Het licht gaat uit en de rolluiken voor de winkelingang rollen met zacht gebrom naar beneden. Gerda legt de kleurstalen die de winkelbediende over haar schouder had gelegd opzij en staat op van de hippe tweezitter waar ze zich rond de middag op had neergevleid. Zelfs op dit knalroze bankje dat heel prominent en pal voor de ingang van de winkel staat, viel ze niet op. En dat is Gerda ten voeten uit: onopvallend. Nee, onopvallendheid is alleen nog maar het gebrek aan opvallendheid. Gerda is hyperonopvallend.

Gerda is zo onopvallend dat in haar aanwezigheid dingen die normaal niemand opvallen, ineens door iedereen gezien worden. Het verklaart onder andere dat het minieme weeffoutje in de bekleding van het bankje waar ze net van was opgestaan, tot ontsteltenis van de verkoper, door tientallen mensen onmiddelijk werd gespot. Ondanks haar lichtblauwe legging en haar okergele houtje-touwtje-jas had niemand Gerda opgemerkt. Ze veegt haar lange, sluike, peper-en-zout-haren naar achteren, zodat het niet meer voor haar ogen hangt en loopt naar de roltrappen.

Gerda krijgt er een enorme kick van om na sluitingstijd in verlaten winkelpanden te lopen. Het is het soort hobby dat je automatisch krijgt als je aan hyperonopvallendheid lijdt. Niemand belet haar. Ze doet het omdat ze het kan. Op blote voeten beklimt ze de metalen treden van de slapende roltrap. Op de verdieping waar ze nu uitkomt is het een stuk lichter, wat komt door de grote galerij met de gigantische glazen wand aan de voorzijde van de winkel. Gerda loopt naar de galerij en drukt haar neus tegen het glas. Beneden op straat is het uitgaansleven van de stad op gang aan het komen. Op het plein lopen overal mensen. Niemand ziet Gerda over de gallerij huppelen.

Niemand ziet Gerda klauteren in de grote klimboom in de apenkooi waar winkelende ouders hun kinders kunnen stallen terwijl zij zelf een nieuw interieurtje uitzoeken. Even later glijdt Gerda met een zacht gilletje van plezier naar beneden over de superglijbaan die door de halve winkel spiraalt. Ze landt met een hoop kabaal midden in de grote ballenbak. Proestend van het lachen komt ze weer boven ballen. Nog steeds grinnikend klimt ze weer uit de ballenbak en loopt weer naar het grote raam. Plotseling is haar vrolijkheid verdwenen. Niemand ziet haar daar staan. Niemand.

Advertenties