Maand: oktober 2012

Glove hurts (opdracht)

Glove hurts…
Glove hurts
(fotobron: http://sportige.com/top-10-boxing-photos/) 

 Glove hurts, glove scars, glove wounds…

De opdracht:

Wat is jouw favoriete glove song? Maak een combinatie (foto + youtube filmpje) zoals hierboven, zet het op je blog en stuur me een linkje als reactie hieronder. Dan noteer ik je met stip in mijn Glove Song List op deze blog.

Pa Pier

Gisteren ging ik met mijn twee grote knaapjes zwemmen in zo’n “zwemparadijs”. Midden in de herfstvakantie. Dat is vragen om problemen natuurlijk, maar ik had het mijn zoontjes beloofd. Het begon al met de mededeling bij de balie dat het erg druk was en dat we even moesten wachten tot er wat paradijsbezoekers naar huis gingen. Hoe lang het zou duren wist hij niet. 

Gelukkig droop al snel een aantal wachtenden voor ons af, dus dat schoot op. En even later druppelden er ook een aantal bezoekers naar buiten zodat wij er toch nog vrij vlot in mochten. Ik vroeg aan het kassameisje of ze een vijftig-cent-muntje zodanig kon breken dat ik twee van 20 zou hebben, voor twee kluisjes. “Nou, ik denk niet dat er nog vrije kluisjes zijn meneer, ’t is echt zoooo druk”. 

Even later renden mijn (kn)apen en stapte ik behoedzaam (bangig om uit te glijden) in onze zwemkledij over de natte tegels. Er was nog precies 1 kluisje waar wij al onze jassen, schoenen en kleren in wisten te proppen. En toen, joepie, kon er gespetterd worden. Mijn apen renden het paradijs in. Ik wandelde regelrecht de hel in. 

Eigenlijk wilde ik liever naar de bios, maar mijn jongens wilden heel erg graag naar een tropisch zwemparadijs. Ik heb in het paradijs vooral genoten van het plezier van mijn knulletjes. Maar verder niet. Ik voelde me als een pier in een potje pieren. Het was te vol. Vooral in het tropische gedeelte. En als de golfslag aan ging werd het golfslagbad één grote wriemelende en over elkaar heen tuimelende massa pieren. Ook de hormoonspiegel was me veels te hoog: geflikvlooi tussen jonge goden en godinnen. Pa Pier voelde zich hier gewoon heel oud.

Ik smachtte naar een rustig plekje met een kop koffie en een stuk lektuur. Die was er niet. Er stonden ook wachtrijen pieren te wachten voor de stoomcabine’s en de sauna’s, dus ook dat genoegen liet ik maar zitten. Gelukkig was er wel een gewoon recht-toe-recht-aan baantjes-bad waar een aantal grijsaards rustig hun bedaarde baantjes trokken. Daar was minder gekrakeel. Pa Pier voelde zich hier al veel beter. Hij kwam hier weer ruim onder de gemiddelde leeftijd en kon als hij zijn buikje wat introk zelfs doorgaan voor fitte dertiger. Met een lenige snoekduik dook ik het bad in, zwom een soepele 20 meter onder water, kwam niet eens zoveel buiten adem weer boven en voelde me toch even weer een jonge God.

Toch leuk

De kunstkenner bespreekt een soort plat, beschilderd kistje met de dame die het heeft meegebracht. Het ding zweeft nog ergens tussen kitsch en kunst. Likkebaardend luistert de dame naar de kenner. Die kenners hebben overigens verdacht vaak namen die bij hen passen. Zoals Jan Vaassen (fictief), de expert op het gebied van Chinese Vazen.

“Wat een leuk kistje”, zegt de kunstkenner tegen de dame, die hoopvol meeknikt, maar bij dat “leuk” ook een lichtelijk nerveuze grimas trekt. “Van mijn betovergrootvader’s betovergrootmoeder geweest”, zegt de dame voor de zekerheid. “Leuk”, zegt de kenner. De dame knippert bij “leuk” met haar ogen. “Echt leuk”, herhaalt de kenner. Knipper-knipper-grimas, doet de dame.

