Maand: mei 2013

Overstekende huppel…

Om me heen zie ik louter hippe mensen. Erg thuis voel ik me er niet. Rondom mijn hotel bevinden zich clubs vol met hippe gasten. Het hotel zelf is ook hip. Door mij is de hipte in het hotel en de omgeving wel wat gedaald, maar ik denk niet dat het erg opvalt. Ik bevind me kennelijk in één van Stockholm’s hipste regionen. Mijn Zweedse gastheer legde me uit dat dit een upper class area is. Vandaar namelijk al die schone Zweedsen, zo legde hij verder uit. Die komen blijkbaar op dit gebied af als vliegen op een koeievlaai.

Ik dacht eigenlijk ook al dat die Zweedse schonen helemaal niet bestonden, net zo min als al die elanden waarvoor langs de Zweedse wegen wordt gewaarschuwd. Misschien zitten die elanden dan ook wel hier in Stockholm, in de upper class area. In mijn veel te hippe hotel staat wel een hip kunstwerk (zie foto) dat dit vermoeden verder versterkt.

moose-art.jpg

Die Zweedse schonen zien er overigens opvallend uniform uit. Ze hebben allemaal een paardestaart (of zouden ze het hier een moose tail noemen?) en dragen opvallend vaak een zwarte legging met vaak ook iets zwarts erboven. Ze bewegen zich vooral huppelend voort op felgekleurde sneakers, terwijl ze via de witte oorplugjes van hun hippe iphone kwetteren met andere hippe vogeltjes. Het zijn bijna wandelende silhoueten. Je zou ze zo op een verkeersbord kunnen plakken: let op, overstekende huppel…

Zombievrees

Als ik weet dat mijn hoofd een vergiet is.

Weet dat ik niets meer schijn te kunnen onthouden

Dat ik me nergens meer voor kan interesseren

Mijn mening niet meer uitspreken kan

Mijn schouders voor alles ophaal

Alles om me heen zou vergeten

Besef dat ik niets meer zeker weet behalve dat

Dan vrees ik dat ik niet meer leef

Gerda’s heldendaden

De verkoper wreef genoegzaam in zijn handen toen hij de blonde dame in mantelpak de showroom zag binnen lopen. Ze liep recht af op een glanzend opgepoetste occasion. Een metallic grijze Renault Megane Cabrio die een maand geleden nog helemaal om een boom gevouwen had gelegen. De wagen was eigenlijk total loss verklaard, maar toch stond hij hier in de showroom te glimmen als een verse hondenkeutel in de maneschijn.

De mannen in de workshop hadden de wagen weer rechtgetrokken, uitgedeukt en opgekalefaterd met allerlei onderdelen van de sloop. Eigenlijk was het onderstel van de wagen helemaal ontzet geweest waardoor het behoorlijk verzwakt is, maar dat zie je niet aan de buitenkant. Ja, alleen een echte Renault Expert zou het heel misschien kunnen zien als hij op een afstandje recht voor de auto hurkt en met één oog dichtgeknepen langs de auto kijkt. Dan zou hij heel misschien opmerken dat de achterwielen niet helemaal recht achter de voorwielen staan. Het gaat om millimeters, dus dat ziet echt niemand.

De blonde zakendame loopt verlekkerd om de cabrio heen. “Mooi hè”, zegt de verkoper,  “net binnengekomen, echt een plaatje”. De blonde dame kijkt op en neemt een iets meer onverschillige houding aan. “Doet het elektrische dak het?”, vraagt ze dan. De verkoper zwaait de bestuurdersportier open en zet de wagen op contact. De achterkant van de auto vouwt zich even later zoemend open en het dak ontvouwt zich.

Niemand merkt de kleine spichtige gestalte op die op dat moment langs de auto loopt. Ze draagt nog wel een knalgele regenjas met daaronder felrode regenlaarzen. Maar daar is ze wel aan gewend. Niemand merkt Gerda op. Ze is erg onopmerkelijk. Eigenlijk is alles opmerkelijker dan Gerda. In haar aanwezigheid vinden mensen ineens spelden in hooibergen omdat ze plotseling in het oog opspringen.

