Maand: april 2012

De verwarring

In het trappenhuis van de parkeergarage liep een oude vrouw me voor de voeten terwijl ik me van de 6e etage naar beneden probeerde te haasten. De vrouw leek bij iedere stap te moeten nadenken welke voet ze nu op de volgende trede ging zetten. Het ging op een nogal dood akkertje. Hoewel ik haast had, bleef ik toch maar geduldig.

Opeens draaide de vrouw haar gezicht naar me toe en keek me verbijsterd aan. Ze zei, op ietwat geërgerde toon: ” ’t Is hier toch wél licht hè meneer?”. Ik keek haar een beetje meewarig aan – althans, dat denk ik, maar ik kon mijn eigen gezicht natuurlijk niet zien – en opende en sloot mijn mond. De vrouw had haar gezicht al weer naar beneden gewend en strompelde maar weer verder naar beneden. Ik dacht: “Hoezo licht?” en: “Waarom toch wél?”. Ik begreep de hele vraag niet. Ik kon er ook alleen maar “ja” op antwoorden, want het trappenhuis baadde in zonlicht dat door grote ramen naar binnen viel. Wat wilde het mens toch van me met die vraag.

Toch moest ik iets terug zeggen. De vrouw was duidelijk een beetje in de war. Ineens vroeg ik me ook af of ze misschien hulp nodig had. Wat moest een oude, verwarde vrouw op de 6e etage van een parkeergarage? Oude verwarde mensen horen in verzorgingstehuizen. Misschien was deze mogelijk dementerende vrouw wel uit haar tehuis ontsnapt en in haar verwarde beleving naar haar werk gegaan. Ik moest dus iets doen. Even overwoog ik om terug naar boven te rennen om te kijken of haar verplegers daar misschien nog liepen te zoeken, maar ik kon deze mevrouw maar beter niet alleen laten.

Deze hele gedachtengang duurde hooguit 2 seconden, maar voelde heel weloverwogen aan en ik besloot om het enige juiste te doen. Ik ging mee in het verwarde wereldbeeld van de vrouw, opdat ik haar er misschien toe zou kunnen bewegen om naar het verzorgingstehuis terug te gaan of om op zijn minst mee naar het politiebureau te gaan. Dus ik zei: “Ja, het is hier wél licht ja”. De mevrouw draaide zich terstonds om en glimlachtte vriendelijk: “Nee, een lift! Weet u misschien waar de lift is, want naar beneden lopen gaat nog wel, maar naar boven niet hoor!”. Daar viel mijn hele analyse aan diggelen. Verdwaasd keek en wees ik vagelijk in de richting van de achterzijde van de parkeergarage. “Aan de achterkant, maar dat is een aardig eind lopen hoor”, mompelde ik. Hoofdschuddend vervolgde de vrouw haar moeizame afdaling. “Wat een verwarde vogel”, moet ze hebben gedacht.

Wurzel (sprookje met een knipoog)

Net als de meeste mannen in het kleine stadje werkte Hans zich krom in de glasfabriek. Van het geld dat hij verdiende kon hij zich zelf en zijn lieve vrouw Grietje maar net onderhouden. Grietje was bovendien zwanger. Het kind dat in haar groeide maakte dat de maaltijden steeds minder toereikend werden. Hans wachtte iedere maaltijd tot Grietje verzadigd was en at dan zelf wat er nog over was. Dat werd iedere dag minder en minder.

Hans en Grietje woonden in een sober flatje met een heel klein balkonnetje dat uitkeek over het weelderige landgoed van Baron von Gönthel, eigenaar van zo’n beetje alles in het stadje, en zo dus ook de glasfabriek waar Hans werkte. De Baron was zeer machtig en werd door iedereen gevreesd vanwege zijn legendarische en duistere magische krachten waarvan men zei dat deze steeds van zoon tot zoon werden doorgegeven. Misschien was het een legende die de Baron zelf had gecreëerd, maar dat durfde niemand hardop te beweren. Uit angst voor zijn toorn.

De Baron was bitter en boosaardig, wat men weet aan het feit dat zijn vrouw hem enkel dochters had geschonken, en geen zoon. Zeven dochters in totaal. Ieder van hen bloedmooi, zoals hun moeder die na de geboorte van de zevende dochter plotseling aan een mysterieuze ziekte was overleden . En hoewel de dochters geen van allen de magische krachten van hun vader hadden geërfd, hadden ze allen wel zijn boosaardige en wrede karakter geërfd. Daarom zette de Baron ze in om zijn fabrieken te leiden. Ze genoten zijn volledige vertrouwen en voerden zijn wil uit met welliswaar prachtig gemanicuurde, maar ijzeren hand.

