Maand: maart 2013

Ode aan de waardeloosheid

Er zijn woorden die teveel betekenis hebben. Neem nou “waardeloos”. Bij dat woord denkt iedereen (jij ook, geef maar toe) meteen aan “slecht”. Helemaal platgeslagen kan iets waarde hebben, of geen waarde hebben. Daar speelt natuurlijk ook het perspectief van de beoordelaars een rol. Waarde is vaak subjectief. Waarde is vaak iets dat een gek ervoor geeft. Maar als iets, bezien vanuit een bepaald gezichtspunt (ook al is het een gekke), geen waarde heeft, dan is het dus vanuit dat gezichtspunt zonder waarde, ofwel: waarde-loos.

 

Dus als Gordon (om eens een gek te noemen) bij Holland’s got Talent jouw auditie waardeloos noemt, dan heeft jouw optreden alleen maar geen waarde voor Gordon en iedereen die waarde hecht aan Gordon’s mening. Dan is het dus niet per definitie een slechte auditie, alleen maar een auditie die niet wordt gewaardeerd door Gordon. En dan gaat het ook alleen maar om de auditie en niet om jou als persoon. Jouw eigen waarde bepaal je vooral zelf. Heb daar vertrouwen in. Dan kun je altijd waardig van een podium verdwijnen (of er gewoon blijven staan, zoals Gordon).

 

Niemand is natuurlijk waardeloos, en als iemand je toch waardeloos vindt, dan betekent het niets meer dan dat die persoon je niet kan waarderen om wat hij of zij van je heeft gezien. Je kunt hooguit waardeloos gedrag vertonen en zelfs dat is subjectief. Ik ga er altijd van uit dat alles en iedereen waarde heeft. Als het niet voor mij is, dan wel voor een ander. Zelfs voor waardeloosheid kan waardering worden opgebracht. Vandaar deze ode aan de waardeloosheid.

Bloempotmomenten

Nu is mijn tienertje (de enige op dit moment) nog meegaand genoeg dat je hem met een tondeuse te lijf kunt gaan om zijn koppie te fatsoeneren. Ik kon het gisteren niet meer aan zien. Hij is niet behept met zijn vader’s fiere, krullende manen, dus het hing hem voor zijn ogen en over zijn oren. Hierdoor wekte hij de indruk dat hij sterk verminderd zicht en gehoor had. Maar dat kon ook wel eens van Oost-Indische natuur zijn natuurlijk.

Dus ik riep hem maar eens bij me. De tondeuse en de bloempot stonden al klaar op de keukentafel. Gedwee kwam mijn vent eraan gesloft en liet zich installeren op zijn triptrap. Keepje om. Bloempot op zijn kop en scheren maar. Ach nou ja, dat van die bloempot is natuurlijk kolder, want dat is helemaal niet nodig met de tondeuse en opzetstukje 12mm.

Als mijn ventje kon spinnen, dan had ‘ie het gedaan. Hij zat heerlijk te genieten van het gefrummel aan zijn hoofd. Heerlijk toch? Ik vond het zelf ook best lekker. De plukken haar dwarrelden om ons heen en het joch begon er steeds knapper uit te zien. Tot hij weer zo’n lekker zacht kriebelnekkie had waar ik nou niet meer af kan blijven. Vindt ‘ie heel erg hoor dat papa hem steeds over zijn stoere bolletje wil kroelen, de knuffeldoos.

Ja, die bloempotmomenten hou ik erin!

Heren horen niet in bussen

Tussen Zwolle en Meppel reden gisteren even geen treinen. Dat heb je soms. Deze keer stonden er ruimschoots genoeg, luxe bussen klaar. Als schaapjes werden de passagiers bijeen gedreven door mannetjes en vrouwtjes in fluoriserende gele vestjes. Gedwee liet ik me mee drijven tot ik op mijn plekje in de bus zat. De chauffeur had sky radio aan staan. Uit de plafond-speakers boven de stoelen klonk muziek uit de jaren 80. Roxette, geloof ik.

