O flierefluiter met je uitgetogen noten. Zo vrij als jij over de straten schalt. Rijkelijk strooi jij met puur geluk. Voor iedereen.

Ik benijd je, want ik kan wel fluiten maar niet flieren. Zo graag als ik gewoon eens met zo’n gelukzalige glimlach op mijn gezicht luid lallend door de straten zou willen durven huppelen. Maar ik ga liever gewoon dood dan van schaamte. 

Geremd ga ik door mijn leven. Banden zijn om netjes binnen te blijven. Eruit springen is doodgriezelig. Met stiekeme bewondering kijk ik, conformerend hoofdschuddend de flierefluiters na en zeg hardop: “wat een loser”, maar intussen stink ik van inwendige jaloezie. 

Advertenties