Stoere mannetjes. Jongetjes eigenlijk. Ze weten zich met hun eigen onwetendheid en onervarinheid geen houding te geven. Ze meten zich een houding aan die ze niet past. Twintig maten te groot, waardoor ze er lachwekkend uitzien. Als gorilla’s  – schouders naar voren, knokkels naar de grond – hangen ze rond hun opgefokte brommertjes en hun tot idiote properties uitgebouwde autootjes. 

Kijk er maar dwars doorheen. Stoere mannetjes dragen een masker. Erachter schuilt een kwetsbaar en onzeker ventje. Zijn houding is zijn bewapening en zijn schulp. Stoere mannetjes redeneren primair vanuit hun jeukende balletjes. Daar halen ze hun schijnzekerheid vandaan. En onder elkaar zijn ze dan heel wat, fokken elkaar op tot ongelooflijke “heldendaden”. In Haren weten ze daar alles van. 

Ik erger me eraan dat dit soort apenstreken, want dat zijn het, hoe extreem ook, leiden tot peperdure onderzoeken waaruit dan altijd blijkt wat we al wisten: we hadden het moeten zien aankomen en we hadden het niet mogen onderschatten

Advertenties