Maand: februari 2016

Programmeuse versus Programmeur

Onlangs las ik op Nu.nl dat vrouwen beter in programmeren zijn dan mannen. Toen ik het las, dacht ik: nogal wiedes. Jaren geleden (1988-1992) ben ik zelf opgeleid tot programmeur op de HIO (HTS Informatica). Ik geloof dat er tussen de honderden mannelijke opleidingsgenoten, hooguit 2 of 3 vrouwen zaten. Dus in mijn beleving is de programmeuse zeldzaam. Gedurende mijn loopbaan heb ik maar met enkele van hen samengewerkt, maar ik kan onderschrijven dat programmacode die door een vrouw is geschreven netter is gestructureerd, en meestal beter is gedocumenteerd. Het viel me vooral op dat de programmacode van de hand van een programmeuse veel beter kon worden overgedragen aan anderen.

Na het lezen van het artikel op nu.nl deelde ik een linkje op twitter, en plaatste ik er een zogenaamd spitsvondige opmerking bij, waar ik nu spijt van heb. Ik zette er namelijk bij dat vrouwen natuurlijk vooral betere programmeurs zijn dan mannen als er multitasking aan te pas komt. Dat is eigenlijk ronduit seksistisch. Ik bedoelde het vrij letterlijk en wilde juist de draak steken met de moeite die mannelijke programmeurs met multitasking hebben. Bij nader inzien ook erg flauw.

Met deze flauwe opmerking begaf ik me qua seksisme op behoorlijk glad ijs, maar het heeft me aan het denken gezet. Ingegeven door mijn lieve echtgenote, dat geef ik graag toe. Die invloed heeft ze op me, en dat is maar goed ook. Ze vroeg me of ik wel eens had nagedacht hoe het komt dat je steeds vaker leest dat vrouwen beter zijn in werk dat voornamelijk door mannen wordt gedaan. Misschien moeten die vrouwen zich in mannenwereldjes wel voortdurend bewijzen om daar “hun mannetje te staan”.

In het artikel wordt gesproken over de acceptatie van door vrouwen geschreven code, door mannen. Die acceptatie was hoger als die mannen niet wisten dat de code geschreven was door een vrouw. Dat gegeven alleen al vind ik schokkend. Blijkbaar kun je de kwaliteit van geleverd werk niet objectief beoordelen als je over informatie beschikt over het geslacht van persoon die het werk heeft gedaan. “Welkom in mijn wereld”, aldus mijn vrouw. Zij is een vrouwelijke astronoom…

Een programmeuse moet blijkbaar dus én beter haar best doen om zich in het overwegend mannelijke programmeurswereldje staande te houden, én hun sekse verbergen voor een objectieve beoordeling. Het woord “programmeuse” is misschien ook wel seksistisch en zouden we dus beter niet moeten gebruiken, maar dan moeten we ook af van “verpleegster”, “lerares” en “secretaresse”. Daarmee verbergen we de sekse van de uitvoerder van het beroep zodat beoordelingen objectiever worden. Het is triest dat zoiets blijkbaar nodig is om echte gelijkwaardige beoordeling van vrouwen en mannen te bewerkstelligen.

Misschien begeef ik me hier op nóg gladder ijs, maar zou het omgekeerde ook gebeuren bij mannen die een beroep hebben gekozen dat voornamelijk door vrouwen wordt beoefend? Wordt het werk dat wordt geleverd door een mannelijke secretaresse, of een mannelijke pedagogische kinderdagverblijfmedewerker (om maar gelijk een heel beladen beroepskeuze voor een man te nemen) , ook subjectief beoordeeld door vrouwen als deze weten dat het werk is gedaan door een man?

Moeten de mannen die in een vrouwenwereld werken zich ook voortdurend bewijzen om “hun vrouwtje te staan”? In dat licht ben ik nu ook wel erg nieuwsgierig naar hoe de programmeuse doorgaans de code van een collega accepteert. Ergens hoop (of verwacht?) ik dat ze hoofdschuddend feilloos het geslacht van de programmeur kunnen aflezen uit de code, maar desondanks in staat zijn om objectief te beoordelen.

