Auteur: Mark

Doendenker, Taalvrijer

Nou

Nou, ik ben dus nou-zegger. Ik ben de laatste die dat ontkent. Menig antwoord dat ik geef begint ermee. Nou is nou meestal een soort startblok voor de zin die dan volgt, maar het heeft diverse nuances.

In mijn geval betekent het dikwijls “Mooi”: Nou, dat is dan duidelijk. Ik uit het ook vaak om onverschillig te klinken terwijl ik dat misschien niet eens ben. In het algemeen betekent het vaak “Wat een strop”: Nou, alle wc-papier was op. In combinatie met “dus” gaat de betekenis over in “En jawel!”: Nou, alle wc-papier was dus op.

Er was een periode dat ik vakanties filmde. Dan stond ik dus met die handycam bij een uitzicht dat moest worden vereeuwigd, en met welk woord begon dan nogal steevast mijn live commentaar? Precies. Veelvuldig mee geplaagd natuurlijk. Nou, plaag maar lekker hoor.

Scheetonverschilligheid

Ieder mens heeft darmen. Die darmen hebben unieke flora’s. Mijn darmflora is niet hetzelfde als die van jou. Die darmflora doet belangrijk werk. Ze dragen bij aan het verteren van de spijzen die je tot je nam. In welk gezelschap jij je bevindt maakt die darmflora geen drol uit. De organismen in je darmen doen onafgebroken hun werk. Ze verteren en vergassen. Ze verwerken de spijzen tot een smeuïg papje waar alle nuttige voedingsstoffen uit zijn gehaald. De weg naar de uitgang gaat gepaard met noodzakelijk gerommel en geborrel. De bij de vertering vrijkomende gassen vinden veel vaker hun weg naar buiten. Een gemiddeld mens laat 30 winden per dag. De chemische samenstelling van die gassen schijnt uniek te zijn voor je darmflora. Waarschijnlijk zou een scheet als biometrische identiteit kunnen dienen, hoewel je de geur zelf sterk kunt beïnvloeden door je dieet aan te passen.

Mensen verschillen daarin van dieren dat deze zich voor hun scheten hebben leren te generen. We hebben geleerd dat scheten onbetamelijk zijn. Je laat ze doorgaans niet in formeel gezelschap. Thuis mag je natuurlijk naar hartenlust knetteren, of waar je je ook maar thuis voelt. Thuis ben je immers helemaal jezelf. In gezonde relaties wordt heerlijk ongegeneerd en wederkerig geknetterd. In de tent. In de auto. Op de bank voor de TV. Onder de dekens.

Voor je zover bent zullen eerste dates in dit opzicht altijd een beetje spannend zijn. Maar er komt een moment dat je je thuis genoeg voelt bij die ander. Ik kan me dat moment bij mijn ex totaal niet meer heugen eigenlijk. Bij haar voel ik me al jaren niet meer thuis. Toch zou ik in haar aanwezigheid waarschijnlijk als vanouds kunnen knetteren. Dus in relaties ga je klaarblijkelijk van scheetschaamte, via scheetvrijheid naar totale scheetonverschilligheid.

Flitsbezorgd

Is het erg als de supermarkt zou verdwijnen? Die vraag houdt me de laatste dagen bezig. Dat kwam door de Jumbobaas. Jumbo is namelijk sinds kort gaan samenwerken met flitsbezorgdiensten zoals Gorillas. Wil je net impulsief een cake bakken, maar zijn de eieren op? Een kwestie van een handige swipe en tik op een app en binnen 10 minuten zijn ze flitsbezorgd. Door een flitsende bezorgfietser. Vooral jongeren zouden hiervan veel gebruik maken. Die jeugd van tegenwoordig ook. Straks verdwijnt dankzij hun ongeduldige gemakzucht mijn vertrouwde supermarkt nog. Een schrikbeeld. De Jumbobaas noemde dit “met de tijd meegaan”. En hij voorzag ook dat er supermarkten zullen gaan verdwijnen. Eigenlijk vrees ik dat hij gelijk heeft.

