Uitgelezen

Onderweg naar wist hij veel vond hij een klein, groezelig boekje. Het lag gewoon op zijn pad. Toen hij het opraapte, kreeg hij heel sterk het gevoel dat het andersom was. Het boekje had hém gevonden. Het lag gewoon te wachten tot hij langs kwam. In zijn handen leek het bijna vanzelf open te willen vallen. Alsof het heel nodig gelezen moest worden. Het boekje zag er onschuldig genoeg uit. Gewoon een klein handzaam boekje. Toch kreeg hij het gevoel dat het boekje iets van hem wilde. Ja, het leek bijna alsof het hem smeekte om alsjeblieft open geslagen te worden.

Dat gevoel bevreemdde hem zo sterk, dat hij het boekje snel in zijn tas wilde stoppen. Maar het leek wel of het boekje zowaar tegenstribbelde. Het bleef met de punt van de kaft haken achter een lusje in de bekleding van de tas. Het stuitte op andere spullen in zijn tas. Het boekje wou gewoonweg niet in zijn tas gestopt worden. Hij keek even schichtig om zich heen en zei toen tot zijn eigen verbazing: “Ik kan je toch moeilijk hier midden op het pad, in de regen gaan staan lezen”. Het boekje leek hem bijna pruilend vanuit zijn tas aan te kijken. Zuchtend haalde hij het boekje er weer uit en stak het in de binnenzak van zijn jas. Dat vond het boekje blijkbaar beter, want het stribbelde niet tegen.

Nu kon hij zijn weg vervolgen, maar het boekje bleef steeds in zijn gedachten. Tijdens het lopen voelde hij hoe het boekje over zijn borstkas heen en weer bewoog. En hoewel het boekje vrij klein en niet veel had gewogen toen hij het had opgepakt, begon het in zijn binnenzak steeds dikker te voelen. Ook begon zijn jas door het gewicht van het boekje steeds vervelender over zijn schouder te schuren. Op gegeven moment deed zijn schouder er zo zeer van dat hij zijn jas uit trok en over zijn tas hing die hij over zijn andere schouder droeg. Het boekje hing nu aan de buitenkant van de tas, wat hem niet in dank werd afgenomen. Het bokte en stootte overdreven bij iedere stap die hij zette. Tot het plotseling met een geïrriteerde – ja, zo klonk het – plof achter hem op het pad viel.

Verbaasd draaide hij zich om. Het boek lag er verbolgen bij. De binnenzak van zijn jas was er helemaal uit gescheurd. “Wel potverdikkeme!”, riep hij boos, en hij smeet zijn jas naast het boek op de grond, “nu is mijn goeie jas kapot!”. Van schrik kromp het boek ineen. Dat leek althans zo. Boeken kunnen natuurlijk niet schrikken. Maar toch verbeeldde hij zich dat het boek ineens kleiner leek. Met twee handen pakte hij het boekje voorzichtig op en bekeek het nu eens goed. Er stond een zon afgebeeld op de kaft. Verder stond er geen tekst op. Het boekje liet zich een aantal keren gewillig omdraaien, maar na een aantal keren flapte het open op de eerste bladzijde. Hij moest het boekje gaan lezen wilde hij meer te weten komen. Dat was duidelijk.

Toevallig stond er een bankje op de plek waar het boekje op de grond was gevallen. Hij zette zijn tas op de grond en ging op het bankje zitten. Even keek hij om zich heen. Het was een heel mooi plekje voor een bankje. Hij keek uit over een grote ven dat omringd was door berkenbomen. Hij keek naar het boekje in zijn hand dat nog steeds open lag op de eerste bladzijde. Toen hij begon te lezen brak de zon door, maar dat merkte hij niet op, want het boekje nam hem helemaal in beslag.

Pas toen het te donker werd om nog verder te kunnen lezen merkte hij dat het avond was geworden. Geschrokken sprong hij met een ruk van het bankje en keek verwilderd om zich heen. Het boek lag dichtgeslagen in zijn hand en zag er tevreden uit. Iets in hem zei dat hij het boekje maar beter met een grote boog in de ven kon gooien, maar dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen. Hij trok zijn jas weer aan en hees zijn tas weer over zijn schouder. Nu liet het boekje zich wel in de tas opbergen. Snel liep hij verder want het begon nu echt donker te worden. Hij hoopte dat hij niet zou verdwalen, want in het donker zien alle paadjes er eender uit.

Bij de eerst volgende splitsing stond hij stil. Hij twijfelde in welke richting hij verder moest, maar toen voelde hij zijn tas naar links trekken. Het was het boekje dat het hem vertelde dat hij hier linksaf moest. Hij vertrouwde het boekje en sloeg linksaf. En zo gebeurde dat nog een aantal keren totdat hij de rand van het bos zag en in de verte de lichtjes van de bewoonde wereld zag. “Bedankt lief boekje”, zei hij hardop, “nu hou ik je voor altijd bij me”.

Vermoeid kwam hij eindelijk thuis aan. Hij at wat en maakte zich klaar om te gaan slapen, want hij was erg moe. Hij legde het boek op het nachtkastje. In het licht van de lamp leek de afbeelding van de zon op de kaft veel stralender te zijn dan hij in het bos had gezien. Wat een mysterieus boek. En terwijl hij er zo naar keek, voelde hij weer die drang om het weer open te slaan. Ach, hij kon nog wel eventjes gaan lezen voor dat hij ging slapen. Het boek sprong gretig open toen hij het op zijn schoot legde.

