Maand: augustus 2018

Hoogbevaagd

Tegen beter weten in probeer ik mezelf regelmatig in een hokje te passen. Of misschien moet ik zeggen dat ik probeer om mezelf door een andere bril te zien. Maar mijn ogen wijken natuurlijk af van het standaard oog. Heb ik weer. Dus door iedere standaardbril waardoor ik mezelf bekijk zie ik geen scherp afgetekend plaatje. Eigenlijk is het beeld maar gedeeltelijk scherp. Door de ene bril zie ik 10% van mezelf scherp, door de andere misschien wel eens 60%. Maar voor de rest zie ik vaagheden. Schimmen, die mijn verwoed speurende blik lijken te willen ontwijken.

Misschien is dat ook logisch. De glazen van je bril worden immers speciaal voor jou geslepen. Op mijn neus zit een bril met een uniek recept. Ik heb in beide ogen een cilinder, en mijn rechteroog staat iets naar buiten. En gezien mijn leeftijd heb ik nu ook een leesgedeelte in de glazen geslepen zitten. Met een leesbrilletje van de Hema kom ik er dus niet. Zo gaat het denk ik ook met die psychologische brillen van hierboven.  Mijn psyche laat zich blijkbaar niet helemaal lezen met een standaard brilletje. Ik pas in mijn eigen, specifieke hokje. Zoals de meesten van ons eigenlijk.

Ik ben nog steeds op zoek naar mezelf, hoewel ik al heel veel heb gevonden en daar langzaamaan best tevreden mee kan zijn. Mensen in mijn omgeving proberen me te helpen en dat is fijn. Dan spreken ze hun vermoedens over mijn psyche naar me uit. Ze reiken me dan een bril aan. Hier, probeer deze eens. Zo kwam het dat ik mezelf probeerde te zien door een hoogbegaafdheidsbril. Er leek wel een hoop meer scherpte te komen in mijn zelfbeeld, maar een groot deel bleef toch weer hardnekkig onscherp. Die bril is het dus ook niet helemaal. Ik moet denk ik een bril hebben zoals mijn echte bril. Een bril die speciaal is geslepen voor mij. Een beetje van dit, een beetje van dat. Een combinatie van vage afwijkingen. Ik ben van alles wat, maar niet precies. Ik ben gewoon hoogbevaagd. Niks bijzonders, en tegelijk ook weer wel.

Advertenties

Stapelspijt

Als ik de stommiteit inzie, dan volgt de sorry snel. Sorry zeggen kost me geen moeite. Niet omdat ik het niet meen natuurlijk. Al mijn sorry’s zijn gemeend. Ik geef uiteindelijk al mijn stommiteiten toe. Maar wat is een sorry waard als er geen verbetering op volgt? Wat nou als je steeds sorry zegt voor vergelijkbare stommiteiten? Wat nou als je een onverbeterlijke sufferd bent? Mag je dan nog wel sorry zeggen?

Is je spijt nog iets waard als je er niets van leert? Moet je altijd iets leren van spijt? Misschien geldt dat vooral voor stapelspijt. Je weet wel, dat is spijt voor steeds dezelfde stommiteit. Die spijtstapel moet niet te hoog worden, want anders kan je het als stapelspijtbetuiger niet meer overzien. Misschien moet een ontvanger van stapelspijt ook niet niet steeds die hele stapel onthouden. Maar mag je dat van die ontvanger verlangen?

Soms moet je een spijtstapel gewoon met zand bedekken. Zand erover, en opnieuw beginnen. Mijn eigen spijtstapel ziet er in mijn geestesoog meer uit als een berg dan een stapel. Een berg die wedijvert met de Mount Everest. Ik sta nietig aan de voet ervan en kijk er tegenop. Om daar zand overheen te doen zou je denk ik de hele Sahara leeg moeten scheppen. Dat vraagt om een onmetelijke inspanning. Onmetelijker nog dan de hoogte van mijn spijtberg.

Veel te lief

Nog geen week geleden sprak ik haar nog. Ze had niet lang meer, was de prognose. Weken. Hooguit. Ik hield haar hand vast. Wist niet wat ik moest zeggen. Maar ik hoefde niks te zeggen. Ze sprak zelf. Heel zacht. Ze vertelde me dat ze het had geaccepteerd. En dat ze haar einde al voelde komen. Al voor die vreselijke diagnose. Ze sprak er rustig en onbevreesd over.

Vier dagen later overleed ze. De tweelingzus van mijn moeder. Hun band was erg hecht. Ze deden heel veel samen. Wandelen, fietsen, schilderen, vrijwilligerswerk doen in de schoolbibliotheek, en samen op vakantie gaan. Ze waren net terug van hun laatste vakantie toen het plotseling slecht ging met mijn tante. Ze at bijna niets. De huisarts verwees haar meteen door. Al snel werd duidelijk dat er iets ernstig mis was met haar lever. Niet lang daarna kwam uit waar we allen voor vreesden. Alvleesklierkanker. In ver gevorderd stadium. Niet meer behandelbaar.

Gisteren werd alles rond haar afscheid en crematie geregeld. Het was gelijk ook een soort familiereünie, zoals dat wel vaker is bij een overleden familielid. We waren allemaal verdrietig, maar we voelden ons ook samen sterk. Er moest van alles worden geregeld en gedaan. De taken werden op heel natuurlijke wijze verdeeld. Ik heb samen met mijn zusje alle adressen op de enveloppen voor de rouwkaarten geschreven. Mijn moeder ontvangt straks een rouwkaart met mijn handschrift op de envelop. Dat voelt bizar. Alsof ik daarmee de brenger van het slechte nieuws ben dat haar tweelingzus is overleden.

Mijn moeder hielp mee met het wassen, mooi aankleden en opmaken van haar zus. Als een laatste vertroeteling. Ze kon maar niet van de zijde van haar zus wijken. Ze hield de kist vast terwijl die door de gangen van het wooncentrum werd gereden. Mijn hart scheurt telkens opnieuw bij de gedachte daaraan. Veel te lief.

Toen ik laatst aan het bed van mijn tante zat was ze al heel erg verzwakt. Ik had volgens mij nog nooit haar hand vastgehouden, maar misschien was het wel andersom. Vroeger kwam ik vaak bij haar, mijn oom en hun dochters thuis. Het was er altijd gezellig en ongedwongen. Mijn tante was altijd in de weer om het iedereen naar ’t zin te maken. Ze cijferde zichzelf eigenlijk altijd weg: maak je maar geen zorgen om mij, maar laat mij me maar zorgen maken om jou. En toen ze mijn hand vasthield, voelde ik dat weer. Veel te lief.