Maand: september 2012

Gezwam

image

Er wordt al weer driftig gezwamd in ’t bos, dus ik doe ook maar eens mee. Het zwamgeval op de foto liet zich in het zonnetje even van zijn mooise kant zien. Maar wat is het voor soort zwam? Het lijkt wat op de gewone vuurzwam, maar ook op de zwavelkop. Of is het een of ander wasplaatje? Dankzij google kan iedereen zwam-o-loog spelen.

Als je de namen ziet die men zoal aan zwammen en paddo’s heeft gegeven, krijg je het vermoeden dat iedere variant op een bekende soort tot een nieuwe wordt gebombardeerd. Dat kan ik ook. Ik noem mijn zwam de gouden zwartwordende zwavelkopvuurzwamzwetsplaat.

Maar zeg eens, wat is dit voor zwam?

Advertenties

Ver van huis

Als jonge student liep ik ooit een half jaartje stage in Amsterdam. Ik woonde nog bij mijn ouders. In de weekenden ging ik naar huis. Meestal op vrijdagavond al. Zo ook deze avond. Ik sta bij de Keizersgracht te wachten op de tram naar Amsterdam Centraal. Het is winter en het is al vroeg donker. De tram is laat. Ik sta er al een kwartier te vernikkelen van de kou. Ik sta er ook helemaal alleen. Links uit de straat klinken plots voetstappen. Ik kijk even opzij. Een verlopen typ met lange jas zwalkt in mijn richting. Ik ben meteen op mijn hoede.

De ongure griezel komt naast me staan. Hij riekt verschrikkelijk. De kerel slaakt een gespeeld geërgerde zucht en zijn adem beslaat. De wolk waait langs mijn gezicht. De stank uit zijn vieze, ongeschoren muil maakt me misselijk.”Ga maar mee naar de nutsbank”, zegt hij dan met een grijns die me op me mijn gemak moet stellen of zo, maar het werkt averechts, “hier komt geen tram meer vanavond”.

Nutsbank? Wat nou nutsbank? Ik kijk hem, hopelijk koelbloedig – en op dat moment voelt mijn bloed eigenlijk ook ijskoud – aan, en zeg met geknepen stem zo kalm als ik kan: “Ach jawel joh. Hij kan elk moment komen”. Ik wijs in de richting waar hij vandaan moet komen. Dan trekt de kerel een enorm mes onder zijn jas vandaan en begint met de punt ervan zijn vuile nagels schoon te maken, “Ik zou er maar niet van uitgaan”, zegt hij, nu gemeen grijnzend. Koud zweet breekt me uit op mijn rug.

Ik begin rustig weg te lopen. In de richting van de tramhalte aan de overkant. Daar komt zojuist en groepje mensen naartoe gelopen. De tram de andere kant op zie ik in de verte al aan komen rijden. Ik versnel mijn pas. Ik hoor voetstappen achter me. “Hee vriend, waar ga je nou naartoe?”, hoor ik achter me. Ik negeer hem en ren nu naar de overkant van de brede straat. Het groepje mensen bij de halte neemt me bevreemdend op. Maar dan komt de tram al. Ik stap er op en ga zitten. Mijn hart klopt in mijn keel, en het klamme zweet parelt van mijn rug. Ik kijk nog even achterom naar de halte waar ik net stond. Het ongure typ staat mijn tram na te staren. Ik rij de verkeerde kant op, maar ik leef nog.

Een vrouw kijkt bezorgd naar me en vraagt of ik me wel goed voel. “Ik ben net met een enorm mes bedreigd”, zeg ik met een stem die ik nauwelijks herken. Ze kijkt me geschrokken aan en vraag dan: “Waar moet je naartoe?”. “Naar centraal”, zeg ik met een belachelijk schor stemmetje. “O, blijf maar gewoon zitten, want deze tram rijdt heen en weer. Wil je dat ik bij je blijf?”. Ik haal eens diep adem en blaas het – pffffff – langzaam uit. Dan schud ik zachtjes van nee. Ze neemt me bezorgd op en zegt dan vastbesloten: “Nee hoor, ik laat je beter maar niet alleen”. Zorgzaam begeleidt ze me helemaal terug naar Amsterdam CS. Ik was haar oneindig dankbaar. Nog nooit voelde ik me zo ver van huis. Pas in mijn trein richting het veilige Noorden kon ik weer rustiger adem halen.

Welvaartsjunkie

In Tokio wonen bijna net zoveel mensen als in heel Nederland, maar dan op een oppervlakte dat 66 keer in Nederland past. Per jaar heeft de gemiddelde Tokio-inwoner in totaal minder dan 60 seconden geen stroom. Volkomen onacceptabel natuurlijk. Er wordt uiteraard nergens zo veel geklaagd over stroomuitval als in Tokio. Jezus, laatst had ik minstens 2 seconden geen licht! Ik dien een vette klacht in!