Op een avond, na het eten stond Grietje met een tergend rammelende maag op hun kleine balkonnetje, weemoedig te turen over de tuinen van de Baron. Heerlijke geuren dreven uit de tuin omhoog. Grietje snoof de geuren gretig op. Omdat ze zwanger was was haar reukvermogen sterk vergroot. De baby in haar buik wilde meer. Het had meer nodig om te groeien. Plotseling kreeg Grietje ontzettend veel zin in worteltjes. Ze rook zelfs de geur van worteltjes. Ze keek naar beneden en direct onder haar zag ze in de uitgestrekte landerijen van de Baron een veld vol met wortels. “Hans”, riep ze hees, “Hans, ik móet wortels eten of ik besterf het!”. 

Hans hield zielsveel van Grietje en wilde haar niet verliezen. Uit angst dat dat zou gebeuren besloot hij om diezelfde nacht nog worteltjes voor zijn vrouw te gaan plukken van het landgoed van de Baron. Het landgoed was omringd door hoge muren maar het lukte Hans om er overheen te klimmen via de weelderige wilde wingerds die tegen de muur groeiden. Hans plukte een handvol wortels en bracht ze naar Grietje die er een heerlijke hutspot van bereidde die ze gretig op at. Waar Hans al voor vreesde, smaakte het Grietje naar meer, en zo kwam het dat Hans iedere avond heimelijk over de muur van de Baron klauterde om worteltjes voor Grietje te stelen. Zijn angst om Grietje te verliezen was groter dan de angst voor de Baron.

Op een avond, toen Hans net een grote zak worteltjes had gerooid en hij net weer terug naar huis wilde gaan, hoorde hij naderende voetstappen. Snel rende hij weg, maar het was te laat. Voor hem doemde ineens de duistere gedaante van Baron von Gönthel op. Nu was het met hem gedaan, dacht Hans. Maar de Baron vroeg Hans slechts met rustige stem: “Beste man, waarom steel jij mijn heerljke worteltjes?”. En Hans legde uit dat hij ze nodig had voor zijn hoogzwangere vrouw, opdat ze niet dood zou gaan. Tot zijn verbazing keek de Baron hem vriendelijk aan en zei: “Een zeer goed doel voor mijn worteltjes. Neem daarom gerust zoveel als je nodig hebt. Je hebt mijn toestemming, maar….”, en plotseling begon het te waaien en de Baron vervolgde bijna fluisterend: “…maar op één voorwaarde!”. Bevend knikte Hans met zijn hoofd. “In ruil voor mijn wortels moeten jullie je kind aan mij afstaan als het wordt geboren. Ik zal voor hem zorgen als ware hij mijn bloedeigen zoon”. Hans knikte zwijgend en rende snel weg en hoopte dat de Baron het zou vergeten, maar de Baron riep hem na: “Denk eraan! Je eerstgeborene is van mij! Ik vergeet het niet”

Hans was al lang blij dat hij nog leefde en vertelde Grietje over zijn ontmoeting met de Baron. Grietje was erg geschrokken maar ze dacht dat de Baron, die het toch erg druk had, het wel zou vergeten. Maar de Baron vergat het niet. Op de dag van de geboorte klopte hij bij Hans en Grietje aan. “Ik kom mijn zoon halen en ik noem hem Wurzel”, zei hij. Grietje stierf van verdriet om het verlies van haar prachtige zoon. Wat er met Hans gebeurde weet niemand. De Baron hield zich wel aan zijn belofte dat hij Wurzel zou opvoeden als ware het zijn eigen zoon. Het ontbrak Wurzel aan niets en hij groeide uit tot een charismatische en sterke jongeman met een buitengewoon lange bos rode dreadlocks dat op zijn twaalfde al tot aan zijn enkels kwam. 

Wurzel respecteerde zijn machtige vader, maar hun karakters botsten. Wurzel was waarschijnlijk de enige in het stadje die de Baron durfde tegen te spreken. Wurzel was niet bang voor de Baron. Daarom sloot de Baron Wurzel op in een hoge toren met enkel één venster en geen deuren zodat Wurzel niet kon ontsnappen en niet met andere mensen kon praten. De toren stond  ver weg van het stadje, midden in een uitgestrekt woud. De enige met wie Wurzel mocht spreken was de Baron zelf die iedere ochtend aan de voet van de toren kwam staan om Wurzel voedsel en drank te brengen en riep dan: 

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

En Wurzel gooide zijn machtige trossen vette dreadlocks naar beneden en liet de Baron er langs naar boven klimmen. Zo had Wurzel tenminste nog enige aanspraak. Hij verachtte de Baron, maar hij was van de Baron afhankelijk. Wurzel bracht verder zijn tijd door met het bespelen van zijn Djembé, wat je van heinde en verre kon horen. 

