cynisch

Communicatiestoornis?

Tijdens mijn rijlessen (ergens in de oertijd) hamerde mijn instructeur erop dat je in het verkeer niet duidelijk genoeg kan zijn. De auto heeft de volgende middelen om signalen aan andere weggebruikers mee te kunnen geven: knipperlichten, toeter, remlichten, achteruitrijlicht, groot licht. En natuurlijk kan met handgebaren ook het nodige worden duidelijk gemaakt. Voor een optimale werking van de handgebaren moet eerst oogcontact worden bewerkstelligd. Dat weet iedereen. Desondanks gebaren mijn handen regelmatig grote signalen van verbijstering zonder dat ik controleer of er wel oogcontact is. Stom natuurlijk.

Mijn verbijstering betreft nogal vaak het gebrek aan knipperlichtsignaal tijdens inhaalmanoeuvres. De logica achter dit gebrek aan communicatie ontgaat me. Het begrijpen van de beweegredenen om geen richting aan te geven begint de vorm van een obsessie aan te nemen. Help me! Is het een nieuwe vorm van zogenaamde coolheid? Is het peuteren in de neus belangrijker? Is het knipperlichtpookje aan het stuur defect? Is het domweg luiheid? Of gewoon argeloosheid? Persoonlijk vermoed ik sterk dat het een hardnekkige communicatiestoornis is. Ik probeer me er maar niet aan te ergeren, maar ik voel wel steeds kramp in mijn middelvinger. Mijn rijinstructeur moest eens weten.

Penny Master

Zo ongeveer precies 25 jaar geleden richtten twee studiematen en ik, onder de vlag van de Fysisch Mathematische Faculteitsvereniging (FMF) van de RuG, een commissie op die een kleine buitenlandse excursie ging organiseren. Naar het mooie Dublin. Ik, The Penny Master, zorgde voor de benodigde pegels. Maakte de begroting. Wierf fondsen, betaalde rekeningen. Dat ging me goed af. Ik was zeker van mijn zaken. Draaide mijn hand er niet voor om.

Die studiematen en ik zijn nog immer dik bevriend. Eirebuddies for life. Mijn exlief nam trouwens ook deel aan de studiereis. In Dublin werden we smoorverliefd. Hand in hand liepen we langs de Liffy. Zoenden elkaar voor het eerst. Allemaal in Dublin. Die relatie liep op de klippen, maar dat is bekend. Ik ben al verder.

Die aardedonkere periode van mijn depressie lijkt haast wel onwerkelijk. Ik weet dat het echt is gebeurd. Nog geen twee jaar geleden. Ik was verward en dacht dat ik het leven niet meer waard was. Gelukkig was ik ook daar cynisch over. Het was ook te absurd voor woorden. Ook absurd is dat ik me in alles onzeker voelde.

Waar is die zelfverzekerde penningmeester van toen gebleven? Nou, gewoon hier. Nooit echt weg geweest eigenlijk. Alleen maar kwijt. En wat ik toen kon, kan ik nu ook weer. Dus ben ik sinds kort wederom Penny Master. Na al die jaren. Nu van een gezellige vereniging van handboogschutters. Vrienden eigenlijk. Daar doe ik het voor.

Zwaartekracht

Onze planeet oefent een neerwaartse kracht op ons uit. Niemand ontsnapt eraan. De zwaartekracht laat nooit af. Het is een fact of life. Van zwaartekracht een probleem maken heeft geen enkele zin. We zullen het gewoon moeten trotseren. Gewoon een kwestie van in evenwicht blijven.

Wrok is als zwaartekracht. Het probeert een neerwaartse kracht op een ander uit te oefenen. Wrok kan heel lang aanhouden. Het wordt voor die ander een fact of life. Er een probleem van maken heeft geen enkele zin. We zullen het gewoon moeten trotseren. Het is gewoon een kwestie van overeind blijven.