In Nederland moeten we dan weer blij zijn met een ridicule 25 minuten stroomuitval gemiddeld per persoon per jaar. Belachelijk! Dat kan, nee dat moet beter. Ik bedoel: Tokioooo. Ja? Kan me niet schelen dat alle andere Europese burgers gemiddeld langer zonder stroom zitten ja!

In Congo mag je blij zijn als er eventjes stroom is. Maar liefst 35 uren per jaar zit de gemiddelde Congolees zonder stroom. Het komt geregeld voor dat je daar dagen lang geen stroom hebt. Niemand neemt daar voor lief dat er stroom uit het stopcontact komt. Maar áls het er is, dan is het feest!

En zo is het toch eigenlijk met alles? Luxe is maar eventjes luxe. Je wentelt je er drie keer in om en je begint je af te vragen of dit alles is. Welvaart went. Je wilt er steeds meer van hebben en je geniet er steeds minder van. Face it, jij bent waarschijnlijk ook een welvaartsjunkie. En nu moet ik dit snel op mijn blog zetten voor de stroom weer uitvalt. 

130 goed voor de staatskas

Altijd leuk om stellig te beginnen: hoe harder wij rijden hoe meer wij de staatskas spekken.

Hoe kom ik daar bij? Heel simpel (en toegegeven, ik heb het niet zelf bedacht): de gemiddelde auto verbruikt veel meer benzine bij snelheden boven de 100 kilometer per uur. Ik sloeg eens aan het googlen en kwam percentages tegen van 20% to 25% verschil in benzineverbruik tussen 100 km/uur rijden en 130 km/uur. Dat is aanzienlijk. Ik kan me nog herinneren dat de snelheidslimiet op onze snelwegen 100 km/uur was. Dat was in 1988. Toen was ik 18 en maakte ik me vooral nog druk over acne en examens en zo. Maar dat terzijde.

Naar het schijnt hebben wij in Nederland een dikke 5,5 miljoen benzinewagens, en 1 miljoen dieselwagens. Voor mijn stelling laat ik voor het gemak de dieseltjes maar even buiten het plaatje. Ik ga dus uit van 5.500.000 benzine verbruikende auto’s.

Nu zou ik willen weten hoeveel van die benzineverbruikers er op elk moment van een dag gemiddeld 130 km/uur rijdt. Dat is een lastige. Op veel snelwegen mag je na 19 uur en voor 6 uur 130. Op sommige stukken mag je altijd 130, maar kan dat door de drukte niet. Je zou dus ook nog het gemiddelde file-beeld moeten weten. De ANWB zou die statistieken moeten hebben of gaan verzamelen en moet mijn sommetje dan nog maar eens dunnetjes over doen. Ik moet het dus maar gaan gokken. Hier komt ‘ie:

Stel nou dat van al die 5,5 miljoen auto’s er op ieder willekeurig moment van de dag gemiddeld (!) 5000 in staat zijn om 130 km/uur te rijden. Dat is iets minder dan een tiende procent van het totale aantal benzine-auto’s in Nederland. Ik heb geen idee of dit realistisch is of niet, maar ik ga hier even mee verder voor mijn verdere berekening.

Dus op ieder moment (24×7) rijden er 5000 benzine-auto’s 130. Met z’n allen verbruiken zij dan dus tussen de 20 en 25 procent meer benzine dan wanneer ze 100 km/uur zouden rijden.

Ja, en hoeveel benzine verbruikt een gemiddelde benzinewagen dan bij 100 km/uur en bij 130 km/uur? Op deze discussie op autoweek.nl (ik weet het, er zijn betere bronnen, maar ik doe het er maar even mee) kwam ik het volgende tegen:

Het verbruik van een 65 pk 1.2 liter VW Polo (bj. 2004):

3.245 tpm bij 100 km/u, 4.220 tpm bij 130 km/u : Toename in toerental: 975 tpm.

Het verbruik van een 100 pk 1.6 liter ford focus (bj. 2005):

2.660 tpm bij 100 km/u, 3.460 tpm bij 130 km/u : Toename in toerental: 800 tpm
90km/u: +-7l/100 km
120km/u: +- 8.2l/100 km

Op een andere discussie op autoweek kwam ik ook nog dit tegen:

het verschil tussen 110 en 130 bedraagt zo’n 20% in meerverbruik, dus:
110 = +- 4.5l/100km
130 = +- 6l/100km

Ik sla dit alles maar even valsplat tot het volgende zodat ik er makkelijker mee kan rekenen: Bij 100 km/uur verbruikt de gemiddelde benzineauto 5 liter op 100 kilometer. Bij 130 km/uur komt dat 20% hoger te liggen: 6 liter per 100 kilometer.