Schuin voor me ging een deftig heerschap met een Frans hoedje op zijn grijze kop met een diepe zucht zitten. Hij spotte de chauffeur van de bus die even door de bus liep om te zien of iedereen recht zat. “Chauffeujjjj, kan dit uit alstublieft?”, riep het heerschap met de Franse hoed, en hij wees naar de plafond-speaker boven zijn hoofd. “Nee, dat kan niet”, zei de chauffeur kortaf. Het heerschapje keek geërgerd om zich heen, op zoek naar medestanders, maar zijn buurman deed snel zijn oordopjes in. Zelf dook ik maar in mijn elektronische boek.

De heer met het hoedje zag er nu toch wel wat sneu uit. Hij had zijn tas op zijn knieën en zijn handen om de hengsels geklemd. Het is me ook wat: van ruime stoel in de 1e klas naar een krappe stoel in een bus. Ik zat feitelijk in hetzelfde schuitje, maar schikte me maar gewoon naar de situatie. Ze hadden me ook uren op het koude perron kunnen laten staan in vertwijfelde afwachting op informatie over de toestand. Maar het heertje met de Franse hoed wilde het er niet bij laten zitten. Met bevende handen haalde hij een papiertje uit zijn tas. Een foldertje over ’t een of ’t ander. De achterkant was blanco. Toen haalde hij een chique pen uit zijn binnenzak en schreef hij driftig: “17.50, in de bus”.

Het boze heertje dacht een tijd na. Zijn dikke vingers frummelden nerveus. Plotseling beseft ik me dat ik de man zat te bespieden, dus besloot ik mijn ogen maar even dicht te doen. In mijn gedachten schreef ik met het boze heertje mee: “Geachte heer, met diepe verontwaardiging wil ik u mededelen dat ik door de uwen nogal onheus en met onbetamelijk gebrek aan respect voor oudere heren met hoeden bejegend ben”, zoiets.

Het duurde niet lang voor we in Meppel aan kwamen. Niks langer dan de trein erover zou hebben gedaan. Toen ik mijn ogen open deed ving ik een glimpsje op van het papiertje van het boze heertje met de Franse hoed. Er stond een tijdslijn op. Aan het begin ervan stond 1979. Toen was het OV-personeel nog vriendelijk en beleefd. Toen zette de NS nog taxi’s in voor heren met Franse hoeden. Heren horen toch ook niet in bussen waar je wordt gedwongen te luisteren naar popmuziek?

Tegenwoordigheid van geest

“Ja, maar je had blijkbaar wél de tegenwoordigheid van geest om een paraplu mee te nemen”, hoorde ik laatst een vrouw tegen haar echtgenoot zeggen. Ik ving alleen dit stukje van een gesprek (meer een monoloog eigenlijk) tussen een 60+ echtpaar op terwijl ik over een perron liep. De vrouw zei het op verwijtende toon. De man keek ietwat ongemakkelijk om zich heen. Heel even hadden we oogcontact. Instant begrip over en weer.

Later bleef ik maar nadenken over dat “tegenwoordigheid van geest”. Wat een mooie uitdrukking is het eigenlijk. Ook al misbruikte die vrouw op het perron het om haar echtgenoot een veeg uit haar pan te geven. Het betekent dat je in een heldere toestand verkeert, een toestand waarbij je je hoofd er goed bij hebt. De mopperende echtgenote verwees met haar snibbige opmerking natuurlijk naar de periode van totale afwezigheid van geest dat vooraf ging aan dat moment dat hij er aan dacht om zijn paraplu te pakken.

De man onderging het gelaten. Hij had duidelijk de tegenwoordigheid van geest om haar niet tegen te spreken. Uit liefde voor zijn vrouw hield hij zijn geestdrift maar in toom.

Eens te meer begrijp ik dit prachtige lied: Liefde van later (gezongen door Herman van Veen, geschreven door Jacques Brel):

Als liefde zoveel jaar kan duren
dan moet het echt wel liefde zijn
ondanks de vele kille uren
de domme fouten en de pijn…

Stoere mannetjes en hun apenstreken

Stoere mannetjes. Jongetjes eigenlijk. Ze weten zich met hun eigen onwetendheid en onervarinheid geen houding te geven. Ze meten zich een houding aan die ze niet past. Twintig maten te groot, waardoor ze er lachwekkend uitzien. Als gorilla’s  – schouders naar voren, knokkels naar de grond – hangen ze rond hun opgefokte brommertjes en hun tot idiote properties uitgebouwde autootjes. 

