Maand: mei 2012

Bloggers zijn orgeldraaiers

Een blogger moet je vergelijken met een orgeldraaier die zijn eigen noten componeert. Hij staat met vele andere orgeldraaiers op een druk plein of in een drukke stationshal. Hij wedijvert met de andere draaiers door brute creativiteit. Hij gaat zelfs tussen de kijkers van de andere orgeldraaiers staan en geeft pedante adviezen en complimenten of maakt gevatte grapjes over de muziek van de ander. In de hoop dat het publiek denkt: “Poeh-poeh, die is leuk, laat ik eens naar zijn stekkie gaan om te horen hoe interessant hij is”.  

Die orgeldraaiers zijn stuk voor stuk ijdele bedelaars. Ontvangen waardering worden vriendelijk beantwoord met een knipoog en een grijns. Ze bewaren alle complimenten. Ze prijken op hun hoeden. Ze tellen alle kijkers en stoppen die in hun blinkende centenbakjes, om mee te rammeleuren. Op de maat van hun verwoede noten. Hoor nou toch hoe goed ik bekeken ben! 

In werkelijkheid luisteren vooral orgeldraaiers naar orgeldraaiers. Ze delen elkaars passie. Ze begrijpen en steunen elkaar. Ze moedigen elkaar aan en dagen elkaar uit. Ze tillen je zelfs weer uit je graf als je jezelf dood waant. Ze weten allemaal dat je het voor een goedgevulde centenbak niet moet doen. Van orgeldraaien wordt je niet rijk. Maar wel vrij. Orgelnoten componeren doe je vooral voor jezelf. Omdat je jezelf erin kwijt kunt. Nee, kwijt móet.   

Uitgerukte onschuld

Als ik de “krant” (nu.nl) lees, dan snel ik de kopjes. En dit springt er vandaag voor mij meteen uit: 

Mexicaanse vrouw rukt ogen eigen kind uit

Het staat in het lijstje van meest gelezen artikelen, dus ik ben niet de enige die dit sensationeel vindt. Ik vraag me af of het echt gebeurd is, maar alleen al het idee is verschrikkelijk. Kijk, kinderen opvoeden kan soms best lastig zijn. Kinderen hebben eigen willetjes en willen graag weten waarom ze iets moeten doen. En als ze het niet begrijpen, dan willen ze ook niet meewerken.

Mijn kinderen vragen ook bij alles: “Waarom?”. En met een “Omdat ik het zeg”, kom ik meestal niet weg hoor. Helemaal als ik er even snel iets doorheen wil drukken, worden de hakjes resoluut in het zand gestampt. En, toegegeven (wat ik op het moment dat ik mijn wil door de strotjes van mijn kindjes wil douwen nooit doe), ze hebben gewoon gelijk.

Als ik ze van te voren uitleg wat ik van plan ben en wat ik van hen verwacht, kan ik op veel meer medewerking rekenen. Helemaal als ik ook even naar hun ideeën luister en rekening hou met hun wensen. Kinderen zijn net mensen. En als het om kinderachtigheid gaat, kunnen kinderen zelfs nog wat leren van volwassen mensen. 

Ik probeer me voor te stellen hoe dat gegaan moet zijn bij die mexicaanse moeder. In het nieuwsbericht staat dat ze het kind de oogjes uitrukte toen het niet zijn oogjes wilde sluiten voor een of andere rituele ceremonie. Dat is toch te ziek om waar te zijn, en daarom zal het wel echtgebeurd zijn. Het arme kind begreep er vast helemaal niets van waarom het zijn oogjes dicht moest doen. Er gebeuren allemaal spannende en misschien wel beangstigende dingen om je heen en dan moet je je oogjes dicht houden.

Dit soort dingen vragen natuurlijk heel veel voorbereiding en uitleg aan je kind vooraf. En anders kun je natuurlijk altijd nog dreigen met het uitrukken van de oogjes. Dat alleen al is een verschrikkelijk kinderachtige bedreiging. Het echt doen is way beyond kinderachtig. Dat is beestachtig. Nee, monsterachtig. Ik ga naar buiten, even mijn agressie koelen op de kliko ofzo.

Uitgelezen

Onderweg naar wist hij veel vond hij een klein, groezelig boekje. Het lag gewoon op zijn pad. Toen hij het opraapte, kreeg hij heel sterk het gevoel dat het andersom was. Het boekje had hém gevonden. Het lag gewoon te wachten tot hij langs kwam. In zijn handen leek het bijna vanzelf open te willen vallen. Alsof het heel nodig gelezen moest worden. Het boekje zag er onschuldig genoeg uit. Gewoon een klein handzaam boekje. Toch kreeg hij het gevoel dat het boekje iets van hem wilde. Ja, het leek bijna alsof het hem smeekte om alsjeblieft open geslagen te worden.

