Maand: juli 2012

Tijdschijf

image

Vandaag heb ik zo’n gigahorloge gekocht. Is helemaal in naar het schijnt. Het is echt een enorme plak aan mijn pols. En dan heb je ze nog veel groter. Met deze lijkt mijn pols wel een kinderpolsje.

Je hebt ze ook nog een stuk dikker ook. Ik zag laatst een vent met zo’n joekel van een uurwerk om zijn pols. Met allerlei wijzertjes erop. Het leek wel een cockpit. Ik vroeg hem eens hoe laat het was, waarop hij zijn arm optilde. Hij zwoegde duidelijk, maar liet het niet merken. “Aaaaacht over drie”, zei hij met de tanden op elkaar geklemd. Zwaar als een molensteen. Mocht hij het leven ooit moe worden hoeft ‘ie het ding alleen maar om zijn nek te hangen en van de brug te springen. Wat een bikkel.

Dat bikkelen hoeft van mij dus niet, maar ik moest mijn oude polsjapanner toch eens vervangen. En grote uurwerken zijn vandaag wat de klok slaat in de mode. Dus ik zeul nu ook zo’n enorme tijdschijf mee aan mijn pols. Tja, wie bij de tijd wil zijn, moet zijn pols aan de grote klok hangen.

Mooi Weer Partij

Nu wisten we al dat er politieke geluiden opgegaan zijn over de verpakking van de weersvoorspellingen. Die verpakkingen moeten prettiger. Het weerbericht moet positiever. Ik vind dat dus al dikke stierenpoep. Maar toen ik las over die protestmars in Amsterdam tegen het slechte weer, brak mijn klomp. Ze eisen nota bene betere weersomstandigheden. Het moet toch niet gekker worden? Alsof weersomstandigheden beïnvloedbaar en onderhandelbaar zijn. Wat een mafkezen!

Het is dus alleen nog een kwestie van tijd voor zo’n mafkees de Mooi Weer Partij opricht. Ik zie het al helemaal voor me. De partijkleur is geel met een zonnetje als logo. Op het programma staan belachelijke zaken zoals het instellen van een wettelijke maximale neerslagnorm waarbij gemeenten die niet onder die norm blijven een boete krijgen, of een nationaal verbod op het bezit van paraplu’s en andere vormen van weerpessimisme. En zonnestudio’s moeten natuurlijk gratis worden en emigratie naar warme landen moet binnen ieders handbereik komen. Een enorme berg stierenpoep dus. Maar mafkezen te over in dit land, dus die partij maakt nog een goeie kans op zetels ook. Zucht.

Aanstaande zaterdag is de protestmars. Ik kan niet wachten tot de krantenkoppen van maandag, als het eindelijk zomerweer is: “Protestactie tegen slecht weer bijzonder succesvol!”. Laat me alsjeblieft niet lachen.

Stil in mij

Zo’n beetje heel Dwingeloo is nog steeds verbijsterd. Hoe kon iemand die zo gezond en nog zo midden in het leven stond en nog zo hard nodig was, plotseling overlijden aan een hartaanval? Zelf kende ik de man helemaal niet, maar ik kende zijn dochtertjes, een tweeling van 7 jaar. Even oud als onze eigen tweeling. Vlak voor hun vader overleed waren ze nog op het feestje van onze tweeling. Vooral voor die twee kleine meisjes, maar ook hun moeder voel ik mee.

Mijn vrouw deed waar ik natuurlijk niet aan dacht: ze kocht drie mooie rouwkaarten. Ze had de tekst van Ren Lennie Ren van Akda en de Munnik aangepast naar Ren Meisje Ren en als gedicht bij de twee kaarten voor de tweeling gedaan. Mijn vrouw verdient een standbeeld. Ze is de liefste engel die ik ken.

Ik ging naar de kerkdienst om hen mijn medeleven en steun te betuigen. Ik gaf de weduwe een warme knuffel en zei zachtjes: “van harte gecondoleerd”. Ze beantwoordde het met een even warm “dankjewel”. De dienst maakte een hele diepe indruk op me. De kerk zat tot de nok toe gevuld met treurende mensen. Zoveel medeleven. De tweeling stak ieder en kaars aan voor hun papa in de kist. Hartverscheurend lief. En even later klonk “Ren Lennie Ren” door de luidsprekers. Nu heb ik voor altijd iets met dat lied. Het zal me nog lange tijd een brok in de keel bezorgen, ieder keer als ik het hoor.

Eigenlijk maakt de hele tragedie een diepe indruk op me. Je beseft je dat je zelf ook zomaar ineens kunt verdwijnen. Je beseft je ineens wat de betekenis is van je eigen leven. Je beseft je ineens dat je de tijd die je met elkaar hebt beter kunt koesteren dan er in grote haast aan voorbij te leven. Je beseft je ineens wat echt belangrijk is.