Kijk er maar dwars doorheen. Stoere mannetjes dragen een masker. Erachter schuilt een kwetsbaar en onzeker ventje. Zijn houding is zijn bewapening en zijn schulp. Stoere mannetjes redeneren primair vanuit hun jeukende balletjes. Daar halen ze hun schijnzekerheid vandaan. En onder elkaar zijn ze dan heel wat, fokken elkaar op tot ongelooflijke “heldendaden”. In Haren weten ze daar alles van. 

Ik erger me eraan dat dit soort apenstreken, want dat zijn het, hoe extreem ook, leiden tot peperdure onderzoeken waaruit dan altijd blijkt wat we al wisten: we hadden het moeten zien aankomen en we hadden het niet mogen onderschatten

Voor altijd

We hadden het hele eind naar het grote veld in het park gehold. Mijn boezemvriend met de afgetrapte, leren voetbal onder zijn arm. Het was voorjaar. Alles geurde er naar. Vanuit de blauwe hemel lachtte de zon puur geluk naar ons toe. Twee jonge honden die barstten van de levensenergie. Als dollen renden we achter elkaar aan. Probeerden de bal van elkaar af te pakken. We hadden geen remmen, want wat heb je daar nou aan op die leeftijd?

Hijgend ploften we languit op onze rug neer op het verende mos- en grastapijt onder “onze” boom en staarden omhoog naar de lentegroene pracht boven ons. We zwegen in koor. Alles om ons heen gonsde van leven. Als je je blik in de verte hield vermengden de kleuren van de jonge bladeren zich met het blauw van de lucht. Het voelde alsof we konden opstijgen. Licht in ons hoofd van al dit pure geluk. “Weet je?”, vroeg mijn boezemvriend. “Ja”, zei ik, “we blijven hier voor altijd liggen”. 

De beledigde barbier

Omdat mijn kapsel eigenlijk al ruim over datum was, ging ik maar weer eens naar de kapper. In het dorp zitten drie kapsalons, allemaal met uitzicht op de brink. Ik vermoed zelfs lokale kartelvorming, maar ik vind het hartstikke okee. Loyaal als ik ben, ga ik altijd naar dezelfde. Daar wordt ik altijd warm onthaald, met koffie en een praatje.

Ik ben altijd een paar minuutjes te vroeg, zodat ik nog even de krant (Telegraaf, maar ach)  kan lezen bij mijn kop koffie. En zodat ik alvast even kan voor-ouwehoeren met de kapper die nog druk aan het knipperdeknipperen is met een klant. Heerlijk. Ik kom er echt graag, hoewel ik mijn bezoek altijd eindelooos uitstel. Dit kan ik doen vanwege mijn platte haarzakjes. Daardoor krullen mijn haren fanatiek terug omhoog. Dus het duurt even voor ik door krijg dat mijn pony eigenlijk al tot voorbij mijn mond kan worden getrokken. De kapper klaagt er nooit over en snoeit mijn haardos weer professioneel tot blitse properties.

En toch heb ik mijn barbier beledigd. We hadden het over blauwe randen en parkeerschijven. Die dingen moet je tegenwoordig bijna in het heule dorp gebruiken. En als je het niet doet hangt er een malse boete boven je hoofd: 85 euro. “Daar kan je een aantal keren van naar de kapper” , flapte ik er dom uit. Mijn barbier werd – achteraf terecht – kribbig en vond dat ik dan maar de komende weken iedere week moest langskomen. “eh, ja, da’s best”, zei ik zonder het te menen. Er viel een pijnlijke stilte. Alleen zijn schaar knipperdeknipperde nog. Gelukkig kwam de volgende klant toen binnen die hij van koffie moest voorzien. Daarna ouwehoerde die klant ook alvast voor en kon ik weer gezellig meehumhummen.

Nu moet ik steeds als ik in het dorp de auto in een blauwe zone parkeer aan mijn gepiekeerde kapper denken. Even overweeg ik om de schijf niet te gebruiken, zodat ik de eventuele boete (en de bon bewaar ik dan) de volgende keer als ik weer met een idioot verwilderd kapsel in zijn stoel zit kan gebruiken als excuus. Ja, zo’n krent ben ik.