Op een dag wandelde er een beeldschone prinses door het woud dat grensde aan het land van haar vader. Ze hoorde het geluid van Wurzel’s Djembé en merkte dat haar voeten begonnen te dansen op het opzwepende ritme. Nog nooit had ze zich zo heerlijk gevoeld. Ze moest de bespeler van de Djembé ontmoeten en daarom ging ze op zoek. Al snel ontdekte ze de hoge toren met het enkele raampje en zag Wurzel’s gespierde lijf in de opening ervan zitten. Ze werd op slag verliefd. 

De prinses probeerde die avond een ingang in de toren te vinden maar vond er geen. Maar op een dag zag ze de Baron naar de toren lopen. Hij zag niet dat de prinses hem volgde en bespiedde toen hij riep:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

Zoals altijd deed Wurzel dat en de Baron kon naar boven klimmen. Diezelfde avond nog sloop de mooie prinses naar de voet van de toren en riep voorzichtig:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

En jawel, daar vielen Wurzel’s geurende dreadlocks al naar beneden. Wurzel vroeg zich al af waarom de Baron voor een tweede keer kwam die dag en waarom zijn stem zo vreemd klonk. En zijn verbazing was kompleet toen er een beeldschone vrouw door het venster naarbinnen klom. Ook Wurzel was op slag verliefd. De prinses wilde hem ontvoeren, maar hoe kon Wurzel uit de toren ontsnappen? De prinses wist raad. Ze zou iedere dag een zakdoekje bij Wurzel achterlaten die hij dan aan elkaar moest naaien om er een parachute van te maken. Zo gezegd, zo gedaan. Vanaf die dag kwam de prinses iedere avond dansen op Wurzel’s opzwepende Djembémuziek en liet een zakdoekje bij hem achter. Het liep allemaal volgens plan. De parachute was al bijna klaar.

Maar op een dag, toen de Baron hem weer te eten kwam brengen versprak Wurzel zich toen hij vond dat de Baron toch wel erg zwaar aan zijn dreadlocks hing in vergelijking met de mooie prinses. Hij klaagde: “Ach Baron, hoe komt het dat u toch zoveel zwaarder aan mijn dreadlocks hangt dan mijn lieftallige prinses?”. De Baron was des Duivels toen hij dit hoorde. “Jij slechte jongen!”, briestte de Baron. Hij trok zijn grote kromzwaard en met één houw, hakte hij de gigantische trossen dreadlocks van Wurzel’s hoofd en sprak een duistere bezwering uit. Wurzel viel in slaap en werd wakker in een dorre woestijn, zonder eten of drinken.

De Baron knoopte Wurzel’s dreadlocks vast aan een haak onder het venster en wachtte de prinses op in de toren. Hij gooide ze naar beneden toen hij haar hoorde roepen:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

De prinses klom haastig langs haar geliefde dreadlocks omhoog en kwam oog in oog te staan met de boosaardige Baron. “Je drummertje is gevlogen! Je ziet je mannetje nooit meer terug. “, gilde de Baron terwijl hij dreigend zwaaiend met zijn grote kromzwaard op haar af liep. Wanhopig dook de prinses uit het raam. Doornstruiken braken haar val maar bekrasten haar prachtige gezicht en staken in haar beide ogen zodat ze blind werd. Ze zwierf jarenlang, door niemand herkend rond tot ze op een dag terecht kwam in de dorre woestijn waar Wurzel had weten te overleven en waar hij een eenvoudige hut had gebouwd en zelfs een djembé had gemaakt.

Ze hoorde ineens een bekend ritme en haar voeten begonnen vanzelf ritmisch te bewegen in de richting van het geluid. Wurzel zag haar en herkende haar aan haar mooie voeten en haar prachtige dansbewegingen. Huilend van geluk rende hij naar haar toe en nam haar in zijn sterke armen. Toen zijn tranen op haar gezicht vielen genazen haar ogen en kon ze weer zien. Samen reisden ze naar het land van haar vader, trouwden en leefden nog lang en gelukkig. 