Kortom: per 100 kilometer verbruik je dus 1 liter meer benzine bij 130 km/uur ten opzichte van dezelfde afstand afgelegd met 100 km/uur. Dit moet ik nog even ombuigen naar liters per uur. Bij constant 100 rijden verbruik je 5 liter per uur. Bij constant 130 rijden verbruik je per uur 1,3 x 6 liter benzine, dus 7,8 liter per uur.

Dus als ik 24 uur lang, 7 dagen in de week 130 kilometer per uur rij, dan verbruik ik 24 x 7 x 7,8 = 1340,4 liter benzine. Bij 100 km/uur zou ik dan maar 1008 liter benzine verbruiken. Een verschil van dik 332 liter. Gesteld dat er gemiddeld 5000 benzineauto’s 24×7 uur 130 rijden verbruiken die gezamenlijk per week 6.552.000 liter benzine. Als zij met z’n allen 100 zouden rijden verbruikten zij per week 5.040.000 liter benzine. Een verschil van dik anderhalf miljoen liter per week!

Op dit moment bedraagt de benzine-accijns 73 eurocent per liter. Dus even omgerekend zou de staat maar zo een slordige anderhalf miljoen keer 0,73 cent per week, dus een slordige 56 miljoen euro per jaar mis kunnen lopen als wij met zijn allen verstandig werden en geen streepje harder dan 100 km/uur gingen rijden. Nu ben ik zelf verre van verstandig, en de gemiddelde nederlandse wegmisbruiker met mij, dus met onze staatsschuld komt het allemaal vanzelf wel goed. Gelukkig.

(Let wel, mijn gegoochel met cijfers hierboven is natuurlijk ontzettend grof en je reinste Rijk-rekenarij. Bovendien heb ik het ook door niemand laten toetsen, maar het zet je toch aan het denken, nietwaar? Brand maar los…)

Otto’s stemmingmakerij

Otto de Magiër staat midden op de hei. Zijn grote, blote voeten een eindje uit elkaar in het natte veen. Armen naast zijn lichaam, vingers gespreid. Zijn ogen zijn gesloten en zijn gezicht is ontspannen. Hij stond daar al voor de zon op kwam. Hij staat er al uren. Om hem heen is het heel stil. Zelfs de wind die hier altijd staat is gaan liggen. Otto heeft zijn plaats in genomen lijkt het wel. En dat is dan ook precies wat hij heeft gedaan. Otto is de wind. De wind die door Nederland waait. Behalve op dat plekje op de hei.

De wind waait kriskras door het hele land. Plagerig schudt hij haren in de war en blaast hij toupetjes in de lucht. Hij ruist door het gewas en giert over de daken. Hij laat de populieren buigen en maakt schuimkoppen op het water. Otto is in zijn element. Dan ziet hij beneden op straat, in een drukke stad een klein mannetje lopen met golvende witte lokken. Professionele body guards om hem heen. Otto gaat er onbevreesd op af. Onderweg verzamelt hij zand en bladeren. Hij begint te draaien. Steeds sneller en sneller. Het mannetje met de witte lokken kijkt nu argwanend in zijn richting. Hij likt nerveus aan zijn bovenlip. 

Op de hei balt Otto zijn vuisten. Het kleine mannetje duikt angstig ineen achter zijn body guards. Een woeste, wervelende kolom van zand en bladeren raast op het groepje af. De body guards gaan dichter om het kleine mannetje staan. Otto giert om hen heen. Steeds harder en harder. Het groepje is helemaal verdwenen in zijn onstuimige wervelwind. Het geraas is oorverdovend. De body guards staan ineengedoken met hun armen voor hun gezicht. En dan is het plotseling afgelopen. De body guards wrijven het zand uit hun ogen en slaan de bladeren van hun kleren. Het kleine blonde mannetje ligt op de grond, zijn armen stijf om zijn opgetrokken knieën heen.

Door het hele land kijken honderdduizenden mensen ineens verdwaasd naar het rode potlood dat ze in hun hand hebben. Het lijkt wel alsof ze uit een droom zijn opgeschrikt. De punt van het potlood zweeft boven het stembiljet. Vertwijfeld wrijven ze door hun haren en schudden ze hun hoofd. Er valt zand op het stembiljet. En dan, in een moment van absolute helderheid, kleuren ze toch een ander vakje rood.

 

In de stemming

Morgen mag het weer. Met uiterste precisie zal ik trefzeker mijn stem laten gelden. Ik stem de laatste tijd zo vaak, dat ik het al met mijn ogen dicht kan. Begrijp me niet verkeerd, ik bedoel niet dat ik het potloodpuntje op goed geluk met mijn ogen dicht op het stembiljet laat vallen. Stemmen is een ernstige zaak waarover ik geen grapjes duld. Ik heb ook geen begrip voor mensen die zeggen dat ze niet gaan stemmen. “Ik stem blanko”, zeggen ze stoer. Schei toch uit zeg! Je leeft in een maatschappij waarin het volk haar vertegenwoordigers van de wet mag kiezen. Niet kiezen staat wat mij betreft gelijk aan onverschilligheid tegenover die wetten. En kom niet aan met “waarom zou ik nog moeite doen, want de laatste tijd blijft er geen kabinet de volledige termijn overeind”. Wees blij dat wanregeringen in ons land vanzelf uit elkaar vallen in plaats van dat ze ons eindeloos blijven tergen. 

