mijn linkerscheenbeen te moeten masseren. Ik werd er letterlijk misselijk van. Ik kon het nauwelijks verdragen. Dat gaat dus niet werken. Dit gaat alleen met voldoende rust genezen, is mij verteld. Lange wandelingen en file-rijden voorkomen. Dit soort kwaaltjes pakken fysiotherapeuten ook vaak aan met intaping. Maar omdat het gebied waarop het moet worden aangebracht zo ontzettend gevoelig is, kreeg ik eerst even een klein stukje opgeplakt. Het zit erop sinds gisteren en ik voel de hele tijd dat het er zit. Tot op het bot. 

Advertenties

Grote Lijnen

Denk grof
Alleen grote lijnen
Overzichtelijk
Laat de details maar
Sla alles plat
Alleen de essentie
Grote lijnen
Af op het doel
Rustige grote lijnen
Verfijning is verkleining
Vervelende verfijning
Wriemelende details
Problemen problemen
Gezeik en gezeur
Stil!
Het doet er niet toe
Zie het grote plaatje
De wereld moet plat
Simpel en eenvoudig
Kalme grote lijnen
Geen geneuzel
Geen gedoe
Mijn hemel

foto door Daphne Nankman

Gestrand in niemandsland

Met mijn laptop op mijn knieën zit ik op Arlanda Airport te wachten op mijn vlucht naar Luleå. Mijn billen lijken wel van blik. De stoelen in de vertrekhal zijn niet gemaakt voor de lange zit. Na een tijdje wil de stoel dat je oprot. Toch zit ik er al ruim een uur in. Ik verdrijf de tijd met het prachtige boek “Italiaanse Schoenen” van Henning Mankell dat ik op Schiphol, na de douane in een opwelling nog even snel heb gekocht. Onderweg naar Stockholm was ik er al in begonnen te lezen en het verhaal pakte me onmiddelijk. 

Het verhaal speelt zich voor een belangrijk gedeelte af in Härjedalen, een prachtige Zweedse provincie. Dezelfde provincie waar mijn gezin en ik pertinent iedere zomervakantie naartoe moeten. Ja, moeten. Het is er zo mooi dat je er nooit genoeg van krijgt. Mankell’s aangrijpende boek speelt er zich af in de bittere winter en is vervuld van bitterheid, eenzaamheid en de dood. Het pakt me deste sterker omdat ik het landschap waar het zich afspeelt zo duidelijk voor me kan zien, alleen dan in het wit. Ik zie het eigenlijk altijd in het groen. Zo’n scherp contrast: groen tegen wit, leven tegen dood, warm tegen koud.

Mankell heeft het in het boek over een bosven dat zo zwart is als inkt. Het lijkt geen bodem te hebben en alles dat erin leeft moet zelf ook zwart zijn, zo schrijft hij. In zijn typische stijl van korte zinnen met eenvoudige woorden maar vol betekenis. Elke zin is precies afgemeten. Hij inspireert me. Ik neem me voor om de bosven op te zoeken in de volgende vakantie. Het ligt aan het einde van een houthakkersweggetje in de buurt van een berg met de prachtige naam: Aftonlöten. Alleen al vanwege de naam van de berg wil ik er heen. 

Ik ben nu op zakenreis naar Luleå, maar ik ben blijven steken op de luchthaven van Stockholm. Het komt allemaal door mijn bagage. Ik reis erg licht met mijn laptoprugtas met de essentiële gadgets en een klein sporttasje met kleding en de nodige toiletartikelen. Dat sporttasje moest ik op Schiphol inchecken van een vriendelijk glimlachende, hemelsblauw gemantelpakte tuttebel. Het woog toch echt maar 5 kilo. In het vliegtuig begreep ik waarom. Het zat bomvol. Toch had ik voet bij stuk moeten houden, want dan was ik namelijk niet gestrand in Niemandsland.

Na het inchecken van mijn sporttasje, kreeg ik een bewijsje waarop ik las dat mijn bagage automatisch door zou worden getransfeurd naar Luleå. Dat leek me dan wel weer handig en ik maakte me er maar niet meer druk om. Boven de wolken las ik mijn boek onder het genot van een muffe KLM-sandwich en een kop koffie. Op Stockholm liep ik rustig van de ene kant van het vliegveld naar de andere kant en checkte in voor mijn doorreis naar Luleå. Lekker op tijd belde ik mijn collega maar eens op die al een dag eerder naar Luleå was gereisd. We besloten om nog wat te gaan stappen in Luleå en stemden een tijd af. “Ik moet nog wel eerst mijn bagage ophalen”, zei ik, “dus het duurt ietsje langer dan”.

