Maand: november 2013

Kunst #6wmb

image

Kunst is eigenlijk geen kunst aan

Advertenties

Slimme deurbel tegen donateurjagers

Ze komen bij voorkeur als je thuis bent natuurlijk. Die tactiek begrijp ik best. En wanneer zijn de bewoners van Nederlandse woningen meestal thuis? Juist, rond zes uur ’s avonds. Als we aan tafel zitten en ons avondmaal nuttigen. Collectanten benutten deze kennis. Dat vind ik heel slim en ik geef eigenlijk altijd. Ook al komt dezelfde collectant iedere maand langs. Daar zul je mij niet over horen klagen, want mijn maaltje koelt er nauwelijks van af.

Waar ik wel over wil klagen zijn die figuren die aan je deur komen met zo’n clipboard in de hand. Die figuren komen vaak met hordes tegelijk je straatje in om in een uur tijd de hele buurt af te struinen naar donateurs. Als je de deur open doet stellen ze zichzelf en de organisatie die ze representeren netjes voor. En daarna steken ze vlot een goed ingestudeerd verhaal aan je af over het goeie doel waar ze voor lopen. Dit verhaal duurt een minuutje ofzo, gedurende waarin ik, ondanks het feit dat mijn eten koud ligt te worden op mijn bord, beleefd en vriendelijk ja knik.

En als ze klaar zijn met dat verhaal houden ze een formuliertje onder mijn neus met de vraag of ik even wil tekenen voor een vaste maandelijkse overboeking van een bedragje voor een periode van een half jaar ofzo. En dat doe ik dus niet. Eerlijk gezegd weet ik niet precies waarom, maar het heeft iets te maken met het feit dat er teveel commitment van me wordt gevraagd door iemand die ik niet ken van een organisatie die ik vaak ook niet ken. Bovendien kost me dit gewoon teveel tijd. Ik teken dus nooit en vraag altijd om een foldertje of website-adres. Dan scheep ik ze af met de belofte dat ik het foldertje of website ga bekijken en dan op een moment dat het mij wel uitkomt besluit of ik geld doneer of niet.

En laatst gebeurde het onvermijdelijke. De zoveelste vlotte donateurenzoeker belde bij ons aan terwijl ik net een hap in mijn mond deed. Woest stond ik op van mijn stoel, stierde naar de voordeur en trok deze met een ruk open. De arme knul stak beleefd zijn hand naar me uit en vroeg hij zich even mocht voorstellen. Ik nam de hand niet aan en briestte: “Nee, want ik heb hier nu even helemaal geen tijd voor!”. De knul keek nogal beteuterd, maar desondanks deed ik de deur resoluut dicht en hervatte snuivend van boosheid mijn nog warme maaltijd.

Het voelde helemaal niet goed natuurlijk. De knul had helemaal niets mogen zeggen van me. Ik ging er maar vanuit dat hij mijn maaltijd kwam verdoen. Waarschijnlijk was dat ook zo, maar toch. Dit zou natuurlijk veel vriendelijker opgelost kunnen worden met een slimme deurbel die naast de belknop ook de cijferknopjes heeft van een telefoon. Degene die rond etenstijd aanbelt krijgt dan de volgende boodschap te horen: “hier volgt een keuzemenu: heeft u een collectebus kies 1, heeft u een machtigingsformuliertje kies 2”. En als je “2” kiest mag je na de piep je verhaaltje inspreken en het adres van je website achterlaten. 

Kopi Knarf (deel II van het “Bokito-recept”)