Einde

Liever oppervlakkig volmaakt dan diep tevreden

Pukkels, zwetende oksels, gelige tanden, grijze haren, rimpels, kaalheid. Zomaar een aantal heel normale dingen die ons allemaal kunnen overkomen. Het zijn dingen die we als onvolkomenheden zijn gaan zien en voelen, dingen waarvan we zijn gaan geloven dat we ze dienen te voorkomen en als dat niet lukt, maskeren. 

Voor elk van deze “onvolkomenheden” zijn legio middeltjes te koop om het te maskeren. De reklame’s op televisies laten ons schaamteloos geloven dat je een strak gezicht met stralende, witte tanden moet hebben, een weelderige, glanzende haardos op je hoofd moet hebben en heerlijk fris moet ruiken om succesvol in het leven te kunnen zijn.

Het meest tragische hieraan is nog wel dat het een self fulfilling prophecy is geworden. We zien in reklame’s dat mooie mensen succes hebben. Kale zwetende mannen bereiken niks. Pubers worden bestookt met reklame’s voor anti-acné-middeltjes omdat pukkelkoppen niet op coole feesten uitgenodigd worden. Met een hagelwit gebit mag je rekenen op de volle aandacht van andere mooie mensen. Met een dof gebit ben je niemand. Alleen met glanzend haar ben je echt vrij. Met dof haar moet je je verstoppen.

We worden dagelijks herhaaldelijk doodgegooid met perfecte mensen. Mensen die niet echt bestaan. Mensen die vooral stralen aan de oppervlakte. Gehersenspoeld door de media verspillen we geld aan middeltjes die ons helemaal niet gelukkiger of meer succesvol maken. Ik weet het, het is een supercliché, maar echte schoonheid zit van binnen. Iemand met een slecht zelfbeeld zit inderdaad ook niet lekker in zijn of haar vel. Volgens de reklame’s hoeven we onze onvolkomenheden alleen maar te maskeren en het geluk lacht ons vanzelf weer toe. Zo gemakkelijk en zo verleidelijk. We zijn liever oppervlakkig volmaakt, dan diep tevreden.

 

Snot, verbazing en ergernis

Met mijn kleine ventje aan de hand stapte ik in peutertempo naar de ingang van de dorpsdrogist. Een vriendelijke oude grijsaard stond voor de ingang op zijn stok te leunen. De oude man hoestte een piepende en reutelende oudemannenhoest. Vriendelijk glimlachend liet hij mij en mijn peuter, die mij er even op wees dat hij hier altijd een snoepje krijgt, voor. 

Binnen bestelde ik bij de kassa een doosje kinderparacetamolletjes en een flesje kinderneusspray. Dat is hard nodig, want er lopen ettelijke kleine en grote snotneuzen rond bij ons thuis. Pa en ma vliegen de hele dag af en aan met lotiontissues om de geelgroene snottebellen weg te poetsen. Toen ik had afgerekend stelde de drogiste de geijkte domme vraag aan mijn snotterpeuter: lus jij ook een snoepje? Nou en of natuurlijk.

Intussen was het oude heerschap ook binnen komen hobbelen en was nu aan de beurt. “Goedemorgen meneer, kan ik u helpen?”, riep de drogiste luid. Tot mijn dubbele verbazing vroeg de op zijn minst 80-plusser of ze even een pasfoto wilde maken voor de verlenging van zijn rijbewijs. Ten eerste wist ik niet dat de drogist tegenwoordig ook fotograaf was. Waarschijnlijk was dat altijd al zo en wist ik het niet. Wel handig, want ik reed voor pasfoto’s altijd een dorpje verderop. Maar ten tweede verbaasde ik me er hogelijk over dat deze man nog kan autorijden. 

Mobiele bejaarden. Je ziet ze regelmatig rijden. Bedaard kachelend over de binnenwegen. De snelwegen mijden ze gelukkig zoveel mogelijk. Ze nemen hun tijd bij de kruispunten. Ongeduldige drammertjes (zoals ik) laten ze rustig in hun eigen sopjes gaar smoren. Allemaal zinloos gehaast. Ooit waren ze zelf ook jong en onbezonnen. Het gaat vanzelf wel over in berusting. Zij kunnen het weten. Maar ík wil het nog niet weten. Aan de kant opa, want ik wil er met mijn onbezonnen woestenij tóch erg graag voorbij. Ouwe lullen achter het stuur. Levensgevaarlijk. Toch?

Koot en Bie, nu zelf al aardig bejaard, dachten er vroeger in ieder geval net zo over.