“Hoezo heb je je bagage dan ingecheckt?”, vroeg mijn collega toen bezorgd. In zijn ervaring kon mijn bagage namelijk niet automatisch worden getransfeurd naar Luleå: “Ik zou het voor de zekerheid maar even uitzoeken”, was zijn advies. En dat heb ik gedaan. Resultaat: mijn sporttas en ik werden gelukkig herenigd, maar mijn vliegtuig naar Luleå was gevlogen. Zonder mij. Ik kon kiezen uit twee alternatieve vluchten. Ik moest er sowieso een nieuw ticket voor kopen. De eerste vertrok over anderhalf uur en de tweede over 4 uur. Het prijsverschil was ongeveer even groot als het verschil in wachttijd. Nederlands calvinisme in volle glorie: ik koos het goedkoopste alternatief en 4 uur wachten op een vliegveld.

Ik ga maar alvast langs customs en struin wat langs de taxfree shops. Er is niets te koop dat ik wil hebben. Ik hang even aan een koffiebar, maar het is er niet gezellig. Voorbij customs beland je in Niemandsland. Het land dat van niemand is en waar iedereen niemand is. Dus het is het land van iedereen. Ik claim er even mijn stukje van. Mijn kont op een harde stoel en mijn voeten op mijn tas. Laptop op schoot en even lekker de tijd wegbloggen. En voor ik het weet mag ik boarden. Het is een avondvlucht. De zon is al mijlen voorbij de horizon. Of ik een isle of een window seat wilde, vroeg de SAS-dame toen ze de nieuwe ticket voor me maakte. Ik nam zonder na te denken de window seat. Principieel heb ik door het raampje naar buiten getuurd. Helaas, geen poollicht gespot.

Voor de spiegel

Samen met papa naar de kapper. Ze had zich er al de hele week op verheugd, mijn kleine kattekopje (inderdaad, zonder ‘n’). Ze is ook mijn kleine meid en mijn enige dochter. Een heerlijk pittig ding. We hebben een echte haat-liefde-relatie, zoals vaders en dochters vaker hebben. Zo klein als ze is weet ze al precies waar mijn gevoelige snaartjes zitten. Dus we zitten regelmatig, tot grote ergernis van mijn vrouw, te kibbelen.

Maar vanmiddag dus niet. Na mijn werk haalde ik haar op van de BSO om samen naar de kapper te gaan. We hadden het allebei hard nodig. Zij, een prachtige meid met blonde staartjes tot zo’n beetje haar billen. Ik, een fitte 40plusser met een verwilderde bos grijzende, donkerbruine krullen. Samen fietsten we naar de kapper. Grote zwarte herenfiets naast roze K3-fietsje. Pure liefde.

Zij mocht eerst, ik moest nog eventjes wachten. “Het mag een heel stuk korter, tot op mijn schouders”, zei mijn kleine meid dapper. En even later vielen er stukken blond haar van zeker 12 centimeter op de grond. “Allemaal dooie punten hoor”, zei de kapster geruststellend. “Ja, het is iedere ochtend weer een heel gevecht. Tot in de puntjes” , zei ik gevat. Via de spiegel keek mijn dochter me quasiboos aan en zuchtte overdreven. 

Even later mocht ik in de stoel naast haar klimmen en konden we samen roddelen. Maar zij roddelde liever met de kapster. Over haar rare vader, gewoon waar ik dus bij zat. “Mijn papa is al heel erg oud”, hoorde ik haar ineens giegelend uitkramen, “want hij heeft al grijze haren”. En toen de kapster nieuwsgierig informeerde hoe oud dan precies, wist de hele kapsalon dus dat ik maar liefst 41 jaar oud ben. Zij is dan ook nog maar 6 en dus heeft ze gelijk dat ik heel erg oud ben. Relativeren moet ze nog leren. 

Gelukkig zei mijn barbier – en zelf vader van een dochter van 9 die weer bij mijn zoon van 9 in de klas zit – dat hij wenste dat hij zo mooi grijs wordt als ik. Daarna vergeleek hij mijn grijze haar in één adem ook nog even met dat van Richard Gere en die meneer van de Nespresso-reklame. Die kapsalon heeft er dus écht wel een terugkerende klant bij. En mijn kleine poppetje stond zich tevreden te bewonderen in de spiegel en lachte haar allerliefste lach naar mij. Mijn middag kon niet meer stuk.