Dat gevoel bevreemdde hem zo sterk, dat hij het boekje snel in zijn tas wilde stoppen. Maar het leek wel of het boekje zowaar tegenstribbelde. Het bleef met de punt van de kaft haken achter een lusje in de bekleding van de tas. Het stuitte op andere spullen in zijn tas. Het boekje wou gewoonweg niet in zijn tas gestopt worden. Hij keek even schichtig om zich heen en zei toen tot zijn eigen verbazing: “Ik kan je toch moeilijk hier midden op het pad, in de regen gaan staan lezen”. Het boekje leek hem bijna pruilend vanuit zijn tas aan te kijken. Zuchtend haalde hij het boekje er weer uit en stak het in de binnenzak van zijn jas. Dat vond het boekje blijkbaar beter, want het stribbelde niet tegen.

Nu kon hij zijn weg vervolgen, maar het boekje bleef steeds in zijn gedachten. Tijdens het lopen voelde hij hoe het boekje over zijn borstkas heen en weer bewoog. En hoewel het boekje vrij klein en niet veel had gewogen toen hij het had opgepakt, begon het in zijn binnenzak steeds dikker te voelen. Ook begon zijn jas door het gewicht van het boekje steeds vervelender over zijn schouder te schuren. Op gegeven moment deed zijn schouder er zo zeer van dat hij zijn jas uit trok en over zijn tas hing die hij over zijn andere schouder droeg. Het boekje hing nu aan de buitenkant van de tas, wat hem niet in dank werd afgenomen. Het bokte en stootte overdreven bij iedere stap die hij zette. Tot het plotseling met een geïrriteerde – ja, zo klonk het – plof achter hem op het pad viel.

Verbaasd draaide hij zich om. Het boek lag er verbolgen bij. De binnenzak van zijn jas was er helemaal uit gescheurd. “Wel potverdikkeme!”, riep hij boos, en hij smeet zijn jas naast het boek op de grond, “nu is mijn goeie jas kapot!”. Van schrik kromp het boek ineen. Dat leek althans zo. Boeken kunnen natuurlijk niet schrikken. Maar toch verbeeldde hij zich dat het boek ineens kleiner leek. Met twee handen pakte hij het boekje voorzichtig op en bekeek het nu eens goed. Er stond een zon afgebeeld op de kaft. Verder stond er geen tekst op. Het boekje liet zich een aantal keren gewillig omdraaien, maar na een aantal keren flapte het open op de eerste bladzijde. Hij moest het boekje gaan lezen wilde hij meer te weten komen. Dat was duidelijk.

Toevallig stond er een bankje op de plek waar het boekje op de grond was gevallen. Hij zette zijn tas op de grond en ging op het bankje zitten. Even keek hij om zich heen. Het was een heel mooi plekje voor een bankje. Hij keek uit over een grote ven dat omringd was door berkenbomen. Hij keek naar het boekje in zijn hand dat nog steeds open lag op de eerste bladzijde. Toen hij begon te lezen brak de zon door, maar dat merkte hij niet op, want het boekje nam hem helemaal in beslag.

Pas toen het te donker werd om nog verder te kunnen lezen merkte hij dat het avond was geworden. Geschrokken sprong hij met een ruk van het bankje en keek verwilderd om zich heen. Het boek lag dichtgeslagen in zijn hand en zag er tevreden uit. Iets in hem zei dat hij het boekje maar beter met een grote boog in de ven kon gooien, maar dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen. Hij trok zijn jas weer aan en hees zijn tas weer over zijn schouder. Nu liet het boekje zich wel in de tas opbergen. Snel liep hij verder want het begon nu echt donker te worden. Hij hoopte dat hij niet zou verdwalen, want in het donker zien alle paadjes er eender uit.

Bij de eerst volgende splitsing stond hij stil. Hij twijfelde in welke richting hij verder moest, maar toen voelde hij zijn tas naar links trekken. Het was het boekje dat het hem vertelde dat hij hier linksaf moest. Hij vertrouwde het boekje en sloeg linksaf. En zo gebeurde dat nog een aantal keren totdat hij de rand van het bos zag en in de verte de lichtjes van de bewoonde wereld zag. “Bedankt lief boekje”, zei hij hardop, “nu hou ik je voor altijd bij me”.

