bloggen

Acceptatie

De taalpietlut (niet te verwarren met de kommaneuker) in mij probeert de wereld te begrijpen vanuit de letterlijke betekenis van woorden. Dat is nou eenmaal zoals mijn hoofd werkt. Dat is één van de vele normaalheden (normaal is het nieuwe bijzonder) van mezelf die ik probeer te accepteren. Maar hoe werkt dat nou eigenlijk, acceptatie? Wat betekent het überhaupt.

De Van Dale pak ik er nu maar niet bij. Deze moet ik met mijn gezonde verstand wel kunnen kraken. Accepteren is toch eigenlijk niets meer dan aanpakken wat iemand je geeft? De manier van geven laat nog wel eens te wensen over. Zoals in je schoot werpen, in je maag splitsen of voor je voeten werpen. De ander was wanhopig en moest er hoe dan ook vanaf en jij vormde op dat moment een handige ontvanger. Dat op zichzelf moet je dan ook maar gewoon accepteren.

Niet accepteren is dan zoiets als het paard terug duwen naar de gever. Je keek in de bek (ja ja, het is eigenlijk een mond) van het paard en wat je zag beviel je helemaal niet. Vlieg op met je stomme paard! Maar wat nou als het paard al heel lang onderdeel van jezelf is? Aan wie moet je dat paard überhaupt terug geven? Je hebt wel een vermoeden van de oorsprong van je paard, maar dat gaat generaties terug. Van een geërfd paard kom je dus niet af en zit er dus eigenlijk maar één ding op: acceptatie.

Bij het accepteren van jezelf zoals je bent heb je dus niet de luxe van het bestuderen van het gebit van het betroffen paard. Het is zoals het is. Dit imperfecte paard is een deel van je. In mij galoppeert en steigert een nukkige hengst die graag komma’s neukt. Niet perfect, maar ik span hem af en toe toch graag voor mijn blog-karretje. Ik heb dit paard dus geaccepteerd. Gelukkig is niemand perfect. Jij ook niet. Accepteer het maar gewoon.

Advertenties

Vlugge Vloggers

Een plaatje zegt meer dan duizend woorden. Dus dan maak je altijd de afweging: maak ik een mooie plaat, of schrijf ik even een stuk tekst van duizend woorden. Het hangt ervan af hoe ingewikkeld het onderwerp is dat uitgelegd moet worden. En het hangt ervan af hoe goed je bent in het maken van plaatjes.

Maar het hangt ook van je voorkeur af. Zelf schrijf ik graag, dus ik ga voor duizend prachtige woorden. Af en toe zet ik er wel eens een plaatje bij, maar dat is meestal puur ter illustratie. Als ik al een zelf geschoten plaatje plaats, dan doe ik dit om er een verhaal bij te vertellen. Ik ben ook maar een matige fotograaf, dus ik moet mijn plaatjes ook wel bijlichten met wat tekst.  Ik ben meer praatjes- dan plaatjesmaker.

Wel volg ik diverse foto-blogs. Ik hou namelijk wel veel van fotografie, maar vooral als kijker. Foto’s die een verhaal vertellen, zonder dat er woorden voor nodig zijn, spreken me het meest aan (bijna letterlijk).

Wat ik (nog) helemaal niet volg, zijn vlogs. Zo wist ik pas sinds vandaag af van het bestaan van Enzo Knol, de populairste vlogger op dit moment. Hij schiet de hele dag niets anders als filmpjes. Gegrepen uit zijn interessante leven. Iedere dag zet hij een nieuw filmpje online. Het is een vlugge vlogger. Het is veelzeggend dat ik hem nog niet kende. Ik zat lekker onder mijn rots.

Technisch gezien is een filmpje een heleboel plaatjes (frames) die je snel achter elkaar toont. Een filmpje van een minuut bevat al snel 300 frames. 300 plaatjes die elk meer vertellen dan duizend woorden. Vertelt een vlog van een minuut meer dan 300.000 woorden?  Misschien wel als er niet teveel bij gesproken wordt.

Maar misschien hoeven filmpjes wel helemaal nergens over te gaan om het bekijken waard te zijn. Na het zien van 30 seconden Knolpower, haakte ik al af. 30 seconden die mij in potentie meer dan 150.000 woorden hadden kunnen zeggen. Maar het zei mij helemaal niks. Het gaat helemaal nergens over,  en toch meer dan een miljoen bezichtigingen. Blijkbaar denken al die kijkers er anders over dan ik. Ik ben ook maar een ouwe zeur. Laat mij maar lekker mopperen op mijn ouderwetse blog met amper 40 volgers. Blatende bloggers zijn passé. Dit is de tijd van de vlugge vloggers.