Waarom worden de bewoners van tientallen huizen om onverklaarbare reden plotseling tegelijk klaarwakker? Waarom vangt Otto de Magiër een zwijn? Waarom voert Otto dit zwijn rijpe, topkwaliteit Arabica-bessen die hij zelf heeft geplukt in Guatemala? Welk noodlot is dit zwijn beschoren? Wat heeft dit met een Gorilla genaamd Bokito te maken?

~~~

Het bewuste zwijn vreet zich intussen helemaal vol aan de heerlijke, zoete koffiebessen, en is zich niet bewust van enig noodlot. Het schrokt de bessen met pit en al naar binnen. De trog gaat tot en met de laatste bes leeg. Daarna likt het zwijn de trog helemaal schoon. Teleurgesteld snuffelt het zwijn de schuur af naar meer van dat lekkers, maar vindt niets.

Buiten zakt een bloedrode zon langzaam achter de horizon. De laatste stralen komen door de kier van de deur. Het zwijn drukt zijn snuit tegen de kier en voelt dat de deur een beetje meegeeft. Meteen kruipt het beest recht achteruit tot het met zijn kont tegen de voedertrog komt. Dan zet het zich schrap en stiert met enorme vaart richting de deur. Met een enorme klap beukt het zwijn tegen de deur, dat al na de eerste klap uit een scharnier breekt. En al na de derde keer ramt het dikke zwijn dwars door de onderste helft van de schuurdeur, naar buiten.

Het zwijn schiet als een kanonskogel door Otto’s achtertuin. Alhoewel “tuin” het minst toepasselijke woord is voor het stukje land achter Otto’s huis. Het is net zo’n woekerende willekeur aan begroeiing als Otto’s eigen kapsel. Desalniettemin schiet het zwijn door die wildernis. Het zwijn beseft zich niet dat het ten dode is opgeschreven. Knarf, de gevaarlijkste huiskat van Europa (en reden dat zich in dit gebied geen wolven wagen) sluipt namelijk achter het malse zwijn aan. Het zwijn komt tot stilstand bij een doornige, wilde rozenstruik. Daar scharrelt het snuivend een beetje heen en weer, op zoek naar een doorgang.

Knarf weet dat die doorgang er niet is en zet zich schrap. Kop laag, alle zintuigen gespitst op het zwijn (hij ziet er eigenlijk twee), kont wiebelend en staart zwiepend van links naar rechts. En hij springt, dodelijk als een panter en lelijk als de nacht, op zijn prooi af. Even later dendert er een gillend zwijn door Otto’s tuin met om zijn nek een woest grommende kater. Knarf heeft zijn scheve maar krachtige kaken om de nek van het zwijn geklemd, als een pitbull. Het duurt niet lang voor het zwijn ineen zakt omdat zijn nekwervels zijn verbrijzeld.

~~~

Als Otto de deur van zijn geïmproviseerde zwijnenstal hoort versplinteren, schiet hij uit zijn stoel en rent via de achterdeur de tuin in. Hopelijk heeft het zwijn zich nog wel kunnen vol vreten, denkt hij bezorgd. Bij de schuur aangekomen ziet hij tot zijn genoegen dat de trog letterlijk schoon leeg is. Hij volgt het spoor van het zwijn. Met zijn zaklamp schijnt hij voor zich uit. En dan ziet hij het bloederige karkas van het zwijn. Vanuit de rozenstruiken klinkt een vervaarlijk gegrom. Otto ziet Knarf’s schele katteogen oplichten in de straal van zijn zaklamp. Mooi, denkt Otto, heel mooi, en hij wandelt tevreden terug naar binnen.

De volgende ochtend treft Otto zijn kater aan in zijn stoel. Het afzichtelijke beest trekt zijn scheve muil open en gaapt uitgebreid. “Gatver Knarf, je meurt ongelooflijk uit je bek”, zegt Otto, “wat heb jij nou weer gevreten?”. Knarf, ongevoelig voor dergelijke beledigingen, rekt zich uitgebreid uit en springt van de stoel. Hij sjokt naar de achterdeur en zet zijn klauw, met uitgestoken nagels tegen de laklaag van de achterdeur. Het is duidelijke taal: “doe de deur open of ik krab hem kaal”. Otto doet de deur voor Knarf open en zegt liefdevol: “Rot maar lekker op, schijtkat”

Knarf moet inderdaad ontzettend nodig schijten (het is niet anders, katten poepen niet, ze schijten). Zijn maag borrelt en bruist. Dat malse zwijn van gisteravond ligt abnormaal zwaar op zijn maag. Snel kruipt hij naar zijn vaste schijtplek onder een grote, oude spar die ondanks, of misschien juist dankzij Knarf’s uitwerpselen welig tiert. Knarf graaft een kuil en zijn gat hangt er nog maar nauwelijks boven of er schiet een hele batterij kleine keuteltjes uit. Knarf kijkt er verbaasd naar, maar graaft het dan snel, en beschaamd zoals iedere kat, dicht.

wordt vervolgd…

Dikke duim voor Fido!

De NS is een dankbaar hondje om in te bijten. Iedereen doet ‘t. En het is natuurlijk ook niet geheel onterecht. Ik stel me bij de NS verder een Basset Hound voor. Zo’n sloom beest met droevige oogjes. Detective Columbo had ook zo’n beest. Fido heette zijn hond. Veel beter dan Fyra, vind je ook niet?