Voor Gerda is dit natuurlijk nogal frustrerend. Op vierjarige leeftijd vergat zelfs haar eigen moeder dat ze bestond. Ze was hiervoor in therapie gegaan bij een psycholoog, maar ook die beste man vergeet steeds dat ze zijn patiënt is. Maar ze had nog geen dag spijt gehad van haar besluit om naar de psycholoog te gaan, want daar had ze de eerste persoon ontmoet die haar wel opmerkte. Een ongelooflijk vreemde kerel met woeste haren en borstelige wenkbrouwen. Hij had haar heel indringend aangekeken met zijn fonkelende ogen. Otto, zo heette hij.

Maanden na hun eerste ontmoeting stond Otto ineens naast haar. Ze maakte, ver na sluitingstijd, een nachtelijk wandelingetje door het Rijksmuseum. Als je aan hyperonopvallendheid lijdt, dan is gratis toegang tot musea één van de geneugten. Toen ze voor de Nachtwacht stond, stapte er ineens een enorme gozer met een woest kapsel uit de schaduw. “Schrik niet”, zei hij, “ik ben het, Otto”. Ze schrok zich rot en in een reflex hield ze haar adem in en maakte zich zo onopvallend mogelijk. “Doe geen moeite, ik zie je heus wel”, zei Otto rustig.

Ze hadden lang gepraat daar bij de Nachtwacht. Otto had haar geadviseerd om te proberen haar uiterst zeldzame eigenschap om te buigen in iets positiefs, iets waar ze voldoening van zou krijgen. Iets waarmee ze anderen helpt de dingen te zien die voor hen gemaskeerd worden. En daarom loopt ze in de showroom van deze oplichter. Ze had gezien hoe de Cabrio eruit had gezien. Hoewel ze bewondering had voor het resultaat van het werk aan deze auto, wilde ze voorkomen dat de blonde vrouw de auto zou kopen.

De blondine liep om de auto heen. Haar hoofd een beetje schuin. Voor de auto zet ze langzaam enkele passen naar achteren. Gerda zwiert draaiend met haar regenjas langs de auto. Plotseling fronst de blondine haar wenkbrouwen, “Is deze wagen echt ongevalvrij?”, vraagt ze dan. “Ja hoor mevrouwtje, 100%”, zegt de verkoper zelfverzekerd, maar er parelt een dikke druppel zweet onder zijn toupetje vandaan die hij snel wegdept met een zakdoek.

De blonde vrouw hurkt dan naar beneden en kijkt met één oog langs de linkerzijde van de auto. “Ik zou anders zweren dat die achterwielen ietwat naar links staan ten opzicht van de voorwielen hoor”, zegt ze dan verontwaardigd. “Maar mevrouwtje…”, probeert de autoverkoper, maar de blondine kapt hem bits af: “Niks mevrouwtje! Verkoop dit wrak maar aan een ander!”. Gerda rent langs de verbijsterde verkoper en plukt zijn toupetje van zijn kop. Ze gooit het giechelend omhoog en huppelt voldaan de winkel uit, achter de nuffig stappende blondine aan.

De techniek staat voor niets!

Er liggen sinds enkele weken een tiental glimmende zonnepanelen te pronken op mijn dak. Tezamen kunnen ze, als het zonnetje er in volle glorie op neer straalt, 2500 Watt produceren. Da’s zat prik voor bijvoorbeeld de wasdroger. Dus de droogmolen kan wel weg. Scheelt een hoop gepriegel met wasknijpertjes.

De zonnestroom komt uit in een apparaat dat ervoor zorgt dat mijn wasdroger er iets mee kan. Die verwacht namelijk 220 volt wisselspanning op een frequentie van 50 Hertz. Het apparaat moet de gelijkstroom van de zonnepanelen omtoveren in standaard stopcontactstroom, maar dan wel hele groene.

Zo’n apparaat noemen ze, heel logisch, een omvormer. Bij ons hangt die in de bijkeuken. En als het zonnetje lekker vel op ons dak schijnt, dan giert de omvormer van de pret. Je hoort dan een schrille pieptoon die doet denken aan dat geluid dat oude beeldbuistelevisies wel eens maakten, maar dan 10 keer zo luid. Iedere keer als we het horen, zeggen we: “Hoor dat zonnetje nou toch eens lekker schijnen!”. De techniek staat voor niets. 