Na de kerkdienst keek ik naar de stille stoet die statig achter de lijkwagen aan liep. Mijn vrouw en onze tweeling liepen ook mee. Ik kon niet mee lopen omdat ik onze jongste zoon moest ophalen bij de oppas. De dienst was nogal uitgelopen vanwege de enorme opkomst, vandaar. De stoet moest van de Sint Nicolaas Kerk, langs de Brink naar de begraafplaats lopen. De zaterdagmarkt was er speciaal voor verplaatst. Ik zag de stille stoet vertrekken en keek hen na. De serene stilte en het hypnotiserende beieren van de klokken van de Siepeltoren maakten het stil in mij.

Het is zo stil in mij ik heb nergens woorden voor
Het is zo stil in mij en de wereld draait maar door

Van Dik Hout. Zo mooi. Control freak die ik ben, zet ik dit lied bij dezen op mijn eigen uitvaartlijst.

Middernisme

Ik heb niks met minimalisme. Less is gewoon echt less en meer niet. Dat je dan zo’n enorme villa op TV ziet met zo’n kil, wit interieur met hier een daar een essentialistisch simplistisch meubelstuk waar je oog wel op móet vallen omdat er gewoon niks anders ís om naar te kijken. In zekere zin is less dan weer wel more, maar vooral more money. Dat bedriegelijk simpele meubelstuk kost namelijk een fortuin. Minimalisme is eigenlijk een extreme vorm van protserigheid.

Ik heb ook niks met het andere uiterste. Ik noem dat dan maar even maximalisme. Dat is bijvoorbeeld een tuintje van 10 vierkante meter vol zetten met 80 tuinkabouters. Het is ook je Opel Corsa pimpen met zo’n stofzuiger onder je gril, zo’n taartschep achterop en een 1000 watt subwoofer in je kofferbak. In Baltimore MD heb je iedere Kerst “The Miracle on 34th Street” (ik heb het ooit zelf gezien). Dat is een dusdanig uit de hand gelopen kerstverlichtingsgekte dat heel de VS het massaal komt bekijken. Dat is übermaximalisme, too much, maar goed, daar zijn de Amerikanen dan ook erg goed in. Maximalisme is ook een extreme vorm van protserigheid.

Dan kom ik qua smaak dus automatisch uit op iets dat er tussenin zit. Gewoon een kwestie van proporties eigenlijk. Ik voel me niet gemakkelijk bij extremiteiten. Geen fratsen dus. Gewoon gewoon is al gek genoeg. Al die franje heb ik niet nodig en dat typeert me.

Ooit liet ik me eens overhalen tot de aanschaf van knalrode schoenen met gele veters (die staan je echt heel goed, schat…). Ze zaten heerlijk, maar iedereen keek steeds naar mijn schoenen. Ik droeg ze om Calvinistische beweegredenen: ze waren te duur om in de kast te laten staan. Later zag ik eens iemand met diezelfde schoenen lopen. Hij droeg ook een kanariegele broek, een witte koltrui met daar overheen een vuurrood colbert. Verder was hij zwaar opgemaakt en droeg hij een appelgroene oversized Alpinopet op zijn hoofd. Natuurlijk had zijn Chiwawa een matching outfit. Mijn rode schoenen pasten bij dat extravagante maximalisme, en niet bij mijn afgemeten middernisme.

Nachtmerrie van een bumperklever

Waldo heeft een afspraak bij een belangrijke klant en hij is laat, maar als hij even gas geeft kan hij nog op tijd zijn. De weg voor hem is leeg dus hij trapt het gaspedaal van zijn zilvergrijze Mercedes helemaal in. De auto schiet gretig naar voren. De weg is van hem. Iedereen zal wijken.

Verderop doemt de eerste sukkelaar al op. Even een kort tikje groot licht en de sukkel schiet schichtig als een hert opzij. Hij is heer en meester van de weg. Dat heerlijke gevoel van superioriteit geeft hem een geweldige kick. Hij aait voorzichtig langs de zijkant van zijn hoofd. Strak in de gel. Hij checkt het even snel in de binnenspiegel. “Goeie kop”, zegt hij hardop.

Hij passeert een colonne vrachtwagens. Als slakken kruipen ze over het asfalt. Een halve kilometer verderop voegt een lullig klein autootje in op de snelweg, tussen twee van die dikke slakken. Waldo geeft nog meer gas. Tot zijn grote ergernis besluit dat kleine kutautootje ineens in te gaan halen. Het gore lef. Waldo trapt nijdig op zijn rem en gaat vlak achter het aftandse karretje rijden. Het is een roestige, oude VW Golf, met gaten in de achterklep.

Waldo stuurt een beetje naar links en kruipt er nog dichter op. Nijdig flitst hij een paar keer met zijn groot licht. De bestuurder van het golfje draait bedaard zijn raampje open, steekt een grote harige hand naar buiten en geeft hem een middelvinger. Waldo wordt woest. Rechts is er ruimte, dus hij duikt naar de rechter baan. Maar dan schiet die ouwe roestbak naar voren. Dit wordt dus persoonlijk. Waldo trapt zijn Mercedes op zijn staart, maar de Golf is belachelijk snel.

