De kunstkenner bespreekt een soort plat, beschilderd kistje met de dame die het heeft meegebracht. Het ding zweeft nog ergens tussen kitsch en kunst. Likkebaardend luistert de dame naar de kenner. Die kenners hebben overigens verdacht vaak namen die bij hen passen. Zoals Jan Vaassen (fictief), de expert op het gebied van Chinese Vazen.

“Wat een leuk kistje”, zegt de kunstkenner tegen de dame, die hoopvol meeknikt, maar bij dat “leuk” ook een lichtelijk nerveuze grimas trekt. “Van mijn betovergrootvader’s betovergrootmoeder geweest”, zegt de dame voor de zekerheid. “Leuk”, zegt de kenner. De dame knippert bij “leuk” met haar ogen. “Echt leuk”, herhaalt de kenner. Knipper-knipper-grimas, doet de dame.

De kenner keert het kistje om, zoekend naar een indicatie van enige waarde. Dat het ding op TV wordt uitgezonden is al een indicatie van opmerkelijkheid. Aan de achterkant is niets te zien dus wordt de voorkant weer naar de camera gedraaid. “Echt een grappig object”, zegt de kenner, “want het is helemaal geen doosje”. Hij schuift het deksel open en er verschijnt een schilderijtje. “Kijk, wat leuk, het is een verstopt kunstwerkje”. Bij deze “leuk” trekt de dame een gezicht alsof ze net een hap uit een citroen nam. 

“Het is natuurlijk geen schilderij, dus zo mogen we het ook niet waarderen”, zegt de kunstkenner. De dame schudt zachtjes met haar hoofd. Haar schouders hangen naar beneden. Alle hoop is verloren. Haar voorwerp blijkt kitsch te zijn. “Maar je ziet ze zo niet vaak”, zegt de kenner. De dame veert op. Haar ogen staan plotseling heel fel. Dat waarvoor ze is gekomen gaat ze nu te horen krijgen. De eurotekentjes worden al in haar begerige ogen zichtbaar. “Ja, echt een leuk ding. Heel leuk”. Bij iedere “leuk” vertrekt weer haar hele gezicht. En dan komen de verlossende woorden: “ik schat dit lollige ding toch in op een waarde van 1500 euro”. De dame kijkt zuur, heel zuur. Het valt duidelijk tegen en ze zegt, zoals de meesten die in het TV-programma voor de camera mogen: “nou, tóch leuk”.

Advertenties