Versnapering

Onlangs diende ik bij mijn werkgever een declaratie in voor “versnaperingen”. Tot mijn eigen verbazing typte ik dit antieke woord argeloos in bij de omschrijving. Ik bedacht me glimlachend dat ik me niet kon herinneren wanneer ik dit woord het laatst uitsprak. Het komt doorgaans ook niet voor op mijn boodschappenlijstjes. Ik vraag mijn kinderen niet of ze een versnaperingetje willen. Het synoniem “lekkernij” zit overigens ook niet in mijn dagelijkse woordenselectie. Hoewel ik wel eerder zou zeggen dat ik een tafel vol lekkernijen zie dan een tafel vol versnaperingen. Maar lekkernijen voelen dan weer minder declarabel. Lekkernijen doen de wenkbrauwen van de declaratiecontroleur alleen maar rijzen. Ze roepen lastige vragen op. Ik zou de betroffen lekkernijen nader moeten specificeren. Ik had waarschijnlijk vooraf schriftelijk toestemming moeten vragen voor de betroffen lekkernijen. Versnaperingen zijn zakelijker. Voor versnaperingen zijn er ongetwijfeld duidelijke declaratiekaders bepaald. Dat voelde ik intuïtief aan. Altijd weer mooi als mijn onderbuik mijn verstand weer eens weet te verbazen. Diezelfde buik herinnert mij nu aan de versnaperingen die zich in mijn lekkernijenlade bevinden.

Uit mijn hoofd!

Jezelf terug kunnen vinden nadat je jezelf had verloren is blijkbaar een kwestie van stoppen met zoeken. Het is ook een kwestie van aandacht voor dat wat wél belangrijk is voor jezelf. Die aandacht vast blijven houden is moeilijk, vind ik. Mijn aandacht lijkt steeds van mezelf af te glijden. Dan heb ik gedachten over mezelf die niet van mezelf zijn. Er zit nog altijd een tweede stem in mijn hoofd die me zeer vertrouwd is. Haar stem. Onbegrip. Sarcasme. Mijn projectie. Ze uit zich voortdurend in mijn hoofd bij keuzes die ik maak. Of niet maak. Bij ondoordachte acties weerklinkt haar afkeuring in mijn hoofd. “Kop houden!”, denk ik dan (soms hardop), “Uit mijn hoofd jij!”. Naar het schijnt duurt het een derde van de tijd samen voor een ex-geliefde helemaal uit je hoofd is verdwenen. Ruwweg zeven jaren in mijn geval. Daar zijn er al twee van voorbij, dus nog vijf voor de boeg. Haar stem is nog sterk, maar heeft al minder vat op me. Een kwestie van tijd dus. En vooral een kwestie van koppig blijven geloven in mezelf. Koppig is mijn eerste natuur en zelfspot mijn tweede, dus ik maak me geen zorgen.

Algoritmen

Stukjes code die helemaal vanzelf keuzes maken voor mij. Zoals de super hete pizza die voor me wordt gebakken omdat het algoritme registreerde dat mijn blik wel 0.374 seconden op die smakelijke groene jalapeño op de foto boven de balie bleef hangen. Zoals de route van A naar B omdat ik maar zou verdwalen en bovendien niet in files wil staan, maar eigenlijk worden we met z’n allen als kuddedieren zo over de wegen geleid dat de files korter zijn en sneller oplossen. Of het nieuws dat mij zou moeten interesseren op basis van een persoonlijk profiel dat is bepaald door volautomatische verzameling van data over mijn gedragingen.

Algoritmen combineren mijn data met de data van anderen. Algoritmen delen ons op in categorieën. Digitale schaapskuddes. Algoritmen voorspellen met die data wat we nodig hebben, en matchen onze behoeften aan de ideale keuze uit het enorme aanbod. Het aanbod is zo groot dat we niet eens meer zelf kúnnen kiezen. Veel te veel gedoe. Boeken, muziek, gadgets, verzekeringen, reizen, restaurants, woonruimte, medische zorg, en ook liefde. Niets is blijkbaar taboe. Algoritmen die (tegen betaling) de beste keuzes voor een nieuwe partner voor je berekenen. Ik vind het nogal wat. Als gediplomeerd infoloog weet ik hoe je algoritmen maakt en hoe ze werken. Maar toch vind ik het nogal wat. Die beroepskeuze maakte ik destijds trouwens helemaal zelf. Nooit spijt van gehad. Straks wordt je ideale studiekeuze natuurlijk al voor je berekend door een algoritme. Dat is al geen taboe meer.

