Volgens mij ben ik een superheld geworden. Ik kan me natuurlijk vergissen, maar ik overweeg serieus de aanschaf van zo’n strakke hansop waar je onderbroek dan overheen draagt. Met bijpassende wappercape.

Het zit zo: Mijn halve gezin, echtgenote incluis, ligt in de lappenmand te blaffen en te steunen. Ik vlieg (vuist naar voren, één knietje opgetrokken) af en aan met kopjes thee en kippensoep. Ik dep gloeiend hete voorhoofdjes met natte washandjes. Ik wring nat gezweette lakens uit. Tegelijkertijd doe ik boodschappen, vier ik het kampioenschap van het voetbalteam van mijn zoontje (die niet ziek is) en breng ik een beleefd bezoekje aan het 40-jarige jubieumfeest van de buren. En tussen de heldentoeren door stop ik ook even de halve inboedel in verhuisdozen, doe ik de was en kook ik het eten (waar vervolgens de helft van over blijft).

Ik moet onfaalbaar zijn voor mijn geliefde Metropolisje. Dus ik suis stoer rond het huis. Te snel voor het menselijk oog. Dan flits ik hier heen dan zoef ik daar heen. Maar het griepvirus dat ik zo dapper bestrijdt, vecht gemeen terug. Ook bij mij ontwikkelen zich de kryptonietgroene klodders. Te snel, te snel. Plotseling ben ik toch weer die sterfelijke sukkel met die bril. Mijn Lois wil ineens een tosti, maar haar held laat het afweten, of toch niet…

Advertenties