Vermoeid kwam hij eindelijk thuis aan. Hij at wat en maakte zich klaar om te gaan slapen, want hij was erg moe. Hij legde het boek op het nachtkastje. In het licht van de lamp leek de afbeelding van de zon op de kaft veel stralender te zijn dan hij in het bos had gezien. Wat een mysterieus boek. En terwijl hij er zo naar keek, voelde hij weer die drang om het weer open te slaan. Ach, hij kon nog wel eventjes gaan lezen voor dat hij ging slapen. Het boek sprong gretig open toen hij het op zijn schoot legde.

Drie uur later keek hij verschrikt op. Op de display van de wekker stond in rode cijfers dat het al ver na middernacht was. Zijn mond voelde droog en zijn handen waren klam en warm. Hij voelde weer hoe zijn aandacht weer naar de opengeslagen bladzijde van het boek werd gezogen, maar hij pakte iets dat als boekenlegger kon dienen, legde het in het boek en sloot het resoluut. Hij legde het boek op het nachtkastje, gaapte luid en zei: “Nu ga ik eerst slapen boekje, voordat mijn ogen verschrompelen”.

Toen hij de volgende ochtend al weer vroeg door zijn wekker werd gewekt, lag het boekje naast zijn kussen. De boekenlegger zat er niet meer tussen. Dat lag helemaal verkreukeld in de hoek van zijn slaapkamer. Het boekje zag er in het ochtendlicht erg mooi uit. Bijna nieuw. De zon op de kaft straalde hem warm tegemoet. “Lees me verder”, sprak het boek in zijn hoofd. Maar hij klopte alleen even zachtjes op het boekje en sprong vlug uit zijn bed. Het boekje liet hij bij zijn kussen liggen. Hij waste zich, kleedde zich aan, werkte snel een paar boterhammen naar binnen en vertrok naar zijn werk. Het boekje bleef teleurgesteld achter. De zon op de kaft verbleekte weer.

Die dag ging er op zijn werk van alles mis. Hij had ook veel te weinig slaap gehad. Ook dacht hij steeds aan het mysterieuze boek. Er kwam niet veel werk uit zijn handen die dag. Hij was blij toen de dag erop zat. Onderweg naar huis terug liep hij een paar oude maten tegen het lijf die hij al een tijdje niet meer had gesproken. Ze praatten wat met elkaar en spraken af om diezelfde avond in de kroeg verder te praten. Zo moe was hij nou ook weer niet. In de kroeg wilde hij het mysterieuze boek ter sprake brengen, maar iets weerhield hem.

Toen hij diep in de nacht thuis kwam en zijn slaapkamer in liep, zag hij het boek al in het donker liggen. “Waar bleef je zo lang!?”, klonk het verbeten in zijn hoofd. De zon op de kaft was vuurrood. “Sus sus sus.”, zei hij, “Ik heb de hele dag gewerkt en ben op stap geweest met mijn maten, maar ik heb steeds aan jou gedacht”. Hij pakte het boek zachtjes op en wilde het openen. Het boek verzette zich eerst en voelde stug aan, maar werd snel zachter en sloeg precies open waar hij gebleven was. De volgende ochtend werd hij wakker met het boek tegen zich aangeklemd. Het leek groter en dikker geworden te zijn. Het voelde warm aan en, ja, het leek wel of het ademde.

Vanaf dat moment nam hij het boek overal mee naartoe. Hij werd steeds meer door het boek in beslag genomen. Hij las en las en las. Tot hij op een dag merkte dat hij al een heel stuk van het boek gelezen had. Het boek werd weliswaar steeds dikker en zwaarder, maar stel dat hij het ineens uit had. Wat moest hij dan beginnen? Hij wist dat hij zonder dit boek stuurloos zou zijn. Bovendien wilde dit boek heel graag gelezen worden en zou het ongetwijfeld iemand anders gaan zoeken om te betoveren. Hij moest er niet aan denken dat iemand anders zijn geliefde boek zou gaan lezen.

Hij besefte ook dat hij verslingerd was aan het boek. Hij was er veel te afhankelijk van geworden en liet zich te veel door het boek sturen. Hij moest weer grip op zijn leven krijgen. Met een geweldige dosis wilskracht ging hij alleen nog op bepaalde tijden in het boek lezen. Hij putte de kracht daarvoor uit de angst dat hij het boek uit zou lezen. Uit de angst voor de leegte daarna. Zo kwam hij weer in controle van zijn eigen leven en dat voelde goed. Hij las steeds minder en minder en minder. Het boek werd kleiner. De zon verbleekte tot het bijna niet meer zichtbaar was.