In de meterkast staat nog een stukje techniek die voor niets staat. Een zogenaamde “slimme meter“. Die kan niet alleen het aantal verbruikte kilowattuurtjes tellen, maar ook het aantal opgewekte kilowattuurtjes. Voor de eerste soort moet ik betalen en voor de tweede krijg ik geld terug. Met een slim pijltje op de display laat het me weten in welke richting de stroom op het moment loopt. Dus als ik dat pijltje richting voordeur zie wijzen, dan stroomt mijn stroom naar buiten en kan ik even lekker slapen, want dan stroomt (nou ja, “druppelt” is een betere term) het geld dus letterlijk binnen. Die zonnepanelen betalen zich zo dus langzaam helemaal terug. Die techniek staat straks letterlijk voor niets.

Nog iets heel slims is dat mijn slimme meter zelf de meterstanden doorgeeft. Dat hoef ik dus nooooooit meer zelf te doen. De meter is feitelijk op afstand uitleesbaar door de netbeheerder. Men maakt zich wat dat betreft zorgen over privacy enzo, maar ik niet. Ik zet mijn halve privé-leven op facebook en dit blog. Bovendien puilt mijn portemonnee uit van de bonus- en klantenkaarten.

Wat wel een beetje eng is, is het feit dat de netbeheerder de slimme meter ook op afstand kan afschakelen (bij wanbetalers bijvoorbeeld). Al die slimme meters hangen aan een computersysteem bij de netbeheerders. Ik ga er maar van uit dat die heel goed beveiligd zijn, want ik zit er niet op te wachten dat een Iraneese hacker bij mij het licht kan uit doen. Ooit fantaseerde ik al eens de “Robbery Planr”, een soort app waarmee inbrekers met een klik van de muis een wijk in het donker kunnen zetten. Pure fictie natuurlijk, maar de techniek maakt het in principe mogelijk. Die staat dus weer eens voor niets! 

Antidrift

Dokter, heeft u iets tegen lange tenen? Een pilletje dat ik kan nemen als ik voel dat zich een donderkop boven mijn hoofd ontwikkelt? Een zalfje misschien, dat ik op mijn vel kan smeren waardoor ik er niet zomaar uit kan springen? Of anders een paar flesjes vloeibaar geduld. Zoiets bestaat toch vast wel, dokter?

Ik draag uit voorzorg ook nooit meer sloffen, dokter. Dan kan ik er ook niet uitschieten, ziet u. En ik heb ook altijd een ijszak paraat om mijn hete hoofd snel te kunnen afkoelen. Ik heb zelfs een speciaal hoedje voor in de auto, die ik heb aangesloten op de airco.

Dokter, ik heb iets nodig waardoor ik mijn lontgroei stimuleer. Daar heb ik namelijk een chronisch tekort aan, aan lont. Eigenlijk ben ik een strijker. Zijn er misschien speciale vitaminen die ik daarvoor kan nemen? Misschien in combinatie met een brandwerend kauwgumpje zodat ik minder licht ontvlambaar wordt? Ja, ik noem zo maar even wat dingen, dokter.

Er moet toch iets te doen zijn aan die heetgeblakerdheid, dokter? Mijn dochter is al net als ik. Een heethoofd, een driftkikker. Als ik oplaai, dan laait zij heerlijk mee, en omgekeerd. Dan staan we vreselijk tegen elkaar in te vlammen. Op zulke momenten wil ik snel de rede en de kalmte terug vinden, ziet u. Liefst nog kort daarvoor. Dokter, desnoods geeft u me een placebootje. Als het werkt, dan werkt het. Toch? 

Schapenbloemen

We zijn op weg terug naar huis na een te kort weekje camperen in het bos en rijden langs een weide die geel ziet van de paardenbloemen. Het is een schitterend gezicht. Ik wijs ernaar en zeg tegen ons kleuterjochie: “Kijk eens, heeeeel veel paardenbloemen in de wei! Zometeen komen de paardjes om ze op te eten”. Het ventje, dat naast me zit, kijkt maar buiten en speurt naar paardjes. “Waar zijn de paardjes nu dan, papa?”, vraagt hij dan. Ik antwoord: “Ik weet het niet. Misschien zijn ze ook wel op vakantie”.

Daar neemt mijn ventje blijkbaar genoegen mee, want hij geeft geen commentaar. Maar even later rijden we langs de ijsbaan. Nu is het gewoon een groen, weitje met alleen maar gras. Er loopt een handvol schapen op. “Kijk papa!”, roept ‘ie dan ineens, “de schaapjes hebben de schapenbloemen allemaal al opgegeten!”. Die ijzeren logica heeft ‘ie natuurlijk van zijn vader, dat is duidelijk.