Ik moet ook denken aan de impact van de opruk van diezelfde supermarkten destijds op de “kleine winkels” . De supermarkt heeft menige groenteboer, slager en warme bakker doen verdwijnen. En nu wordt de supermarkt dus door de MKB-ers aangevallen vanuit een andere hoek. Die flitsbezorgdiensten maken nog totaal geen winst, maar dat is een kwestie van tijd. Het is een kwestie van groei realiseren in je marktaandeel. En dat zal snel gaan. Vooral in dichtbevolkte gebieden. Het is dus waarschijnlijk wel verstandig om je als grote supermarktketen niet te laten inhalen, maar je nieuwsgierig op te stellen en de samenwerking te zoeken. Om de aanval van de gorilla’s te overleven moet een supermarktketen wellicht filialen sluiten. Dat zou ook zomaar een dorpssuper kunnen zijn, die eigenlijk onvoldoende rendabel is. Misschien betekent dat wel de revival van de groenteboer en de slager. Misschien is dat wel helemaal niet zo erg dus.

Ik zie mezelf op korte termijn trouwens nog geen gebruik maken van flitsbezorgservices. En dat zegt een fanatieke online shopper. Ik zou namelijk niet graag mijn verse waren laten uitkiezen door een ander. In de supermarkt pak ik altijd de achterste zuivelpakken, want vooraan staan de pakken met de kortste houdbaarheid. En bij de groenten laat ik alle kneuzen liggen. Ik zou voor zo’n flitsbezorger een lastige klant zijn dan. De bananen niet te groen graag, maar ook niet met teveel bruine vlekken. En controleer alstublieft even of de eieren allemaal heel zijn. Graag ook even de rijpheid van de pompoen controleren door erop te kloppen. Nee, ik doe dat liever zelf. En nu zal ik dat met nog meer verve doen, om mijn fijne, vertrouwde dorpssuper te behoeden voor sluiting.

Coronafoob

Omdat er een gat in mijn agenda zat deze ochtend besloot ik om “even” mijn kerstinkopen te gaan doen. Eerder die ochtend hoorde ik al op de radio dat het druk is in de supermarkten omdat verder alles dicht is. De tip was om zo vroeg mogelijk op de dag je inkopen te doen. Misschien zouden de supermarkten zelfs een uur vroeger open gaan. Het gat in mijn agenda zat op half tien ’s ochtends en was dus niet vroeg genoeg. Het was dus toch druk. En vol met kerstinkopers, zoals ik. Met hun vol geladen karretjes blokkeerden die mijn gangen.

Ik ergerde me eraan dat iedereen in de egostand leek te staan. In die stand houdt iemand geen rekening met anderen. In die stand sta je met je kar vol drank en vreten midden in een gangpad uitgebreid de etiketten van artikelen te bestuderen. In die stand lap je de anderhalve meter aan je laars, mompel je “pardon, mag ik even bij…” en gaat dan zonder op antwoord te wachten pal voor me langs om voor mijn neus het laatste pak bloem weg te grissen.

Niet iedereen gedraagt zich zo hoor, maar toch wel opmerkelijk veel. En ik ben ook wel iemand die zich snel verbaast over onachtzaam gedrag. Zelf ben ik me sterk bewust van mijn in de wegwezen. Ik wil niemand tot last zijn. Ik zorg dat ik niet in de weg sta. Dus ik parkeer eerst mijn karretje op een plek waar dat kan. Dus niet midden in een smal gangpad. En ik ben beleefd en wacht op goedkeuring voordat ik iemands anderhalve meter veiligheid infiltreer met mijn potentiële besmettingsgevaar. Dit projecteer ik natuurlijk op mijn medewinkelgangers.

Corona heeft mij tot nog toe niet weten te bereiken. In ieder geval niet voor zover ik weet. Ik heb gedurende de gehele pandemie niet de minste symptomen gehad. Al mijn sneltesten zijn ook steeds negatief. Ik houd mij dan ook behoorlijk braaf aan de richtlijnen. In winkels hou ik afstand en spring ik volleerd uit ieders anderhalvemeterzone mocht ik mij daar per abuis in begeven. Mijn onachtzame mede-boodschappers zijn immers potentiële besmettingsgevaren die mijn persoonlijke vrijheid danig kunnen beperken. Ik ben verworden tot coronafoob. Volgend jaar allemaal op dat woord stemmen.

Lekker makkelijk doen

Hoe langer ik erover nadenk hoe meer ik begin te geloven dat makkelijk doen moeilijker is dan moeilijk doen. Om makkelijk te kunnen doen moet je principes overboord doen. Dat is heel moeilijk. Om moeilijk te doen hoef je alleen maar je hakken in het zand te zetten. Beetje weerstand bieden. Dat is makkelijker dan meebewegen. Want dan moet je vertrouwen. En dat is heel moeilijk. Eigenlijk doe je voor jezelf dus juist makkelijk als je moeilijk doet voor een ander. Dat is inderdaad wel heel kort door de bocht geredeneerd. Bovendien is het nogal zwart/wit. Maar nuanceren is nu eenvoudigweg even teveel moeite. Laat mij ook eens een keer lekker makkelijk doen.