Op een dag zag hij een klein, grauw boekje onder het bed liggen. Hij pakte het op en blies het stof eraf. Het voelde kil en stug aan. Het kraakte gevaarlijk toen hij het probeerde te openen. Hij had het al jaren niet meer gelezen. Hij wist nog wel vaag waar het over ging. “Hee boekje”, zei hij, “waar was ik ook al weer gebleven?” en hij trok het boekje open. Maar het boekje sloeg slechts met een doffe klap dicht. Hij keek er meewarig naar.

Waarom wist hij niet, maar hij nam het boekje voor het eerst in jaren weer mee in zijn tas. Het boekje stribbelde niet tegen. Hij dacht glimlachend terug aan de eerste keer dat hij het boekje in zijn tas wilde steken. Die oude tas waarin hij het boekje mee naar huis had genomen had hij al lang niet meer. Hij hees zijn tas op zijn rug en sprong op zijn fiets. Onderweg naar wist hij nog steeds veel begon het licht te regenen en viel het boekje zonder dat hij het merkte uit zijn tas, op de grond. Het had hem uitgelezen.

Echte lullen

Een jaar of tien geleden ging ik nog wel eens op pad met een “sales manager”. In mijn vader’s tijd heette dat nog gewoon vertegenwoordiger. Feitelijk leur je in zo’n functie met de producten en diensten van je werkgever. Drukke, belangrijkachtige snelle baasjes die gaan voor dikke, vette zakendeals om hun dikke lease-bakken te rechtvaardigen.

Ik ging dus wel eens met zo’n gladde babbelaar op pad, als een soort show-model. Op een morgen, terwijl we in zijn vette Mercedes onderweg waren, vroeg meneer de belangrijke sales manager me ineens of ik ook eens in een échte auto wilde rijden. Ik mompelde dat ik mijn rijbewijs niet bij me had, maar dat werd stoer weggewuifd. Ik moest en zou achter zijn dikke stuur, want dan kon hij namelijk nog even wat belangrijke telefoontjes plegen.

We stopten om van plaats te ruilen. Ik liep theatraal om zijn auto heen en telde hardop de wielen. “Verrek, je hebt gelijk, het is een échte auto”, zei ik bijdehand. Maar sales managers worden blijkbaar geselecteerd op hun gebrek aan gevoeligheid voor sarcasme. Hij maakte van zijn rechterhand een pistool en richtte het op mij, met zo’n wij-begrijpen-elkaar-knipoog en bijbehorend klakgeluidje met zijn tong.

En toen ik even later flink gas gaf op de snelweg, kwam de rest: “Jaaa, dat is wel even wat anders hè?”. Ik kreeg bijna medelijden. Blijkbaar identificeerde hij zich met zijn auto. Type “mijn auto definieert mij”. Ik ben beter omdat ik een grotere kar heb dan jij. Dat type. Op inhoud worden sales managers dus ook niet geselecteerd. Wel op schone schijn.

Het bijzondere is dat dit soort mannetjes het vaak ver lijken te schoppen met hun gladde smoelen en dito praatjes. Je hebt geen inhoud nodig om succesvol te zijn. Tenminste, als je de dikte van je auto en status als maatstaf ziet voor succes. Uiteraard hebben ze ooit hun moppie opgepikt in de discotheek met “Hai schatje, wil je eens een keer op een échte lul rijden?”.

Rotsvaste liefde

Het ouderlijk huis. Dat is iets dat je in je jeugd en je eerste stappen richting volwassenheid ervaart als een veilige, rustige haven waar je altijd mag aanmeren aan je eigen aanlegsteiger. Wat er ook gebeurt in je leven, de haven van je ouders is rotsvast. Er verandert nooit iets in die haven. De tijd staat er stil. Ik hecht daaraan. Het is mijn ideaal. Het is het baken waarop ik me oriënteerde in mijn zoektocht naar mezelf.

Mijn ouderlijk huis brak in tweeën toen mijn ouders gingen scheiden. Ik was al lang het huis uit, en ik kwam al lang niet meer ieder weekend de was doen. Mijn beide ouders gingen nieuwe levens aan waarin niets hetzelfde bleef. Alle vastheid waar ik zo aan hechtte was zoek. Natuurlijk steunde ik mijn ouders in hun zoektocht naar hun nieuwe geluk, maar ik was intussen wel mooi mijn aanlegsteiger kwijt. En mijn baken.