De NS gedraagt zich momenteel ook als een hond dat ontelbare tandafdrukken heeft over het hele lijf. Met dit berichtje zet ik ook nog maar weer eens mijn tanden in Fido. Maar wel liefdevol, want ik reis, ondanks alles, heel graag met de trein. Ik ben zeer op Fido gesteld. Wie moet ik anders schoppen als ik te laat op mijn werk kom?

Net sprintte Fido (stoptrein heet tegenwoordig sprinter, waaruit maar blijkt hoe graag de NS een aai over de hondekop wil hebben) mij trouw, met de tong uit de bek, van Meppel naar Zwolle. De conductrice meldde trots en zwaar hangend naar bevestiging, zoals een kind, dat de trein “geheel op tijd te Zwolle arriveerde!”. Hoera! Goed zo Fido! Dikke duim!

Hoe te verdragen

Eerlijkheid gebiedt mij, dus ik zal er niet omheen draaien. Verdraagzaamheid vind ik lastig. Misschien is het een fase, maar dan wel een lange. Al zo lang als ik kinderen heb ongeveer, en mijn oudste is 11.

Ik verbeeld me dat ze mij expres ergeren. Ze keten en gieren door het huis. Ze giebelen en grollen, ze joelen en wervelen om me heen. Ze maken met horendol met hun irritante getetter, getoeter en getater. Het is allemaal heus niet persoonlijk bedoeld, daar ben ik me terdege van bewust. Maar die wetenschap houdt me nauwelijks in toom.

Dus ik vraag het maar gewoon: hoe word je verdraagzamer? Is er een boekje “Verdraagzaamheid for dummies”, of een cursus “Verdraagzaam in 10 stappen”? Ik erger me genoeg aan mijn eigen ergenis om echt te willen veranderen. Willen is kunnen, naar het schijnt. Nou, bij mij blijkbaar niet. Ik ontvlam veel te licht. Mijn geest is overvurig.

Ergens in mijn vuurzee bevindt zich een stille oceaan. Daaruit put ik mijn rust en mijn rede. Uit de diepte ervan put ik inzicht en eerbied. Maar in mijn momenten van onverdraagzaamheid overheerst mijn ego. Daar ben ik me van bewust.

Vaak herken ik dat mijn ego de overhand neemt, en weet het dan te kalmeren. Dat is dan een heel bewuste actie die veel wilskracht kost. Dan geef ik me heel bewust over aan de situatie waaraan ik me erger en ontdek dan eigenlijk altijd dat mijn ergernis was gebaseerd op niets. En dan blijkt zelfs dat ik mijn ergenis heel makkelijk kan omzetten in plezier door mee te doen met het spel van mijn kinderen. Dan joel ik en wervel ik, dan giebel en grol ik, dan tetter, toeter en tater ik lekker mee en voel me heerlijk.

Zo moet dat dus misschien wel: niet zeuren maar kleuren. Zoiets. Maar het is iets waar ik me bewust toe moet zetten. Ik ben dus nog maar bewust (een beetje) bekwaam hierin. Dit moet dus een onbewuste bekwaamheid worden waardoor ik vonken van loze ergernis kan doven, zonder te sissen. Het zal wel een kwestie van volharden zijn waardoor het inslijt. Ik vrees dat ik het eindelijk kan als de kinderen uitvliegen. Misschien moet ik maar een jaartje schoolmeester worden ofzo, om het proces te versnellen. Zou het helpen denk je?

Inside the box thinking…

Kapla is ontegenzeggenlijk het beste speelgoed dat er is. Echt. Het zijn een heleboel kleine houten plankjes die perfect recht zijn en exact dezelfde afmetingen hebben. En die simpele plankjes nodigen ongelooflijk uit tot creëren. Je kunt er behoorlijk onmogelijk uitziende bouwwerken mee bouwen die de zwaartekracht lijken tegen te spreken. Dit speelgoed nodigt je uit om outside the box te denken. Zo niet bij mijn vierjarige zoontje. Zie zijn creatie hieronder. Ik vind het heel bijzonder wat hij heeft gemaakt. Dit is outside the box denken binnenste buiten gekeerd. Dit is beyond outside the box denken. Papa is outside zichzelf van trots.
image