 

Otto en de lompe stier

Op een smal landweggetje rijdt met een rustig gangetje, een roestig Golfje, bouwjaar 1978. Ooit was het waarschijnlijk wit, maar dat is bijna niet meer te zien. Hier en daar zitten gaten in de carrosserie, en de achterbumper hangt scheef. De auto ziet eruit alsof het rijp is voor de sloop. De motor pruttelt en blaast af en toe hoestend een wolk zwarte rook uit de uitlaat. De motor is eigenlijk op sterven na dood. Dat het ding nog rijdt is een waar mirakel.

Achter het stuur zit een 2 meter lange magiër genaamd Otto. En de haastige bestuurder van een veel nieuwere Golf achter  Otto maakt de grote vergissing om te proberen om Otto op te jagen. Dit doet hij door dicht achterop Otto’s bumper te rijden en heen en weer te slingeren. Otto trapt resoluut op de rem. De bestuurder van de andere auto moet uitwijken en belandt daardoor met zijn auto half in de sloot.

Vloekend en tierend klimt de man – type lompe stier – uit zijn auto en beent op Otto af, die nog bezig is om zijn gordel los te maken. Woest rukt de boze man de deur van Otto open, met als gevolg dat de hele deur afbreekt. De man kijkt er even verbaasd naar, maar smijt de deur dan maar op de grond. Intussen vouwt Otto zich bedaard achter zijn stuur vandaan en staat even later tegenover het boze mannetje dat ruim 2 koppen kleiner is dan Otto. Het stiertje kijkt woedend naar hem op.

Otto duwt het rund eenvoudig opzij en kijkt met één oog door zijn duim en wijsvinger die hij vlakbij bij zijn oog heeft naar de andere auto. En terwijl hij door zijn duim en wijsvinger blijft turen, pakt Otto de auto simpelweg met zijn duim en wijsvinger vast, tilt het met gemak uit de sloot en zet het behoedzaam achter zijn eigen auto weer op de weg. Hij gaat tussen de twee auto’s in staan en knipt tegelijk met de vingers van zijn beide handen. Zowel de motorkap van zijn eigen auto, als die van de andere auto springen braaf open.

“Hee, wat ga je doen!?”,  vraagt het stiertje waarvan de boosheid intussen is omgeslagen in verbazing. “Ssssst!”, sist Otto en sluit zijn ogen. Hij mompelt iets dat klinkt als “zabbazabbajaja,zabbazabbajaja zabbazabbazap” en klapt plotseling zijn grote handen hard op elkaar. De motoren van beide auto’s starten en klinken alsof er iemand steeds  de gaspedalen van de auto’s intrapt en weer loslaat.  De motor van Otto’s eigen auto pruttelt en rochelt terwijl er vette wolken zwarte rook uit de uitlaat komen. De andere, veel jongere motor klinkt veel gezonder.

Otto staat, nog steeds met de ogen gesloten, tussen de twee auto’s in, met zijn linker handpalm naar zijn eigen auto gericht, en zijn rechter handpalm naar de andere. En dan, in één snelle beweging, zwaait hij zijn linkerhand boven zijn hoofd naar rechts, en zijn linker hand voor zijn buik naar rechts. Vanonder beide motorkappen komt op het zelfde moment een felle flits. Beide motoren draaien nog steeds, maar nu komt het gepruttel en gerochel uit de moderne Golf, evenals de zwarte rook.

Otto wrijft in zijn grote handen en wil weer in zijn auto stappen, maar bedenkt zich. Hij loopt terug naar de andere auto en rukt het bestuurdersportier eraf. Deze neemt hij mee naar zijn eigen ouwe Golfje en bekijkt of het op zijn auto past. Het is ruim 10 centimeter te breed, en past eigenlijk niet.  Otto geeft de deur dan maar aan het lompe stiertje, die het verbouwereerd aanneemt. “Wa-wa-wa,  hoe-hoe-hoe?”, stamelt deze. Maar Otto geeft geen antwoord.

Rustig pakt Otto zijn eigen deur op en houdt het op een paar centimeter afstand van zijn auto, en laat het los. Alsof het door een sterke magneet werd aangetrokken, klikt de deur weer vast. Tevreden opent Otto vervolgens zijn deur en stapt behoedzaam achter zijn stuur. Hij draait zijn raampje open en zegt: “bedankt voor de motor, die van mij was al wat op leeftijd en lekte olie. Hij draait niet heel best meer, maar je komt er waarschijnlijk nog wel mee thuis hoor!” En dan scheurt Otto er met piepende banden vandoor. De arme stier kijkt hem, door het raampje van het portier dat hij in zijn handen heeft, met trillend onderlipje na.