De kenner keert het kistje om, zoekend naar een indicatie van enige waarde. Dat het ding op TV wordt uitgezonden is al een indicatie van opmerkelijkheid. Aan de achterkant is niets te zien dus wordt de voorkant weer naar de camera gedraaid. “Echt een grappig object”, zegt de kenner, “want het is helemaal geen doosje”. Hij schuift het deksel open en er verschijnt een schilderijtje. “Kijk, wat leuk, het is een verstopt kunstwerkje”. Bij deze “leuk” trekt de dame een gezicht alsof ze net een hap uit een citroen nam. 

“Het is natuurlijk geen schilderij, dus zo mogen we het ook niet waarderen”, zegt de kunstkenner. De dame schudt zachtjes met haar hoofd. Haar schouders hangen naar beneden. Alle hoop is verloren. Haar voorwerp blijkt kitsch te zijn. “Maar je ziet ze zo niet vaak”, zegt de kenner. De dame veert op. Haar ogen staan plotseling heel fel. Dat waarvoor ze is gekomen gaat ze nu te horen krijgen. De eurotekentjes worden al in haar begerige ogen zichtbaar. “Ja, echt een leuk ding. Heel leuk”. Bij iedere “leuk” vertrekt weer haar hele gezicht. En dan komen de verlossende woorden: “ik schat dit lollige ding toch in op een waarde van 1500 euro”. De dame kijkt zuur, heel zuur. Het valt duidelijk tegen en ze zegt, zoals de meesten die in het TV-programma voor de camera mogen: “nou, tóch leuk”.

In een stroomversnelling

Als de dingen dan ineens gaan glijden zodat je het allemaal niet meer kan tegenhouden dan móet je wel snel denken en schakelen. Het is dan net of je verstand letterlijk terugschakelt naar een lichtere versnelling zodat je meer denkvermogen hebt. Natuurlijk wordt je toerental veel hoger en verbruik je ook meer energie, maar je denkt ineens heel handig en praktisch.

Omdat je domweg geen tijd hebt om alle voors en tegens tegen elkaar af te wegen luister je veel beter naar je onderbuik, je intuitie. Je wordt nu gedreven door je primaire wezen. Alle jamaars zet je resoluut aan de kant, want je moet nú beslissen. De flow van de stroom bepaalt al dat je moet bewegen in een bepaalde richting. Er tegen in bewegen heeft geen zin. Drijf mee, maar alert, spiedend naar kansen, mogelijkheden.

Lenig als een kat maak je behendigd de grootste denkstappen. Je blik is messcherp en je concentratie is rotsvast. Stappen waar je gisteren nog tegenop keek, doe je nu bijna zonder nadenken, tussen twee ademhalingen in.

Plotseling wordt de stroming weer zwakker. Je bevindt je waar je altijd al was maar dan verder. Je hebt gered wat er te redden viel, je hebt gewonnen wat er te winnen viel, je hebt verloren wat je misschien best kon missen. Nee, niet verloren, maar geofferd. 

Je ruggegraat zindert. Je onderbuik gonst. Je voelt je levensenergie door je hele wezen stromen. Je voelt je onwezenlijk wezenlijk. Vanuit een diepe innerlijke kalmte keer je dan geleidelijk terug. Eerst voel je je stembanden alleen maar trillen, maar even daarna hoor je de primaire overwinningskreet die je lijf aan het uitstoten is. En als je je dan beseft dat je binnen luttele momenten achteloos iets hebt gepresteerd dat je nooit voor mogelijk hield, veranderen je spieren ineens in elastiek en gaat je schreeuw over in een onbedaard geschater. 

Lullige limericks

Ik dacht, kom laat ik me ook eens wagen aan de limerick. Maar gezien de lullige resultaten hieronder zal ik daar maar meteen weer mee ophouden.

Slagersworst

Een slager uit Wirdumerdraai
Zwom naakt in de Golf van Biskaje
’t was heerlijk koel
maar voerde onbedoeld
zijn slagersworst wel aan de haaien

Beroepsongeval

Een leeuwentemmer uit Lisse
moest plotseling heel nodig pisse
hij pieste ter plekke
de leeuw in z’n bekke
en moet nu zijn lul voortaan misse

3 maal zo sterk

Tijdens zo’n zogeheten self assessment training, leerde ik ooit dit over mezelf: ik moet het effect dat ik op anderen denk te hebben met drie vermenigvuldigen. Ja, lees het nog maar eens keer. Ik begreep toen ineens waarom mensen mij soms met geknepen ogen bekijken. Mijn uitstraling is namelijk drie maal zo sterk als ik zelf denk. Mijn enthousiastme is 3 keer zo aanstekelijk als ik bedoel. Ik overtuig de ander ook als ik 3 keer zo weinig moeite zou doen. Best een handige eigenschap dus. 