Man wat typisch

Wat mij betreft mag iedereen zich “stereotypisch” gedragen. Ook dat is een vrije keuze. Hier had ik laatst een zeer interessant gesprek over met mijn kinderen. Het ging er best fel aan toe. Het scheelde er nog maar net aan of ik werd uitgemaakt voor seksist. Dat kwam omdat ik een soort pleidooi hield voor het mogen benoemen van typisch mannelijk of typisch vrouwelijk gedrag. Vooral het woordje “typisch” schoot mijn slimme kinderen in het verkeerde keelgat. Papa, dat kan écht niet meer. Dat is kwetsend voor homo-, trans- en interseksuelen. Dat moet je respecteren Pap.

Voortaan kon ik “typisch” maar beter vervangen door “gemiddeld”, dat is neutraler. Maar daar ging ik niet in mee, want gemiddeld is echt iets anders als typisch. Een gemiddelde is de som van al het gedrag gedeeld door de groepsgrootte, zoiets. Met een gemiddelde zou maar een klein deel van die groep zich helemaal kunnen identificeren. Een gemiddelde is een ruim zittende, doorsnee jas.

Met een stereotype kan natuurlijk ook niet iedereen zich volledig vereenzelvigen. Maar een stereotype is in mijn beleving wel een jas met een specifieker model. Het is ook geen maatwerk, maar wel meer toegespitst. Toegespitst op een specifieke groep. Eigenlijk zijn het hokjes waarin mensen elkaar plaatsen op basis van waargenomen uiterlijke kenmerken en waargenomen gedragingen. Dat we dit doen is eigenlijk heel typisch, menselijk gedrag. Ik sprak “typisch” in die zin met klem uit. De kinderen keken me meewarig aan. Ik draafde weer eens ongelooflijk door. En ik draag eigenlijk best graag die doorsnee jas. Wel zo veilig. Man, man, man, wat typisch.

Geen knuffel

Vanochtend was mijn dochter er eerder uit dan ik. Dat gebeurt wel vaker. Ze moet ook al vroeg op de fiets weg. Bij mij geldt er de afspraak dat je in de ochtend helpt om de vaatwasser te legen. Het uitruimen is hooguit 5 minuten werk, maar voor mijn puberdochter zijn dat vijf totaal verspilde minuten. “Dan kan ik net zo goed langer in bed blijven”, is de reactie. Al zou ze dan tenminste de spullen uit de vaatwasser halen die ze nodig heeft voor het ontbijt, maar ook dat is teveel moeite.

Even later bleek de accu van haar e-bike er niet in te willen klikken door de vorst. Ik heb maar een klein mini-schuurtje waarin de 3 e-bikes van de kinderen beslist niet in passen, dus ze staan in de achtertuin op een terras dat ik er wel speciaal voor heb gelegd. Maar het mag deze ochtend dus niet baten. Een boze dochter tot gevolg. En natuurlijk werd er van me verwacht dat ik het probleem even kwam oplossen. En snel een beetje. Maar ik had de vaatwasser nog in mijn achterhoofd.

Natuurlijk trok ik bedaard mijn schoenen en jas aan en liep rustig de achtertuin in. Met een rustige maar overtuigende beweging schoof ik de accu in één keer in het contact. Klik. “Zo, die zit. Dat was moeilijk”, zei ik. “Nee hoor, dat kan niet”, zei ze. “De accu zit er goed in. Zet hem maar aan, dan zie je het vanzelf”, zei ik weer. Ze begon echter driftig met het sleuteltje in het slotje van het accu-contact te wrikken, want ik kon onmogelijk gelijk hebben. Maar ze leek zich te hervatten, tikte op het schermpje op het stuur, en hocus pocus, de fiets kwam inderdaad tot leven. Pa liep weer rustig naar binnen. Ik kreeg geen knuffel meer natuurlijk.