Hyperonopvallendheid

Het licht gaat uit en de rolluiken voor de winkelingang rollen met zacht gebrom naar beneden. Gerda legt de kleurstalen die de winkelbediende over haar schouder had gelegd opzij en staat op van de hippe tweezitter waar ze zich rond de middag op had neergevleid. Zelfs op dit knalroze bankje dat heel prominent en pal voor de ingang van de winkel staat, viel ze niet op. En dat is Gerda ten voeten uit: onopvallend. Nee, onopvallendheid is alleen nog maar het gebrek aan opvallendheid. Gerda is hyperonopvallend.

Gerda is zo onopvallend dat in haar aanwezigheid dingen die normaal niemand opvallen, ineens door iedereen gezien worden. Het verklaart onder andere dat het minieme weeffoutje in de bekleding van het bankje waar ze net van was opgestaan, tot ontsteltenis van de verkoper, door tientallen mensen onmiddelijk werd gespot. Ondanks haar lichtblauwe legging en haar okergele houtje-touwtje-jas had niemand Gerda opgemerkt. Ze veegt haar lange, sluike, peper-en-zout-haren naar achteren, zodat het niet meer voor haar ogen hangt en loopt naar de roltrappen.

Gerda krijgt er een enorme kick van om na sluitingstijd in verlaten winkelpanden te lopen. Het is het soort hobby dat je automatisch krijgt als je aan hyperonopvallendheid lijdt. Niemand belet haar. Ze doet het omdat ze het kan. Op blote voeten beklimt ze de metalen treden van de slapende roltrap. Op de verdieping waar ze nu uitkomt is het een stuk lichter, wat komt door de grote galerij met de gigantische glazen wand aan de voorzijde van de winkel. Gerda loopt naar de galerij en drukt haar neus tegen het glas. Beneden op straat is het uitgaansleven van de stad op gang aan het komen. Op het plein lopen overal mensen. Niemand ziet Gerda over de gallerij huppelen.

Niemand ziet Gerda klauteren in de grote klimboom in de apenkooi waar winkelende ouders hun kinders kunnen stallen terwijl zij zelf een nieuw interieurtje uitzoeken. Even later glijdt Gerda met een zacht gilletje van plezier naar beneden over de superglijbaan die door de halve winkel spiraalt. Ze landt met een hoop kabaal midden in de grote ballenbak. Proestend van het lachen komt ze weer boven ballen. Nog steeds grinnikend klimt ze weer uit de ballenbak en loopt weer naar het grote raam. Plotseling is haar vrolijkheid verdwenen. Niemand ziet haar daar staan. Niemand.

Van steeds minder harte

Zou mijn telefoon dat nou ook hebben, dat ‘ie steeds minder zin in de dingen krijgt naarmate de batterij leger raakt? En als de benzine-tank bijna leeg is, zou de auto dan ook minder gedreven zijn? Zou een klok de wijzers met steeds meer tegenzin draaien naarmate de spanning uit de veer raakt of naarmate de gewichten steeds verder onderin de kast hangen?

Dooie apparaten voelen er natuurlijk niks bij. Opeens is de energie op en komen ze tot stilstand. Het leven is er dan ook meteen helemaal uit. En als je er weer energie in stopt, komen ze weer tot leven. Zonder energie geen leven. Zonder leven geen energie. Dat geldt althans voor mensen. Als je leven rot is, is je energie ook rot. Gelukkige mensen hebben meer energie dan depressieve mensen. Hoe meer energie een mens heeft en over heeft, van hoe meer harte de dingen kunnen worden gedaan.

En als je batterijtje te hard leegloopt omdat je energie verspilt aan het voorbij lopen van jezelf, gaan de dingen dus van steeds minder harte. Van volhartigheid, naar minderhartigheid. Bij halfhartigheid zou je eigenlijk al moeten gaan nadenken over het waarom daarvan, maar in de praktijk doe ik dat pas onder kwarthartigheid. Net als met de benzinetank van de auto. Als t’ie meer dan driekwart leeg is moet ik op zoek naar een tankstation. Als mijn telefoon driekwart leeg is als ik pas halverwege de dag ben ga ik op zoek naar een stopcontact. Alles draait om energie. Misschien moest ik maar eens wat minder bellen en autorijden.

Ambiversie

Ik verkeer graag in gezelschap
Maar ben ook graag alleen
Dan keer ik diep naar binnen
En even gemakkelijk flap ik uit
Spraakwater stroomt van mijn lippen
Vol ongegronde uitspraken
Mijn hart ligt op mijn tong
Mijn ziel ligt in stiller water
Soms wil ik alleen maar zijn
Voor diepe gedachten
Twee versies van mezelf
Dan een praatgrage zwijger
Dan een gezellige individualist