Maar dan de schaduwzijde. Mijn lichte ongenoegen wordt verward voor boosheid. Mijn milde kritiek laat knieën knikken. Mijn ongezouten kritiek is zielsvermorzelend. zo vermorzelde ik van de week bijna mijn lieve, oude moederziel met een iets te bot uitgesproken puntje van kritiek. Gelukkig was het door de telefoon, want anders had haar hart het begeven denk ik. Sorry Mam, ik hou hartstikke veel van je hoor. En daar kom ik weer op veilige emotie. Van liefde kun je nooit teveel ontvangen toch? Liefde maal drie is nog steeds liefde. En zij die mijn oneindige liefde genieten voelen dan precies wat ik bedoel, want 3 maal oneindig is nog steeds oneindig. 

Schaamteloze uitbuiting van kinderen

Reklame is een gegeven. Zonder reklame te maken van je goederen en diensten raak je je waren aan de straatstenen niet kwijt. Dat snap ik. Dat reklames in de meeste gevallen ook nog eens misleidend zijn, daar kan ik me ook nog wel overheen zetten. Natuurlijk schilderen ze hun waren zo ideaal mogelijk af. Natuurlijk verkopen ze in de reklamespotjes een hoop leugens. Natuurlijk worden de addertjes onder het gras niet luid en duidelijk vermeld. Dat weet iedereen. Ik kan daar mee leven.  

Waar ik niet mee kan leven is de uitbuiting van kinderen. Wij krijgen bijvoorbeeld herhaaldelijk reklamemateriaal en proefproducten mee van het kinderdagverblijf. Dan komt mijn zoontje mij bij het afhalen helemaal verguld een mooie placemat (van een zuivelfabrikant) laten zien die hij heeft gekregen. Thuis kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om het ding weg te gooien, dus het ding ligt een tijdlang onze kinderen bloot te stellen aan reklame. Nog een voorbeeld is een gratis zak met ontbijtringetjes. Ik vind dit een heel zorgelijke ontwikkeling. In eerste instantie omdat de bedrijven kinderen uitbuiten om hun waren aan de man te brengen, maar in tweede instantie dat de organisaties die de kinderen juist zouden moeten beschermen hiervoor (de kinderdagverblijven waar je je kinderen aan toevertrouwt), hier ook nog aan mee werken.

En de R is weer in de maand. Sinterklaas en Kerst komen eraan, dus worden kinderen een extra belangrijk doelwit voor reklamemakers. Op de radio hoorde ik een speelgoedwinkel zonder enige schaamte bij kinderen bedelen om hun SInterklaas-verlanglijstjes. En om de kinderen daarvoor te motiveren maken ze kans dat ze alles dat ze op hun lijstje zetten winnen! Het doel is me duidelijk: de speelgoedwinkel wil graag weten wat kinderen zoal leuk vinden zodat ze hun logistieke organisatie zo efficiënt mogelijk kunnen runnen. Slim bedacht. En het gaat ook werken…. tenzij heel jeugdig Nederland lijsten inlevert met tenminste 500 peperdure wensjes, liefst meer. Dit is dus mijn snode plan: ik laat een paar miljoen placemats drukken die ik via de kinderdagverblijven verspreid met de oproep om massaal belachelijk lange verlanglijsten in te leveren bij de ToysXL. Nu zoek ik nog een sponsor…

De Sint-stress is weer begonnen

Er wordt bij ons aan de keukentafel al weer druk over gepraat: Sinterklaas. Mijn tweeling gelooft nog heilig in Sinterklaas. Maar ze vinden het wel raar dat de pepernoten al in de winkel liggen. “Blijven die pepernoten dan wel zo lang goed tot Sinterkaas in Nederland is?”, vraagt mijn dochtertje. Haar tweelingbroer rolt met z’n ogen en zegt dan heel pedant: “Natúúrlijk wel joh! Weet je dan niet meer dat we laatst pas de pepernoten van vorigjaar hadden opgemaakt? En die waren nog gewoon goed!” Deze discussie vindt plaats als ik ’s middags op papadag met ze aan de lunch zit.

