Algemeen

Hoogbevaagd

Tegen beter weten in probeer ik mezelf regelmatig in een hokje te passen. Of misschien moet ik zeggen dat ik probeer om mezelf door een andere bril te zien. Maar mijn ogen wijken natuurlijk af van het standaard oog. Heb ik weer. Dus door iedere standaardbril waardoor ik mezelf bekijk zie ik geen scherp afgetekend plaatje. Eigenlijk is het beeld maar gedeeltelijk scherp. Door de ene bril zie ik 10% van mezelf scherp, door de andere misschien wel eens 60%. Maar voor de rest zie ik vaagheden. Schimmen, die mijn verwoed speurende blik lijken te willen ontwijken.

Misschien is dat ook logisch. De glazen van je bril worden immers speciaal voor jou geslepen. Op mijn neus zit een bril met een uniek recept. Ik heb in beide ogen een cilinder, en mijn rechteroog staat iets naar buiten. En gezien mijn leeftijd heb ik nu ook een leesgedeelte in de glazen geslepen zitten. Met een leesbrilletje van de Hema kom ik er dus niet. Zo gaat het denk ik ook met die psychologische brillen van hierboven.  Mijn psyche laat zich blijkbaar niet helemaal lezen met een standaard brilletje. Ik pas in mijn eigen, specifieke hokje. Zoals de meesten van ons eigenlijk.

Ik ben nog steeds op zoek naar mezelf, hoewel ik al heel veel heb gevonden en daar langzaamaan best tevreden mee kan zijn. Mensen in mijn omgeving proberen me te helpen en dat is fijn. Dan spreken ze hun vermoedens over mijn psyche naar me uit. Ze reiken me dan een bril aan. Hier, probeer deze eens. Zo kwam het dat ik mezelf probeerde te zien door een hoogbegaafdheidsbril. Er leek wel een hoop meer scherpte te komen in mijn zelfbeeld, maar een groot deel bleef toch weer hardnekkig onscherp. Die bril is het dus ook niet helemaal. Ik moet denk ik een bril hebben zoals mijn echte bril. Een bril die speciaal is geslepen voor mij. Een beetje van dit, een beetje van dat. Een combinatie van vage afwijkingen. Ik ben van alles wat, maar niet precies. Ik ben gewoon hoogbevaagd. Niks bijzonders, en tegelijk ook weer wel.

Advertenties

Boogspanning

Vastberaden stapte ik de speciaalzaak voor handboogsport binnen. Voor de tweede keer. Ik betrad een wereld die tot voor kort voor mij niet bestond. Een spannende, interessante wereld. Een wereld waarin woorden worden gebruikt zoals pondage en treklengte. De verkoper was nog druk bezig met de enige andere klant in de winkel, dus ik vergaapte me aan de spullen in de schappen.

De andere klant werd vakkundig en geduldig geholpen. De verkoper nam alle tijd om het ding (een duur uitziend, matzwart middenstuk van een recurve boog) dat de andere man had besteld, perfect af te stellen. De andere klant testte de boog op een kort schietbaantje in de winkel. Na enkele minutieuze verstellingen aan kleine schroefjes hier en daar aan de boog, begon het resultaat meer in de buurt te komen van de verwachtingen van de klant. Ik hoorde hoe de man een enorm bedrag armer werd en ik merkte dat de knoop ik mijn maag zich strakker aantrok.

Mijn maag zit altijd een beetje in de knoop als ik (veel) geld ga uitgeven aan iets waarover ik twijfel of het wel verstandig is. Eigenlijk wel een lekkere soort spanning. De spanning van de anticipatie. De spanning van het uitstellen van een impuls. Vandaag wist ik dat ik aan het impuls ging toegeven. Ik had nu lang genoeg geweifeld en geprakkiseerd. Just do it!

Omdat ik hier al eerder was geweest, wist ik precies wat ik wilde. “Die”, zei ik, en ik wees naar een complete recurve set die in de winkel stond uitgestald. En ook ik werd door de verkoper uiterst professioneel geholpen. Mijn boog werd met bijna liefdevolle bewegingen gemonteerd en afgesteld. Allerlei kleine piefjes en palletjes werden op en aan de boog bevestigd. Tenslotte spande de verkoper de pees op de boogbladen en vroeg me of ik toevallig al wist wat mijn treklengte was. Dat ik dat niet wist gaf niks, want dat kon hij natuurlijk wel even meten.

De verkoper verzocht me om op de schietplek te gaan staan en overhandigde mij plechtig mijn prachtige handboog. Alle toeters en bellen zaten eraan. Ik kreeg een speciale pijl waarop een centimeteraanduiding stond. Ik legde de meetpijl op de de pijloplegger en trok de pees van de boog zover naar achteren als ik kon. Na een drietal metingen kwam de verkoper uit op een treklengte van net iets onder de 32 inch (ondanks de centimeteraanduiding…). Dus mijn pijlen moesten tenminste die lengte hebben.

