Waldo heeft een afspraak bij een belangrijke klant en hij is laat, maar als hij even gas geeft kan hij nog op tijd zijn. De weg voor hem is leeg dus hij trapt het gaspedaal van zijn zilvergrijze Mercedes helemaal in. De auto schiet gretig naar voren. De weg is van hem. Iedereen zal wijken.

Verderop doemt de eerste sukkelaar al op. Even een kort tikje groot licht en de sukkel schiet schichtig als een hert opzij. Hij is heer en meester van de weg. Dat heerlijke gevoel van superioriteit geeft hem een geweldige kick. Hij aait voorzichtig langs de zijkant van zijn hoofd. Strak in de gel. Hij checkt het even snel in de binnenspiegel. “Goeie kop”, zegt hij hardop.

Hij passeert een colonne vrachtwagens. Als slakken kruipen ze over het asfalt. Een halve kilometer verderop voegt een lullig klein autootje in op de snelweg, tussen twee van die dikke slakken. Waldo geeft nog meer gas. Tot zijn grote ergernis besluit dat kleine kutautootje ineens in te gaan halen. Het gore lef. Waldo trapt nijdig op zijn rem en gaat vlak achter het aftandse karretje rijden. Het is een roestige, oude VW Golf, met gaten in de achterklep.

Waldo stuurt een beetje naar links en kruipt er nog dichter op. Nijdig flitst hij een paar keer met zijn groot licht. De bestuurder van het golfje draait bedaard zijn raampje open, steekt een grote harige hand naar buiten en geeft hem een middelvinger. Waldo wordt woest. Rechts is er ruimte, dus hij duikt naar de rechter baan. Maar dan schiet die ouwe roestbak naar voren. Dit wordt dus persoonlijk. Waldo trapt zijn Mercedes op zijn staart, maar de Golf is belachelijk snel.

Traag gepeupel belemmert hem verderop op de rechter baan. Zonder richting aan te geven duikt Waldo weer naar de linker baan. Het Golfje rijdt nog steeds voor hem maar mindert snelheid. Even later kleeft Waldo weer aan zijn roestige, scheve bumper. Weer wordt het raampje bedaard open gedraaid. Tot zijn ontsteltenis ziet hij dan hoe de bestuurder nota bene door het raampje naar buiten klimt! Het is een bizar lange gozer met woeste, zwarte haren en borstelige wenkbrauwen.

Tot Waldo’s verbijstering klimt de mafkees op het dak van de Golf en gaat staan. Het is onmogelijk, maar de man weet zich staande te houden. Wie bestuurt nu die Golf!? Ineens beseft Waldo dat hij maar beter zijn afstand vergroot en haalt zijn voet van het gaspedaal. Hij ziet de toerenteller teruglopen, maar de afstand tot de Golf wordt geen millimeter kleiner. Hij remt flink bij, maar behalve dat de mafkees op het dak van de Golf wild met zijn armen moet zwaaien om zijn balans te bewaren, wordt de afstand tot de Golf niks kleiner. Het lijkt wel alsof hij letterlijk aan de Golf zit vastgeplakt.

Otto de Magiër kijkt naar de bestuurder van de dikke Mercedes die hij heeft gevangen. De stumper schijt nu vast zeven kleuren stront. Moet ‘ie ook maar niet zo plakken. De gril van de Mercedes is versmolten met de achterkant van zijn Golf. Tsss, hoe is het mogelijk. Otto grijnst tevreden. Wijdbeens staat hij op het randje van het dak van zijn ouwe Golfje. Zijn lange zwarte jas wappert om hem heen. Otto steekt zijn rechterhand in zijn jas, alsof hij een pistool gaat trekken. Hij lacht boosaardig. Dan springt hij op de motorkap van de Mercedes en trekt een fel brandende snijbrander uit zijn binnenzak….

Advertenties