Op dit soort momenten vind ik het altijd erg leuk om eens wat proefballonnetjes op te laten om hun geloof te testen. Ik vraag: “Zou Sinterklaas het nou nooit eens zat zijn om al die stoute kinderen kadootjes te brengen. Hij is tenslotte al meer dan 500 jaar”. Ze vallen natuurlijk vooral over die “stoute kinderen”. Maar na een tijdje merkt mijn dochtertje toch op dat niemand 500 jaar kan worden, maar daar heeft ze een oplossing voor: Er komt gewoon steeds een nieuwe Sinterklaas die de Sinterklaas die nú Sinterklaas is uit de hulp-Sinterklazen kiest. “Hij kiest dan gewoon een Sinterklaas die nog niet zo oud is en heel goed meehelpt”, zegt ze vol overtuiging.

Maar haar broertje ziet nog en ander probleem: “Maar SInterklaas is toch de broer van de Kerstman?”. Daar had z’n zus niet aan gedacht: “O ja, ach, maar Sinterklaas bestaat tóch niet echt”. Maar haar broertje hoort dat niet, of wil het niet horen. Hij zegt: “Ik denk dat Sinterklaas dan gewoon alleen maar de beste vriend van de kerstman is, toch papa?”. Ik knik geruststellend: “ja hoor, ze zijn vast hele dikke vrienden”. Hoewel ik ze op dit punt een beetje gerust heb gesteld, leidt het gelijk tot een nieuw dilemma: Sinterklaas kán helemaal niet dik zijn, want anders kan het paard hem toch niet het dak op krijgen? En hoe kan het paard eigenlijk op het dak komen?

Hun rotsvaste geloof is al aan het afbrokkelen. Het is prachtig om te zien hoe de logica in hun hoofdjes langzaam terrein wint op de tegenstrijdigheden. Ik leg maar snel uit dat het ook geen gewoon paard is, maar een beetje een toverpaard die gewoon heel lichtvoetig is en nét niet kan vliegen, maar wel heel makkelijk op een dak springt. Ik wordt met grote oogjes vol ongeloof en ook lichte bezorgdheid (is Papa gek?) aangekeken. Maar mijn oudste zoon (die al lang is ingewijd in het grote geheim) komt me te hulp: “Ja, het is ook geen écht toverpaard, maar een paard dat niet zoveel last heeft van de zwaartekracht”. En dat gaat er in als peperkoek. 

Heel even denk ik dat de Sint-stress weer even voorbij is, tot mijn oudste zoon ineens aan zijn jongere broertje en zusje vraagt of ze ook weten waarom de Pieten zwart zijn. Hij vertelt ze vervolgens dat het komt door de schoorstenen. Maar mijn dochtertje slikt dat niet: “Nee joh, want dan zouden hun kleren toch ook allemaal zwart zijn?”. Gelukkig heeft ze ook een oplossing: “Zwarte Pieten worden gewoon helemaal zwart getatoeëerd, dat kan je er nooit afwassen!”, zegt ze triomfantelijk. Schitterend toch? 

van de gezifte mugjes

Onnodig verontschuldigde iemand zich laatst tegen mij voor een gemaakt grapje. Hij is namelijk nogal van de geintjes, zo schreef hij. Zelf ben ik dat ook best, dus ik nam het hem in het geheel niet kwalijk. In een buitensportzaak vroeg iemand me ooit ook eens of ik van de grammetjes was, of toch meer van ’t comfort. Van geen van beide, zei ik, want ik ben namelijk nogal van de argwaantjes. Vooral bij verkopers, want die zijn vaak nogal van de gladde praatjes. 

Nu ben ik zelf nogal van de lettertjes, dus ik heb zoiets van: goh, wat een bijzonder taalgebruik eigenlijk. Het is een soort manier om luchtigheid in hetgeen je wilt zeggen te stoppen. Je klopt je zinnetje, als het ware een beetje op, zodat het makkelijker te verteren wordt voor jezelf of voor een ander. Een vent die bijvoorbeeld zegt dat ‘ie nogal van de vrouwtjes is, is dus meer óf juist minder van dat wat ‘ie zegt, afhankelijk van wie hij wil overtuigen: de ander, of zichzelf. Ik ben zelf aardig van de gezifte mugjes, maar onopgeklopt dus gewoon een aardige mierenneuker.