Ik had wel helemaal losgeslagen kunnen raken. Afgedreven naar ik weet niet waarheen. In zekere zin sloeg ik ook even helemaal los, maar ik vond mijn eigen koers. Ik vond ook mijn grote liefde, compleet met een intact ouderlijk huis. De aanlegsteiger van mijn lief was groot genoeg voor ons tweetjes, en bleek ook groot genoeg voor ons zesjes. Die zalige onveranderlijkheid van mijn schoonouderlijk huis. Zelfs de planten groeiden er niet. Heerlijke vanzelfsprekende vastheid. Ik hecht daar zo aan.

Mijn schoonvader had een praktijk aan huis. Ook voor de tandarts meerden we aan bij onze aanlegsteiger. Schoonpa werd Opa. Mijn kinderen zijn stapelgek op hem. Maar Opa tandarts gaat met pensioen. De tijd schrijdt onverbiddelijk voort. De praktijk werd verkocht. Ineens is hun huis mijn schoonouders veels te groot. Zonder pardon werd het te koop gezet. Hoe kunnen ze! Daar gaat mijn fijne aanlegsteiger weer. Ik was er zo aan gehecht.

Ik haat verandering. Toch ben ik over de hele wereld verhuisd en heb vele banen gehad. Ik ben nog wel steeds samen met mijn lief. Samen hebben we vier schitterende kinderen. Ik wil ze vastheid geven. Heel veel vastheid. Vastheid van ouderlijke liefde. De puurste liefde die bestaat. Ik moet al mijn ankers uitgooien. Voor goed. Zodat mijn losgeslagen schip rotsvast komt te liggen. Een diep verankerd startblok voor mijn kinderen om vandaan te sprinten. Iedere keer opnieuw. Een baken op de woelige baren van hun eigen zoektocht naar zichzelf. Toe maar. Ga maar. Ik blijf hier. Voor altijd.

Ik dump je voor een ander!

Morgen is het voor eens en voor altijd uit tussen ons. Het is nu genoeg geweest. Ik kom niet meer bij je terug. Nu echt niet meer. We gingen al eens eerder uit elkaar, maar niet van harte. De band die we in al die jaren hadden opgebouwd samen, was toch veel sterker dan ik dacht. Zelfs jij. Kortstondig had ik een ander. Veel mooier dan jij, dat wel, maar ik kwam toch weer bij jou terug. Die ander liet me barsten en jij ving me met open armen op.

Je was geen steek veranderd en dat had ik ook niet verwacht. Alles was bij jou bij het oude gebleven. En we gingen ook weer gewoon op de oude voet verder. Bij jou wist ik even weer waar ik aan toe was, want ik kende je al zo ontzettend lang. Toch was het nooit echte liefde tussen ons. Daarom was ik je ook niet trouw. Terwijl ik het met jou deed, deed ik het ook gewoon met anderen. Jij moedigde me zelfs aan om het ook met anderen te proberen. Daarom hoefde ik het ook niet achter je rug om te doen. Je hebt me altijd door dik en dun gesteund.

Natuurlijk gaf je er dikwijls de brui aan en moest ik vele blauwtjes verduren. Hoe vaak heb ik je gehaat als je me weer eens in de steek liet. Het gebeurde ook altijd op de meest vervelende momenten. Op momenten dat ik het eigenlijk niet kon hebben. Je liet plotseling een of ander cryptisch berichtje achter en vloog uit. En ik kon stikken. Alles waar we samen zo hard aan hadden gewerkt was voor niks geweest.

Wel kwam je steeds weer bij zinnen en stond je weer voor me klaar, alsof er niets was gebeurd. Je was er weer helemaal voor me. Je zette je ook ieder keer weer voor de volle honderd procent in om het leed dat je bij me had aangericht, te herstellen. Zo ben jij nou eenmaal en dat heb ik lang geleden geaccepteerd, maar nu wil ik toch echt verder. We hadden een sterke band jij en ik, maar ik ben nu echt helemaal klaar met je.

De waarheid is nou eenmaal dat je me op houdt. Ja, je bent een blok aan mijn been. Een trouw blok, maar een blok desalniettemin. Ik ben het vele wachten zat en zet je nu echt definitief aan de kant. Ik heb het lang genoeg uitgesteld, maar morgen is het dan eindelijk zo ver. Je wordt nu echt gedumpt voor een ander. Ik kan haast niet wachten. Daag XP, tot nooit weer ziens.