Ecostress

Neem ik een echte of een kunstkerstboom? Stap ik ook over op palmolievrije margarine? Ruil ik mijn ouwe, trouwe diesel in? Misschien zou ik een elektrische bakfiets moeten nemen en daar de boodschappen mee doen. En misschien moest ik in het vervolg maar met het OV op en neer naar kantoor gaan. Ik denk namelijk niet dat de kantoorvijfdaagse weer terug komt. Maar ja, zonder auto kan ik momenteel ook niet. Ik ben de chauffeur van mijn kinderen. Ik woon ook best in een uithoek. Misschien moet ik dan maar verhuizen. Dichterbij de kinderen? Of juist dichterbij kantoor? Die kinderen vliegen ook zowat uit, dus die verhuizing kan wachten. Mijn uithoekje bevalt ook zo goed. Mijn gedachten hebben hier de ruimte. Maar denken gaat ook over in gepeins. Over bijvoorbeeld een kippenhokje met een handjevol hennetjes. Altijd verse scharreleieren. Moet daar ook een haantje bij? Hoe zit dat eigenlijk? Moet ik dat ook weer uitzoeken. Wat een gedoe, maar wie ecovriendelijk wil leven moet wat. Ik heb al wel een wormenhotel waarin mijn eigen compostwormen mijn GFT opvreten. Maar overleven ze de winter wel? Moet ik het hotel misschien beter isoleren? Kan ik daar subsidie voor krijgen? De tegels in mijn tuin slaan al wel groen uit. Dus ik doe daar iets goed zonder dat ik weet hoe. Ze zijn alleen wel spekglad. Vanmiddag maakte ik al een mooie glijer. Dus ik moet er iets aan doen. Vroeger zou ik de hogedrukreiniger nemen, maar daar maak je geen ecovrienden mee vrees ik. Zo’n ding heb ik ook niet meer. Die staat nog bij mijn ex. Hoe lang duurt die black-friday-gekte nog? Ik zou er eentje met hoge korting kunnen kopen. Het is nu of nooit. Hoge koopdruk. Ach, wat moet ik met zo’n lawaaierig apparaat. Het is consuminderen of uitglijden dus. Die tegels kunnen er misschien ook wel uit. De tuin mag sowieso een stuk rommeliger. Dat is beter voor de biodiversiteit. Ik wil ook egeltjes uitnodigen dus ik laat de bladeren heerlijk liggen. Maar helaas, mijn tuin is een schuttingvesting. Dat geldt voor de hele rij tuinen in mijn straat. Er moet eigenlijk een egelsnelweg komen. Gaten in die schuttingen dus. Maar dan moeten mijn potentiële kippen daar niet door kunnen ontsnappen. Weer iets om te overpeinzen. Ja, dat is wat het is: ik overpeins. Die verrekte ecostress ook.

Jan Salie

Schiet nou toch eens op! Treuzel niet zo! Zeur niet zo! Doe nou eens rustig! Zo pleegde mijn ouwe vader vroeger tegen me te mopperen.Voor mijn vader deed ik zelfs mijn best om tegelijk zowel rustig te zijn als op te schieten. Hij sloot ieder mopperzinnetje vaak af met een chagrijnig “Jan Salie”. Zelfs een keer op een kinderfeestje. Ik weet het nog goed. We gingen naar de brandweer en Pa had de auto vol met joelende snotapen. Maar alleen mij noemde hij de hele tijd Jan Salie. Dat heb ik nog dagen daarna op het schoolplein geweten. Gelukkig heeft Jan Salie ook olifantenhuid.

Jaren na dato (vandaag) vroeg ik me af waar Pa dat “Jan Salie” toch vandaan had. Naar alle waarschijnlijkheid noemde zijn eigen vader hem zo toen hij zelf een klein treuzelkontje was. Ik heb het dus maar eens opgezocht. Jan Salie blijkt nogal letterlijk te staan voor lamlendigheid. Met Jan Salie verwees de 19e-eeuwse dichter Everhardus Johannes Potgieter in zijn boek “Jan, Jannetje en hun jongste kind” naar de algehele lamlendigheid van het 19e-eeuwse Nederland. Jan Salie dronk ’s avonds een glas saliemelk voor een goede nachtrust. Jan Salie had zijn schapen op het droge en weinig behoefte aan verandering. Jan Salie was gezapig en toonde weinig initiatief. En zo wordt Jan Salie van generatie op generatie doorgegeven. Bedankt Pa! Welk van mijn eigen slome spruiten zal ik vandaag eens uitmaken voor Jan Salie? Later zijn ze me beslist net zo dankbaar als ik nu zelf ben.