Morgen ga ik opgetogen naar het stemlokaal en laat mijn stem trots gelden. Het mag weer. Ik ben er helemaal voor in de stemming.

Waar genomen

Rond de zomervakantie hoor of lees je vaak dit: Jaap neemt de zaken waar tijdens Kees’ vakantie. Of: Henk neemt Piet waar tijdens zijn afwezigheid.
Dit moet je niet al te letterlijk nemen natuurlijk, als met zoveel dingen die we zeggen. Taal is daar natuurlijk helemaal niet voor bedoeld. Henk gaat Piet heus niet achterna reizen om hem een beetje gade te slaan. Evenmin gaat Jaap alleen maar kijken en luisteren naar de manier waarop Kees’ zaken gaan tijdens zijn vakantie. Er wordt ook verwacht dat Jaap ingrijpt of aan stuurt wanneer het nodig is. Alhoewel het in de praktijk toch meestal blijft bij het houden van het oog in het spreekwoordelijke zeil.

Met het werkwoord waarnemen is sowieso iets aan de hand. Bij vervoeging valt het uit elkaar als een slechte relatie. Bijvoorbeeld: Ik nam waar. Hoe zit dat überhaupt? Wat zijn de grammatikale wetten hier? Stofzuigen is ook zo’n werkwoord. Is het nou “ik heb stof gezogen” of “ik heb gestofzuigd”? Ik zeg zelf altijd expres het laatste, omdat ik een principieel mannetje ben. Nu weer terug naar dat waarnemen. In de kantoorsfeer schuilt daar een sexuele intimidatieadder onder het anti-statische tapijt. Alleen notoire sexisten of naïve taalklunzen schrijven dat zij hun collega waar hebben genomen.

Niet persoonlijk

Met gestreken smoeltjes liegen
Ze bedoelen het niet persoonlijk

Stopverf in oortjes
Ze bedoelen het niet persoonlijk

Kontjes tegen de krib gooien
Ze bedoelen het niet persoonlijk!

Stijfkoppigheid en eigen willetjes
Ze bedoelen het niet persoonlijk!!

Regeltjes met voetjes treden
Ze bedoelen het NIET persoonlijk!!

Tegen papa’s haren in strijken
Ze bedoelen het NIET PERSOONLIJK!!

Grote mondjes dwars door papa’s preekjes
ZE BEDOELEN HET NIET PERSOONLIJK!!

Mijn God, wat is opvoeden soms toch moeilijk, maar ik heb deze mantra:
ZE BEDOELEN HET NIET PERSOONLIJK!!

echt niet

Deze mantra helpt me om los te laten, ook al zo moeilijk.

Goeie shit dat pogen!

Hé Meneer, wat doet u nou?
Ik poog, jongeman, ik poog.
Pogen, hihihi, wa’s dat nou weer?
Pogen is een edele bezigheid, jij kan het ook. Probeer het maar eens.
Ja doei, ik ga echt niet zitten pogen zeg. Wat heeft dat nou voor zin?
Pogen is de zin des levens. Leven is pogen en pogen is leven.
Wat bazelt u toch ouwe. Leven gaat vanzelf. Daar hoef je toch niks voor te doen?
Nee jongeman, geleefd wórden gaat vanzelf, zélf leven niet.
Wacht effe, dus iemand anders kan mij leven? Cool!
Nee, niet “cool” jongeman. Zij die worden geleefd, bestaan niet.
Huh, dus geleefd worden kán helemaal niet?
In tegendeel, het gebeurt maar al te vaak.
Meneer, ik snap er de ballen van.
Jongeman, het is echt heel eenvoudig: bepaal jij wie je morgen bent, of doet een ander dat?
Ja dùh, ik natuurlijk. En trouwens, ik ben altijd wie ik ben, morgen en over honderd jaar.
Dat zeggen allen die geleefd worden. Zélf leven is jezelf ontwikkelen. Pogen is ontwikkelen.
Jaaaa, ja. Dus van pogen wordt je, zeg maar, nog vetter. En eh… kun je dat leren, dat pogen?
Zoals ik al zei, je kunt het al lang. Iedereen heeft het in zich om te pogen. Gewoon een kwestie van doen.
Dus ik hoef er niet voor te leren?
Eh, juist, dat zeg ik.
Goeie shit dat pogen!