Behoedzaam bestijg ik de steile, ijzeren trap. De verf op de treden bladdert af. De wind is kil en bezorgt me kippevel over mijn hele lijf. Maar mijn besluit staat vast. Resoluut klim ik verder.

Als ik boven ben kijk ik voor strak me uit en loop met kalme stappen naar voren. De duikplank kraakt en buigt een beetje mee. Ik loop helemaal tot het uiterste randje en laat mijn tenen erover heen grijpen.

Onder mij bevindt zich een zwarte, onmetelijke diepte. Het is onvermijdelijk dat ik erin duik, dus ik breng mijn armen naar voren en zak door mijn knieën. Lenig veer ik op en spring één keer omhoog en veer dan nog eens….en nog eens…en zet af.

Even zweef ik vrij als een vogel. Ik maak een prachtige curve tot ik verticaal ben. Dan strek ik me helemaal en breek loodrecht, zonder plons door het rimpelloze wateroppervlak. Ik schiet de diepte in.

Langzaam breekt het ijskoude water mijn vaart. Totdat ik tot stilstand kom. Om me heen is het gitzwart, maar ik zie nog wel mijn eigen spierwitte handen. Het voelt alsof de tijd hier stil staat, maar dat is niet waar. De tijd staat niet helemaal stil, maar is zo sterk vertraagd dat seconden wel minuten voelen.

Nee, uren. Ik raak gedesoriënteerd. Wat is boven en wat is onder? Alles lijkt zo onwerkelijk. Instinctief zoek ik naar licht. Heel ver weg ontwaar ik het en zwem er langzaam naar toe. Ik heb immers alle tijd.

Plotseling krijgt de tijd en de werkelijkheid weer vat op me. Met een ruk word ik uit mijn droomtoestand getrokken. Al mijn zintuigen gaan op scherp. Ik zie dat ik nog heel ver omhoog moet zwemmen, terwijl mijn zuurstof al bijna op is.

Met alle wilskracht die ik kan opbrengen dwing ik mezelf tot kalmte en onderdruk alle gevoel van angst, zo goed en kwaad als dat gaat. En ik ontstijg ook deze diepte. De laatste meters drijf ik als volleerd zwemmer naar boven.

Als mijn hoofd weer boven water komt haal ik diep adem en zwem naar de kant. Ik klim eruit en loop weer naar de duikplank. Hij lijkt wel hoger dan voorheen.

Advertenties