 

 

Dat is een goeie vraag

Het is me opgevallen dat geïnterviewden vaak hun antwoord op een gestelde vraag beginnen met: “Dat is een goeie vraag”. Waarom doen ze dat?

Andere variaties die ik hoor zijn:
“Dat is een heel goede vraag”, welke meestal vooraf gaat aan een vaag en ontwijkend antwoord (let ook vooral op de benadrukking en verlenging van “heel”).
“Dat is een uitstekende vraag”, hier is de geïnterviewde meestal erg blij (des te meer nadruk op de 2e lettergreep van uitstekend, des te blijer) dat de vraag is gesteld, en kun je rekenen op een uitgebreid antwoord.

Nu neem ik zelf niet zo bijster veel interviews af hoor. Ik baseer me grotendeels op wat ik op radio of televisie hoor. Let er maar eens op. En ik vind het ook helemaal niet storend als het mij overkomt dat iemand mijn vraag hardop goed keurt. Hoewel ik me wel afvraag hoe oprecht het complimentje is. Volgens mij is het veel meer bedoeld om een beetje meer denktijd te creëren en/of om een ontwijkende zin te formuleren om te verhullen dat je het niet precies weet.

Zelf maak ik me ook veelvuldig schuldig aan dit “fenomeen”. Het is bijna een soort reflex. Als ik antwoord met: “dat is een goeie vraag”, dan ben ik in ieder geval niet bewust bezig om de interviewer te complimenteren over de gestelde vraag. Eigenlijk is het meer een alternatief voor “eeeehm…”, maar ik kan er dan meestal wel wat zinnigs over zeggen. Als je me écht overvraagt dan maak ik dat beleefd duidelijk met: “Poeh hee, daar vraag je me wat zeg”.

Nu vraag ik het maar eens aan de lezer: Herkent je dit? En waarom begin jij je antwoorden op deze manier als je eerlijk bent?

en toch, ik blog

Eigenlijk kost het teveel tijd. Tijd die ik niet heb. Maar het is wel een fijne hobby. “Uit blognood klad ik verwoede noten op mijn blok” was ooit de ondertitel van mijn blog. Het klopt nog steeds, want ik móet gewoon af en toe even bloggen. Gewoon even lekker mopperen, oreren, pronken of filosoferen. Vurig hopend op lof, en anders maar kritiek. Ik kwispel sowieso.

Ik ben een orgeldraaier op een plein vol met andere orgeldraaiers. Allemaal op hun eigen vaste stekkie. Al wat je hoort is een bonte kakofonie. Maar hier en daar springt er altijd iets uit. Iets waar ik blij van wordt. Of iets dat me ontroert. Dan zet ik mijn orgeltje uit en laat ik me even meevoeren op de noten van een ander.

Schrijven doet bovendien beklijven. Al bloggende ordent mijn hoofd zich. Het verwoorden van gedachten, ook al zijn het spinsels, heeft een heilzame werking op me. Humeuren klaren ervan op. Innerlijke stormen worden kalm.

Maar waarom denk dan toch zo vaak dat ik ermee zou moeten stoppen? De laatste tijd ontbreekt me eenvoudig de lust. Mijn blognood is uitgeblust. Natuurlijk heb ik dat vaker, maar dat is meestal in de periode dat ik eigenlijk winterslaap zou moeten houden. Het is verdorie nog hartje zomer, maar maak dat al die boleten die nu al in het bos staan maar eens wijs.

En eigenlijk kost mijn hobby (of is het toch een obsessie?) wel veel tijd. Niet zelden zit ik tot in de late uren te rammelen op de knoppen. Wetende dat ik er beter aan doe te gaan slapen. Wetende dat ik er morgen echt weer vroeg uit moet. Wetende dat het stukje echt niet persé vanavond nog af moet. Ik weet dat allemaal heel goed, en toch…

 

Natuurlijk kopiëren we elkaar

Good artists copy, great artists steal. Een quote van Steve Jobs. De man was wel zo megalomaan dat hij iedere poging om zijn ideeën te kopiëren desnoods met kernwapens bestreed. Maar Steve’s ideeën waren natuurlijk niet origineel. Iedereen kopieert. Niets is echt origineel. Originaliteit is betrekkelijk en uit zich in de draai die de “artiest” aan het gekopieerde geeft.