Het duurt vast ook niet lang of algoritmen weten precies wanneer je dood gaat. Sterker nog, dit weten ze beslist al, op de dag nauwkeurig, maar ze hebben zich nog niet uit de taboesfeer gewurmd. Op een dag in de nabije toekomst krijgen zij die al digitaal ten dode zijn opgeschreven schaamteloze advertenties voor praktische en passende uitvaarten die precies bij ons passen (duurzaam de pijp uit knetteren kan dan ook). Je keuze voor het verzorgingstehuis is dan natuurlijk dan ook al door een algoritme gemaakt. Het vriendelijke algoritme dat het beste met je voor heeft. In al zijn goedheid heeft het ook alvast de ideale uitvaart voor je uitgezocht. Je hoeft het allemaal alleen nog maar in je winkelwagentje te slepen.

Verwacht niets

Nee heb je, ja kun je krijgen. Een wijsheid van mijn moeder. Als ik iets wilde maar niet durfde te vragen, dan was dat haar advies. Het is een waarheid als een koe natuurlijk. Zelf zeg ik nu heel vaak tegen mijn kinderen dat brutalen de halve wereld hebben. Soms mag je, nee, móet je brutaal zijn, zeg ik tegen ze. Het betekent ongeveer hetzelfde als mijn moeder’s wijsheid, maar ik voeg er assertiviteit aan toe. Als je iets wil, moet je er brutaalweg om vragen. Wat een gedoe. Toch pas ik dat altijd behoorlijk vrijpostig toe als ik een rib uit mijn lijf ga trekken voor een auto, of een keuken, et cetera: kan er wat van de prijs af? Het is verbazingwekkend hoe zelden ik daarop een nee als antwoord krijg.

De kern van mijn moeder’s oude wijsheid zit ‘m in de verwachting van de afwijzing. Een mens gedijt slecht op afwijzing. Voor mij geldt dat sowieso. De vraag niet stellen voorkomt op zich wel afwijzing, maar de begeerde bevestiging wordt niet ontvangen. Kortom: ga die vraag vol goeie moed en brutaliteit stellen, met de verwachting van de nee? Nee. Ik denk dat je geen ja én geen nee moet verwachten, maar helemaal niets. Verwacht je namelijk een “ja”, dan is er het risico van teleurstelling. Maar als je altijd uitgaat van de “nee”, dan loop je het risico van gelatenheid: het maakt toch niks uit wat ik doe. Ik denk dat dat laatste erger is dan af en toe een afwijzing verwerken.

En natuurlijk is de wereld niet zwart-wit. De mijne niet in ieder geval. Er zit een hele wereld tussen alles en niets. Soms helpt het om brutaal te zijn met hoge verwachtingen, en soms loont je sierlijke bescheidenheid. In het midden zit acceptatie van net gelijk welk antwoord. Verwacht niets, en accepteer alles. Natuurlijk is alles niet alles, en niets niet niets. Het gaat erom dat er een hele wereld tussen nee en ja zit, en dat je je open stelt voor het antwoord dat je krijgt en dan kiest wat je daarvan kunt accepteren. Wat een gedoe. Ach, voor mij is dit zo’n inzicht dat er altijd al was, maar waar je door schade en schande door het leven steeds weer aan herinnerd wordt. Afhankelijk van je koppigheid (en daarmee ben ik nogal gezegend), leer je dit ergens in je leven te accepteren.