Vervolgens mocht ik nog eens hetzelfde doen, maar nu werd er tussen mijn hand en de pees een klein meetinstrument geplaatst. De effectieve pondage bij mijn treklengte bleek 27,8 pond. Dat is het gewicht dat wordt losgelaten op het nokje van de pijl bij het loslaten van de pees. Het pondage wordt vooral bepaald door de starheid van de booglatten, legde de verkoper uit. Hier zou ik voorlopig wel genoeg aan hebben, adviseerde de verkoper. Een zwaarder pondage is voor de beginnende schutter niet nodig. Ik vond het prima.

En toen kwam het moment dat ik mijn eerste eigen pijl mocht lossen. Ik kreeg een korte uitleg over de werking van het vizier en wat het verschil is met het schieten met een “bare bow” (dus zonder vizier). De eerste pijl belandde pardoes in de muur, maar dat gaf niks, want het vizier stond ook helemaal nog niet goed. En jawel, na de verdere fijn-afstelling van het viziertje belandden mijn pijlen al keurig op het blazoen. Weliswaar niet in de roos, maar wel redelijk bij elkaar in de buurt. Ik moest het vizier later zelf, in het veld, beter gaan afstellen.

Ruim twee en een half uur nadat ik de winkel was binnengelopen liep ik met een complete handbooguitrusting naar buiten. Zo trots als een pauw. Ik had een fonkelende, Ferrari-rode handboog gekocht. En ik was er tot in mijn tenen mee in mijn nopjes. De knoop in mijn maag had plaats gemaakt voor die prettige tinteling van kippevel die in golven over je ruggengraat gaat. Geen gevoel van spijt, maar totaal het tegenovergestelde.

20180630_170350.jpg

Gisteravond heb ik mijn trotse bezit eens even uitgebreid getest op het schietveld van de club waar ik nu al weer bijna een jaar lid van ben. Het werd ook wel eens tijd voor een eigen boog. Een van de andere schutters die al jaren lid is, stond me bij met advies over mijn houding en techniek. Maar het belangrijkste advies was dat ik moest ontspannen. Laat je boog zijn werk doen. Dus ik liet al mijn boogspanning van me afglijden en halleluja…

20180629_210536.jpg

Naar omstandigheden

Als iemand me nu vraagt hoe het met me gaat dan zeg ik: “naar omstandigheden goed”. Ik haal er mijn schouders maar een beetje bij op en probeer opgewekt te kijken. De vrager bedoelt het immers goed. En het gaat ook best goed met me. Omdat ik relativeer. De omstandigheden zijn inderdaad naar, maar ik maak er het beste van. Mijn glas is halfvol. Dat zeg ik de laatste tijd ook te pas en te onpas. Vooral om mezelf ervan te overtuigen, denk ik.

Omstandigheden. Een naar woord eigenlijk. En wat zijn het überhaupt voor dingen? Ze zijn in ieder geval vaag. Ja, schimmig, en staan maar een beetje om me heen. En als ik mijn blik er te lang op vestig, lossen ze op. Alsof een omstandigheid niet scherp gezien wil worden. Nogal wiedes eigenlijk, want dan is het niet langer vaag. Dus ik spied mijn omstandigheden grondig af, zodat ze in niets oplossen.

Omstandigheden hebben volgens mij altijd een beetje een ingetogen karakter. Ja, ze kunnen gunstig of zelfs ideaal zijn, maar bijvoorbeeld nooit feestelijk, gek, idioot, woest of hysterisch. Omstandigheden zijn doorgaans vrij mak, bij het laffe af eigenlijk. Hun gezamenlijke gemoedstoestand schiet nooit in het extreme. In het ergste geval zijn ze belabberd. En ze komen ook nooit alleen. Daarvoor zijn ze dus te laf. Een omstandigheid op zichzelf stelt niks voor. Pas als ze met meer zijn hebben ze impact. Daar zit dan ook hun zwakke plek. Verhulling en duisternis zijn ideale omstandigheden voor nare omstandigheden. Dus ik ga ze te lijf met een scherpe blik en een helder licht.

Hoe het nu met me gaat? Op zich goed. Ik weer me kranig tegen de nare omstandigheden, want ik zie ze voor wat ze zijn. Geloof ik.

Ontdekking

Ontdekking. Dat is dus eigenlijk letterlijk het tegenovergestelde van “dekking”. Ik denk aan schade die ineens niet meer vergoed wordt door je verzekering.  Ik denk aan het weer opruimen van borden, glazen en bestek op de tafels waar alweer niemand aan kwam zitten. Ik denk aan de abortus van een om wat voor reden dan ook ongewenst lam, veulen, kalf of kind.

