Schepen liggen tegen. Dat klopt ook, want schepen liggen in het water. Bezien vanuit een stuurhut, ligt een tegenliggend schip met de boeg in jouw richting. Het woord tegenligger komt uit de scheepvaart en is in onze taal blijven steken. Dat is allemaal leuk en aardig, maar het is niet logisch.

Wij noemen fietsers die in tegengestelde richting fietsen ook “tegenliggers”. Fietsen liggen niet als ze bereden worden. De fietser zelf soms wel, als het een ligfiets betreft. Daar zit dan ook de verwarring. Bij auto’s doen we precies hetzelfde. Het is een warboel.

En als we “tegenligger” zeggen, hebben we het toch eigenlijk over het gedrag van de bestuurder van het voertuig? Een voertuig zelf zit of ligt niet. Ja, wegligging is dan wel een belangrijke eigenschap is van een auto. Maar fietsen hebben geen wegligging. Dat is allemaal verwarrend. Ik wil zo graag duidelijkheid. Een fietser zit op het zadel van de fiets. Ook op een ligfiets is er eigenlijk ook sprake van een zithouding, ook al is het een lage. En ook automobilisten, buschauffeurs en truckchauffeurs zitten achter het stuur.

Dus ik wilde voorstellen om als tegenhanger van de maritieme tegenligger in het verkeer voortaan de term tegenzitter te bezigen. Iedereen voor?

Advertenties