Leegte

Met de televisie aan voelt het minder leeg in mijn huis. Ik gebruik de televisie, en ook de radio om de leegte die ik voel op te vullen. Maar de leegte laat zich er maar tijdelijk door vullen. Als ik de televisie uit zet, lijkt de leegte haast wel te zijn vergroot. Komt misschien wel door het gebrek aan inhoud van hetgeen erop de televisie te zien was. Natuurlijk bedien ik de televisie zelf. Ik kies er vrijwillig voor om de inhoudsloze programma’s en series aan te zien. Onderuitgezakt op de bank.

Na een uurtje of twee, drie, leg ik de televisie het zwijgen op met de afstandsbediening. Hallo leegte. Natuurlijk groet het niet terug. Het is een passieve leegte. Het doet niets. Het klaagt niet en is zelfs niet eens dreigend. Het is er alleen maar. Mijn stoïcijnse leegte. Het zegt niets, maar maakt wel heel duidelijk zijn aanwezigheid kenbaar. Het oordeelt ook niet. Misschien moet ik over mijn leegte dan ook maar niet oordelen. Het is een deel van me dat erkenning verdient. Misschien moet ik het ook niet als leegte zien, maar als ruimte. De ruimte in de bovenste helft van mijn glas.

Echtscheidingsmarkt

Het lijkt wel of er steeds meer reclame is voor echtscheidingsbemiddeling. In tijdschriften, op TV, in de krant, levensgroot op borden langs de snelweg. Nogal confronterend vond ik ze. Ik betrapte me er in de laatste jaren steeds vaker op dat ik me ongemakkelijk voelde bij die reclames. Ik ergerde me er steeds meer aan hoe schaamteloos al die mediators hun diensten aan de man (ongeëmancipeerde woordkeuze, weet ik) aan het brengen waren. Het scheelt er nog maar aan of je krijgt als vaste klant korting op volgende scheidingen. Ik dacht dat ik me stoorde aan de schaamteloosheid. Inwendig verweet ik ze dat ze uit waren op het breken van relaties. Van mijn relatie. Ze zouden met hun schaamteloze geleur met hun diensten de ontevreden wederhelften maar op idiote ideeën brengen. Maar ik weet nu beter. Ze vormden voor mij een voorbode van iets onvermijdelijk. Mijn huwelijk ging recht op de klippen af. Nogal onverbiddelijk ook. Was ik echt machteloos? In ieder geval raakte ik steeds meer in mezelf verstrikt. Nu ik weer uit de knoop ben zie ik mijn waarheid. Mijn ergernis, nee schaamte voor die reclames voor echtscheidingsbemiddeling kwamen voort uit mijn schaamte voor mijn eigen relatieproblemen. Die schaamte ben ik nu wel aardig overheen. Scheiden is blijkbaar doodnormaal. Alledaagse praktijk. Laat die scheidingsbemiddelaars er maar fijn garen bij spinnen. Hun aanbod bestaat bij de gratie van de vraag, en niet andersom.

De ware romanticus

Hij is eigenlijk bepaald geen ridder op een wit paard. Dat zou hij zelf in principe nooit over zichzelf beweren. Wie zou zoiets überhaupt over zichzelf zeggen? Dat vroeg hij zich vaak af. Welke man zou zichzelf nou openlijk een romanticus noemen? Hij in ieder geval niet. Ook al barstte hij van de romantiek. Wat eigenlijk misschien ook wel zo is. Het is er bij hem alleen nog nooit uitgekomen.

Een ware romanticus uit het vast allemaal bij de ware liefde. Voor de ware zou hij beslist mierzoete serenades schrijven en zelfs onder haar balkon zingen. Met bijbehorende rode roos tussen zijn tanden. Voor de ware zou hij allicht draken doden. Met zijn blote handen. Voor de ware zou hij de grond waarop ze liep willen kussen. In principe dan. Niet letterlijk natuurlijk. Een man is in principe alleen figuurlijk romantisch, zo veronderstelt hij. Hij is een wanhopige cynicus. Een ware romanticus als het ware.