En natuurlijk denk ik ook aan de blootlegging van iets dat verborgen lag. Dat kan van alles zijn. Een nieuw diersoort. Een nieuw talent. Een “nieuwe” planeet of een “nieuw” zwart gat (die zijn natuurlijk nooit nieuw). En een lijk kan ook heel goed verborgen liggen natuurlijk. Hopelijk was het geen zelfmoord, want dat is ontdekt door de overlijdensrisicoverzekering.

Op zich

Er is op zich wel meer ruimte in mijn leven nu. Op zich is dat fijn. Ik doe waar ik zin in heb, en ik doe niet of ik stel uit waar ik op zich geen zin in heb. Misschien is er in dat opzicht op zich eigenlijk niets veranderd. Ik kan de positieve kanten van mijn situatie op zich natuurlijk best inzien. Ik heb veel meer tijd voor mezelf, en ik kan mijn leven op zich zo inrichten zoals ik dat wil. En op zich gaat me dat ook best goed af. Ik zorg op zich goed voor mezelf in de zin dat ik gezond en gevarieerd eet. Ik sta regelmatig in de keuken om voor mezelf te koken. Daar beleef ik op zich best plezier aan. Op zich kan ik ook best aardig koken al zeg ik het zelf.

Ik heb vaste grond onder mijn voeten nodig, een wat vaster thuishonk. Nu zit ik in een chaletje dat op zich prachtig ligt. Ik loop zo het bos in. Op zich heerlijk, maar ik voel me in zo’n hutje niet echt thuis. Dagelijks speur ik dus Funda af op zoek naar een betaalbaar huurwoninkje dat op zich niet al te ver ligt van waar mijn kinderen wonen. Er staat voor de komende week weer een bezichtiging in de agenda. Op zich ben ik niet al te kieskeurig. Een 2-kamer-appartement is op zich groot genoeg voor mij. Groter zal ik me op zich ook niet kunnen veroorloven. Dat appartementje zal ik dan moeten stofferen en inrichten. Daar kan ik me op zich best op verheugen. Ik hou me op zich natuurlijk ook aanbevolen voor meubels, potten, pannen en dergelijke waar je op zich wel vanaf zou willen.

Weet je, ik heb op zich best vertrouwen in de toekomst. Die toekomst is er wel. Ik weet alleen niet wat die me zal brengen. Op zich zou ik me natuurlijk niet te passief moeten opstellen. Mijn toekomst wordt immers voor een groot deel bepaald door mijn eigen keuzes. Dus ik moet niet afwachten wat het me brengt, maar vooruit kijken en de kansen en mogelijkheden benutten die ik zie. Op zich ben ik me daar prima van bewust. Dus ik moet niet zeggen dat ik niet weet wat de toekomst me brengt, maar dat ik me er onzeker over voel of ik de juiste keuzes maak. Dus ik kijk moedig vooruit.

Niet eens zo heel erg ver in de verte zie ik een tweesprong. Een splitsing van wegen. De ene loopt parallel aan een vertrouwde weg, de andere loopt daar juist bij vandaan. Op zich zou het ook kunnen dat die splitsing al achter me ligt, en dat ik weer ben blijven hangen in het verleden, vastgeklampt aan valse hoop. Dat is precies de lijdzaamheid waar ik vanaf moet. Je voelt ‘m aankomen: op zich begrijp ik dat heel goed, maar ik zwem in een zee vol maren. Woelige maren waar ik in dreig te verzuipen. De maren trekken me naar beneden, de diepte in. Een door mijzelf opgeworpen illusie natuurlijk. Dat snap ik op zich ook wel.

Niet oordelen

De laatste tijd probeer ik niet meer te oordelen. Of in ieder geval minder snel. Oordelen is eigenlijk mijn eerste reflex. Ik ben wantrouwig, en voel me snel aangevallen. Dat heeft te maken met mijn gebroken cirkel. Die cirkel is de achilleshiel van mijn ziel. Daar wil ik niet geknepen worden. Vooral met emotionele boodschappen van anderen heb ik moeite. Ik kan slecht luisteren naar iemand die op verwijtende toon tegen me praat. Kritiek is moeilijk, want ik vat het snel persoonlijk op. Zelfs als het helemaal geen kritiek is, maar alleen maar zo klinkt. Ik ben erg gevoelig voor de nuancering en woordkeuze. Ik neem dingen vaak ook veel te letterlijk. Het is om gek van te worden.