Zelf beschouw ik het maar als een groot compliment als iemand iets van mij kopieert. Ik beschouw mezelf niet als artiest, laat staan een goeie. Maar kopiëren doe ik natuurlijk wel. Want ik ben beïnvloed door anderen. Mijn schrijfstijl heb ik niet zelf bedacht, maar van iemand overgenomen, omdat het vertrouwd is, of omdat het bij me past. Van meerdere iemanden waarschijnlijk, die op hun beurt ook zijn beïnvloed. Als ik me er bewust van ben dat ik iemand kopieer, dan vermeld ik dat. Dat vind ik wel zo netjes.

Ik kan wel een rijtje mensen opdreunen waarvan ik me bewust ben dat ze mij beïnvloeden, omdat hun stijl mij aanstaat. Zo hou ik van Herman Finker’s taal-ongerijmdheid. Maar ook van de absurde filosofieën van Terry Pratchett. Koot en Bie hebben mij absoluut sterk beïnvloed, maar ook Annie M.G. Schmidt. Niks hoogdravends, vind ik zelf. Ik hou niet van hoogdraverij. Ik draaf graag op aards niveau. Annie kon dat als geen ander, maar ook zij kopieerde, dat kan niet anders.

Het meest kopieer ik van mensen in mijn omgeving. En dat doen we volgens mij allemaal. Bewust en vooral onbewust. Mijn familie, vrienden en collega’s beïnvloeden me. Ik neem hun maniertjes, grapjes en ideeën over, want ik vind ze leuk. Tuurlijk geef ik er ook een eigen draai aan. Anderen nemen dat dan weer van mij over. Mijn kinderen bijvoorbeeld. Dat zijn ware spiegeltjes van mezelf, met een steeds groter wordend stukje eigen identiteit. Een identiteit die is opgebouwd uit allemaal van anderen gekopieerde stukjes. Zo ontwikkelen mensen zich: door te kopiëren. Heel natuurlijk, want het is ingebouwd in onze genen. Kopiëren is menselijk.

De inspiratiebron voor deze post: TED Radio Hour – “What’s Original?”

Wat als we ons nooit meer zouden vervelen

Ik heb er sinds een tijdje een nieuwe verslaving bij: BNR De Nieuwe Wereld. Dit is een radioprogramma dat de ontwikkelingen van onze samenleving in de verre toekomst beschouwt en met een select groepje slimme mensen (hoogleraren, ondernemers, et cetera) filosofeert over de betekenissen van die ontwikkelingen voor het bedrijfsleven. De formule is heel leuk: het begint met en nieuwsbericht uit de verre toekomst en vervolgens een stelling in de vorm: “Wat als ….”

Ik luister altijd naar een op het internet geplaatste opname van de radio-uitzending die ik download op mijn telefoon. Als “podcast” dus. Dat het ook live op de radio werd uitgezonden kwam ik zelfs onlangs pas achter. Ik zorg dat ik altijd een flinke hoeveelheid recente podcasts op mijn telefoon heb staan voor het geval ik me ergens sta, lig of zit te vervelen. Want dat mag natuurlijk niet, totdat ik (hoe kan het ook anders) deze opgenomen uitzending van De Nieuwe Wereld beluisterde: Wat als we nog maar 4 uur slaap nodig hebben.

Het was een interessante sessie over de 24-uurs economie en een maatschappij waarin mensen nog maar 4 uur slaap nodig hebben. Er zat een hoogleraar “chronobiologie” in het gezelschap en hij gelooft daar dus absoluut niet in. Wel heb je inderdaad verschillende chronotypes: van ochtendmens tot avondmens, maar zelfs voor de die hards onder de kortslapers is 4 uur slaap structureel te weinig. Luister zelf maar.

Tijdens deze uitzending stelde hun vaste trend watcher Farid Tabarki dat we niet minder moeten gaan slapen om meer tijd te creëren, maar dat we juist meer tijd moet nemen om ons te vervelen. Jawel! Want door verveling komen je creatieve processen op gang. Dit waren precies de woorden die ik nodig had: vervelen is goed voor de creativiteit. Yes! Want als ik me niet genoeg verveel, dan krijg je dus miscreaties zoals deze, deze of zelfs deze.  

En omgekeerd: als je bij het lezen van één van mijn verhalen denkt: potverdorie wat is dit goed, dan heb ik me voor het schrijven ervan dus eerst uuuuren of misschien wel daaaaaagen zitten vervelen. Dus als wij ons nooit meer zouden vervelen, wordt het dus een saaie, inspiratieloze wereld. Dus waar wacht u nog op: Gaat heen, en verveelt u zich!