Traag gepeupel belemmert hem verderop op de rechter baan. Zonder richting aan te geven duikt Waldo weer naar de linker baan. Het Golfje rijdt nog steeds voor hem maar mindert snelheid. Even later kleeft Waldo weer aan zijn roestige, scheve bumper. Weer wordt het raampje bedaard open gedraaid. Tot zijn ontsteltenis ziet hij dan hoe de bestuurder nota bene door het raampje naar buiten klimt! Het is een bizar lange gozer met woeste, zwarte haren en borstelige wenkbrauwen.

Tot Waldo’s verbijstering klimt de mafkees op het dak van de Golf en gaat staan. Het is onmogelijk, maar de man weet zich staande te houden. Wie bestuurt nu die Golf!? Ineens beseft Waldo dat hij maar beter zijn afstand vergroot en haalt zijn voet van het gaspedaal. Hij ziet de toerenteller teruglopen, maar de afstand tot de Golf wordt geen millimeter kleiner. Hij remt flink bij, maar behalve dat de mafkees op het dak van de Golf wild met zijn armen moet zwaaien om zijn balans te bewaren, wordt de afstand tot de Golf niks kleiner. Het lijkt wel alsof hij letterlijk aan de Golf zit vastgeplakt.

Otto de Magiër kijkt naar de bestuurder van de dikke Mercedes die hij heeft gevangen. De stumper schijt nu vast zeven kleuren stront. Moet ‘ie ook maar niet zo plakken. De gril van de Mercedes is versmolten met de achterkant van zijn Golf. Tsss, hoe is het mogelijk. Otto grijnst tevreden. Wijdbeens staat hij op het randje van het dak van zijn ouwe Golfje. Zijn lange zwarte jas wappert om hem heen. Otto steekt zijn rechterhand in zijn jas, alsof hij een pistool gaat trekken. Hij lacht boosaardig. Dan springt hij op de motorkap van de Mercedes en trekt een fel brandende snijbrander uit zijn binnenzak….

voor jou

voor jou
bestorm ik donkere wolken
en leid de bliksem
langs mijn ruggegraat

voor jou
overbrug ik oceanen,
bestijg ik bergen
op blote voeten

voor jou
beweeg ik de hemel
en breng de wereld
op haar knieën

voor jou
verlies ik mijn gezicht
en tast in het licht
van jouw wijsheid

voor jou
open ik mijn ogen
en laat alles varen
in hete tranen

zwart – niet zwart

’t is slecht of ’t kon minder
’t is niet veel of ’t is veel te veel
’t is waardeloos of ’t mot dan maar
’t is kut met peren of ’t is kut
’t is lastig of ’t kan d’r nog wel bij
’t is te klein of ’t is krap aan
’t is niet goed of ’t is niet goed
het nukkige wereldbeeld
van de volwassen kleuter
hij heeft gelijk of jij hebt het niet
in de ogen van de zwartkijker
is ’t zwart of niet zwart
wat ik je brom

Mijn Spartaanse Vlieg

Het beest zoemt zenuwachtig door de kamer. De rode knor ligt naast me op de bank. Zijn oren bewegen. Hij richt ze op het gezoem. Ik kriebel hem geruststellend over zijn buik. “Zou je die vieze vlieg niet eens gaan vangen?”, vraag ik hem. Maar hij rolt zich op zijn rug.

Intussen word ik kriegel van dat gezoemzoem om mijn kop. Het vliegt een kriebelige vlucht. Nerveuze bewegingen. Willekeurig door mijn gezichtsveld. Alsof het in wilde paniek naar iets op zoek is. Ik word er gek van, dus ik sla er woest naar. Het lukt me om de vieze vette vlieg een flinke mep te geven als het voor me langs buzzt. Met een geruststellende tik slaat het beest tegen de muur, en dan op de grond. Einde buzz. Mooi

Nu kan ik weer mijn aandacht bij de film houden. Er vliegen afgehakte ledematen en hoofden in slow motion over de buis. Die vlieg leidde me van al dat geweld af. Maar nu is hij verdelgd. De rode knor krijgt het zo meteen als snoepje. Ineens zie ik iets over de parketvloer trippelen. In een kronkelig patroon van duizeligheid. Het is die stomme strontvlieg weer. Het stijgt op en vliegt pissiger dan ooit rond de kamer. Maar het wordt roekeloos en sjeest de halogeenlamp in. Daar wordt ‘ie geroosterd als een pinda. Nog een laatste zwakke bzz en dan is het afgelopen met hem.

Leonidas werpt zijn helm af. Gooit zijn zware schild op de grond. Hij veinst zich te onderwerpen aan de overmachtige Xerxes, maar dan…buzzzebuzzzebuzzzebuzzzzzz. De onsterfelijke strontvlieg is herrezen uit zijn hoopje as. Terwijl ik als een wildeman door de kamer spring met een opgerolde krant zie ik nog net hoe Leonidas verdelgd wordt door een hemelverduisterende regen van pijlen. Mijn Spartaanse vlieg trotseert mijn toorn. Ik weet niet hoe ‘ie het doet, maar ik zweer je dat het gezoem een smalend toontje kreeg. Ik geef het op en ga maar slapen.