We hadden het hele eind naar het grote veld in het park gehold. Mijn boezemvriend met de afgetrapte, leren voetbal onder zijn arm. Het was voorjaar. Alles geurde er naar. Vanuit de blauwe hemel lachtte de zon puur geluk naar ons toe. Twee jonge honden die barstten van de levensenergie. Als dollen renden we achter elkaar aan. Probeerden de bal van elkaar af te pakken. We hadden geen remmen, want wat heb je daar nou aan op die leeftijd?

Hijgend ploften we languit op onze rug neer op het verende mos- en grastapijt onder “onze” boom en staarden omhoog naar de lentegroene pracht boven ons. We zwegen in koor. Alles om ons heen gonsde van leven. Als je je blik in de verte hield vermengden de kleuren van de jonge bladeren zich met het blauw van de lucht. Het voelde alsof we konden opstijgen. Licht in ons hoofd van al dit pure geluk. “Weet je?”, vroeg mijn boezemvriend. “Ja”, zei ik, “we blijven hier voor altijd liggen”. 

Advertenties