Het gekke is dat ik beter met kritiek van een wild vreemde om kan gaan, dan met kritiek van iemand die ik goed ken. Maar hoe meer ik van iemand hou hoe moeilijker ik kritiek van die persoon kan verwerken. Dat klinkt tegenstrijdig, maar het is zo. Vanwege mijn gebroken cirkel komen die mensen namelijk direct bij me binnen. Ze hebben direct toegang tot mijn kwetsbare ziel, dus ik voel me daar dan ook snel op (bij mannen zit de ziel trouwens voor een groot deel in hun geslachtsdeel…) getrapt.

Hoe moet je dan wel omgaan met (vermeend) kritiek? Nou, gewoon, niet oordelen. Het werkt in ieder geval heel goed om te voorkomen dat ik dicht sla. Ik hoor of lees de dingen die een potentieel gevaar voor mijn ziel vormen wel, maar ik probeer alleen te observeren. Hee, een prikkelend woord. Hee, een prikkelende opmerking. Niet oordelen. Geen aannames doen over wat de andere persoon ermee bedoelt. Gewoon doorgaan met luisteren. Of de e-mail gewoon doorlezen, desnoods nog twee keer nalezen. Ik kies er nu voor om niet in te gaan op de prikkelende opmerkingen. Ik kan er namelijk niets mee. Waar ik wel wat mee kan, dat pak ik op en reageer ik op.

Dat klinkt allemaal eenvoudig, maar dat is het niet. De scherpe, prikkelende woorden en opmerkingen van de ander komen voort uit de gemoedstoestand van de ander. Die emoties mogen er in principe zijn en zou ik serieus moeten nemen. De ander is geïrriteerd, boos, of misschien wel gewoon ongeduldig, of is moe of voelt zich niet lekker. Misschien zou ik die gemoedstoestanden uit de context moeten kunnen afleiden, of zou ik het met mijn telepathische vermogens direct moeten aflezen uit het hoofd van de ander, maar daar ben ik niet altijd even goed in. Wat ik wél kan is ophouden met het plakken van labeltjes aan de prikkelende opmerkingen. Want als ik er een labeltje aan heb gehangen, kan ik al niet meer luisteren, want een gelabelde opmerking staat te branden in mijn hoofd, en móet ik op reageren. Dus ik moet niet denken: wat een stomme, rottige, flauwe, vreemde, kinderachtige of vinnige opmerking, maar alleen observeren en doorgaan met luisteren (of lezen). Niet oordelen maar ontvangen.

Mooie theorie Mark, maar het is wel je achilleshiel. Dat klopt. Maar het lukt me toch, en daar ben ik best trots op. Weliswaar in mijn huidige kalme gemoedstoestand, maar toch. Niet oordelen is een mantra geworden. Ik denk het heel bewust bij het lezen van mailtjes en whatsapps van bepaalde personen. Ik doe zelfs een heuse micro-meditatie (5 tellen) voor ik het mailtje open. Even een paar keer diep ademhalen en denken: niet oordelen, niet oordelen, niet oordelen. En het werkt. Nu moet ik het nog integreren in mijn manier van omgaan met mensen, zodat het automatisch gaat. Het is een kwestie van oefenen denk ik. Dus als je me wil helpen, voorzie me dan maar van je meest ongezouten kritiek, dan zal ik beloven om niet te oordelen.

Superman geveld door groene kloddertjes-virus

Volgens mij ben ik een superheld geworden. Ik kan me natuurlijk vergissen, maar ik overweeg serieus de aanschaf van zo’n strakke hansop waar je onderbroek dan overheen draagt. Met bijpassende wappercape.

Het zit zo: Mijn halve gezin, echtgenote incluis, ligt in de lappenmand te blaffen en te steunen. Ik vlieg (vuist naar voren, één knietje opgetrokken) af en aan met kopjes thee en kippensoep. Ik dep gloeiend hete voorhoofdjes met natte washandjes. Ik wring nat gezweette lakens uit. Tegelijkertijd doe ik boodschappen, vier ik het kampioenschap van het voetbalteam van mijn zoontje (die niet ziek is) en breng ik een beleefd bezoekje aan het 40-jarige jubieumfeest van de buren. En tussen de heldentoeren door stop ik ook even de halve inboedel in verhuisdozen, doe ik de was en kook ik het eten (waar vervolgens de helft van over blijft).

Ik moet onfaalbaar zijn voor mijn geliefde Metropolisje. Dus ik suis stoer rond het huis. Te snel voor het menselijk oog. Dan flits ik hier heen dan zoef ik daar heen. Maar het griepvirus dat ik zo dapper bestrijdt, vecht gemeen terug. Ook bij mij ontwikkelen zich de kryptonietgroene klodders. Te snel, te snel. Plotseling ben ik toch weer die sterfelijke sukkel met die bril. Mijn Lois wil ineens een tosti, maar haar held laat het afweten, of toch niet…