Drie uur later keek hij verschrikt op. Op de display van de wekker stond in rode cijfers dat het al ver na middernacht was. Zijn mond voelde droog en zijn handen waren klam en warm. Hij voelde weer hoe zijn aandacht weer naar de opengeslagen bladzijde van het boek werd gezogen, maar hij pakte iets dat als boekenlegger kon dienen, legde het in het boek en sloot het resoluut. Hij legde het boek op het nachtkastje, gaapte luid en zei: “Nu ga ik eerst slapen boekje, voordat mijn ogen verschrompelen”.

Toen hij de volgende ochtend al weer vroeg door zijn wekker werd gewekt, lag het boekje naast zijn kussen. De boekenlegger zat er niet meer tussen. Dat lag helemaal verkreukeld in de hoek van zijn slaapkamer. Het boekje zag er in het ochtendlicht erg mooi uit. Bijna nieuw. De zon op de kaft straalde hem warm tegemoet. “Lees me verder”, sprak het boek in zijn hoofd. Maar hij klopte alleen even zachtjes op het boekje en sprong vlug uit zijn bed. Het boekje liet hij bij zijn kussen liggen. Hij waste zich, kleedde zich aan, werkte snel een paar boterhammen naar binnen en vertrok naar zijn werk. Het boekje bleef teleurgesteld achter. De zon op de kaft verbleekte weer.

Die dag ging er op zijn werk van alles mis. Hij had ook veel te weinig slaap gehad. Ook dacht hij steeds aan het mysterieuze boek. Er kwam niet veel werk uit zijn handen die dag. Hij was blij toen de dag erop zat. Onderweg naar huis terug liep hij een paar oude maten tegen het lijf die hij al een tijdje niet meer had gesproken. Ze praatten wat met elkaar en spraken af om diezelfde avond in de kroeg verder te praten. Zo moe was hij nou ook weer niet. In de kroeg wilde hij het mysterieuze boek ter sprake brengen, maar iets weerhield hem.

Toen hij diep in de nacht thuis kwam en zijn slaapkamer in liep, zag hij het boek al in het donker liggen. “Waar bleef je zo lang!?”, klonk het verbeten in zijn hoofd. De zon op de kaft was vuurrood. “Sus sus sus.”, zei hij, “Ik heb de hele dag gewerkt en ben op stap geweest met mijn maten, maar ik heb steeds aan jou gedacht”. Hij pakte het boek zachtjes op en wilde het openen. Het boek verzette zich eerst en voelde stug aan, maar werd snel zachter en sloeg precies open waar hij gebleven was. De volgende ochtend werd hij wakker met het boek tegen zich aangeklemd. Het leek groter en dikker geworden te zijn. Het voelde warm aan en, ja, het leek wel of het ademde.

Vanaf dat moment nam hij het boek overal mee naartoe. Hij werd steeds meer door het boek in beslag genomen. Hij las en las en las. Tot hij op een dag merkte dat hij al een heel stuk van het boek gelezen had. Het boek werd weliswaar steeds dikker en zwaarder, maar stel dat hij het ineens uit had. Wat moest hij dan beginnen? Hij wist dat hij zonder dit boek stuurloos zou zijn. Bovendien wilde dit boek heel graag gelezen worden en zou het ongetwijfeld iemand anders gaan zoeken om te betoveren. Hij moest er niet aan denken dat iemand anders zijn geliefde boek zou gaan lezen.

Hij besefte ook dat hij verslingerd was aan het boek. Hij was er veel te afhankelijk van geworden en liet zich te veel door het boek sturen. Hij moest weer grip op zijn leven krijgen. Met een geweldige dosis wilskracht ging hij alleen nog op bepaalde tijden in het boek lezen. Hij putte de kracht daarvoor uit de angst dat hij het boek uit zou lezen. Uit de angst voor de leegte daarna. Zo kwam hij weer in controle van zijn eigen leven en dat voelde goed. Hij las steeds minder en minder en minder. Het boek werd kleiner. De zon verbleekte tot het bijna niet meer zichtbaar was.

Op een dag zag hij een klein, grauw boekje onder het bed liggen. Hij pakte het op en blies het stof eraf. Het voelde kil en stug aan. Het kraakte gevaarlijk toen hij het probeerde te openen. Hij had het al jaren niet meer gelezen. Hij wist nog wel vaag waar het over ging. “Hee boekje”, zei hij, “waar was ik ook al weer gebleven?” en hij trok het boekje open. Maar het boekje sloeg slechts met een doffe klap dicht. Hij keek er meewarig naar.

Waarom wist hij niet, maar hij nam het boekje voor het eerst in jaren weer mee in zijn tas. Het boekje stribbelde niet tegen. Hij dacht glimlachend terug aan de eerste keer dat hij het boekje in zijn tas wilde steken. Die oude tas waarin hij het boekje mee naar huis had genomen had hij al lang niet meer. Hij hees zijn tas op zijn rug en sprong op zijn fiets. Onderweg naar wist hij nog steeds veel begon het licht te regenen en viel het boekje zonder dat hij het merkte uit zijn tas, op de grond. Het had hem uitgelezen.

Advertenties

4 comments

    1. Bedankt Marion. Grappig dat je het spannend vindt. Het was niet eens mijn bedoeling om het spannend te maken. Als ik het teruglees vind ik het zelf best een dramatisch verhaal.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s