Het geheim van een lekker bakkie

image

Dit wordt mijn geitewollesokkigste verhaal ooit, maar ik ben nou eenmaal in die stemming. Het kan zo de Libelle in, zo erg. Het komt door het heerlijke, zonnige herfstweer buiten. Ik kreeg spontaan zin in een strandwandeling in een trui met kabelpatroon die ik niet heb, maar toch. En natuurlijk gaat de gezinslabrador – die ik ook niet heb, maar toch – ook mee. En als ik dan thuis kom wil ik natuurlijk een perfect, ouderwets bakkie. Geen moderwetse turbokoffie uit zo’n yuppiemachine (die overigens wel in onze keuken staat, maar toch), maar een eerlijke kop dampende, zelfgezette koffie.

Lekkere koffie hangt voornamelijk af van versheid, reinheid en rust. Zo voel ik dat. De koffie is vers gemalen. Waar de koffie vandaan komt is opzich ook heel bepalend voor de smaak, maar koffie gezet van ranzige, raszuivere Guatamalaanse Antigua (mijn favoriet) is ook niet te zuipen. Versheid voorop dus. Gemalen koffie blijft hooguit drie dagen goed. Ongemalen, gebrande bonen kun je ook maar enkele weken bewaren. Daarom drink ik dus ook zoveel koffie, want het bederft heel snel.

Koffiebonen zijn eigenlijk de pitjes van de vruchten (het lijken net kersen) van de koffieplant. Die pitjes worden door de koffieboer gewassen en gedroogd. Dat proces is al bepalend voor de smaak, maar daar heb je als gewone Hollandse koffieleut weinig invloed op. Die gedroogde pitjes bevatten de olie die dat heerlijke aroma aan de koffie geeft. Ze zijn in gedroogde, ongebrande vorm trouwens maanden lang houdbaar. In de koffiebranderij worden ze geroosterd tot de boontjes barsten. Vanaf dat moment kan de olie er veel sneller uit “lekken”. Er vindt één of andere chemische reactie met de lucht plaats geloof ik, maar hoofdzaak is dat de belangrijkste smaakbepaler na het branden van de bonen sneller vervliegt. Een kwestie van enkele weken en je kunt je gebrande bonen weggooien. Als je die bonen maalt vervliegt de olie nog sneller vanwege het veel grotere contact met de lucht. Vacuüm verpakken kan de houdbaarheid dus aardig verlengen, maar ik drink maar gewoon veel koffie.

Die olie zet zich tijdens het zetten van de koffie af in je koffiezetapparaat. In de pot, in het filter, in al die leidinkjes van de ingewikkeldere apparaten. Die olie wordt ranzig en gaat een vieze smaak aan je koffie geven. Kortom: hou je apparaat goed schoon. Op kalkaanslag blijft nog meer olie zitten, dus regelmatig ontkalken. Denk ook aan eventuele potten waarin je je koffiebonen (of gemalen koffie)bewaart. Maak ze goed schoon voor je er nieuwe koffiebonen in doet. De Duitse bierbrouwers hebben hun Reinheitsgebot voor bier. Voor koffie geldt eigenlijk hetzelfde.

En dan rust. Neem de tijd. Geniet van het riteel van het koffie zetten. Bijkomstig effect is dat je zorgvuldig te werk gaat. Mijn fijnste lekkere bakkie is ouderwetse Hollandse filterkoffie. Ik pas precies genoeg water af (1 kopje per maatschep koffie) en zet de waterkoker aan. Terwijl het water kookt maal ik de bonen. Ik doe de heerlijk geurende, gemalen koffie in het koffiefilter. Dan klikt de waterkoker uit. Ik laat het hete water 1 à 2 minuutjes staan (te heet water maakt de koffie heel smerig, ik weet niet hoe het komt, rond 85 graden celcius schijnt ideaal te zijn) en spoel ondertussen de thermoskan met heet water om. Dan zet ik de filterhouder op de pot en giet heel rustig de waterkoker er in leeg. Met een druppelstraaltje waarbij ik rondjes draai boven het filter. De zalige geuren die in mijn neus drijven, de prachtige kleuren van de schuimlaag op de koffiedrab in het filter en de zonnestralen die door het keukenraam op mijn handen komen, brengen mij in die Libelleske geitenwollensokkenstemming. Ik kan er niks aan doen.