cynisch

Meerzaam

Het is leeg in mij. Ik mis iedereen die ik nooit eerder miste. Eenzaamheid past niet bij me. Het staat me eenvoudig niet. Diep van binnen houdt niemand toch echt van eenzaamheid? Mensen houden van mensen. Ja, soms heeft een mens ruimte nodig. Soms heeft een mens even meer dan genoeg aan zichzelf als enig gezelschap.

Het alleen zijn kan je eigenlijk des te meer waarderen na teveel leven om je heen. Veel leven maakt honger naar stilte, maar het omgekeerde geldt ook. Zeker als dat leven op afstand blijven moet. Het leven lonkt en plaagt. Leven zonder mensen is een (te) stil leven.

Wat een bizarre situatie dat we sociale afstand moeten bewaren, omwille van onze nationale gezondheid. Maar mentaal takelt ons land af. Misschien stonden we er met z’n allen verstandelijk sowieso al niet bijster goed voor trouwens. Makke lammeren zijn we. We lijken wel betoverd. Bang voor vervloeking.

Nou, ik mag vervloekt worden als ik nog lang op sociale afstand moet leven van mijn lieve medemens. Ik kan niet wachten tot ik me weer zo meerzaam voel dat ik weer kan verlangen naar een momentje alleen.

Klokslagen

Blijkbaar moeten dingen op gezette tijden gebeuren. Zoals schaften en dineren. De standaard schafttijd is klokslag 12 uur. En “heel” Nederland gaat klokslag 18 uur aan tafel voor het warme eten. Rotsvaste normen. Ook schijnt 11 uur de standaard koffietijd en 16 uur de standaard theetijd te zijn, maar allicht verschillen die normen per regio. Ik ken iemand die het leven op klokslagen tot een kunstvorm heeft verheven. Kriegel werd ik daarvan en ik druistte er dikwijls lekker tegen in door voor koffietijd al aan de koffie te gaan. Cynische fratsen eigenlijk.

Maar verder heb ik niet zoveel moeite met die vaste klokslagen. Als mijn kinderen bij me zijn hou ik me zelfs exact aan al die standaard tijden. Regelmaat is goed voor kinderen, maar vooral ook voor papa. Het is enorm gezellig om de kinderen om me heen te hebben, maar het levert ook meer chaos op. En door vast te houden aan vaste momenten voor dingen, kan ik mijn hoofd boven de chaos houden. Die chaos zit natuurlijk vooral tussen mijn oren. Die vaste tijden zorgen voor rust tussen die zelfde oren.

Dus ik klamp me vast aan klokslagen als het druk om me heen wordt. Als ik alleen ben zak ik in mijn vrijgezellenritme en laat ik het een stukje losser (met name later eten en slapen), maar kan je eigenlijk nog steeds vrij goed de klok op mij gelijk zetten.

Voor mijn thuiswerkdagen heb ik mezelf al sinds dag 1 van de coronacrisis een ijzeren routine aangemeten. Dit doe ik dan weer juist om het gebrek aan drukte om me heen op te vullen. Mijn wekkerradio gaat af om 6:15, en als ik het journaal van 7 uur heb gehoord, kom ik uit mijn nest. Om de dag sta ik rond 7:15 precies 5 minuten onder de douche. Tegen 7:30 begin ik mijn vaste schaaltje muesli met yoghurt en banaan leeg te lepelen. En als ik de begeleidende kop thee op heb trek ik de jas aan en maak een ommetje van wisselende afstand in de buurt. Maar ik ben altijd voor 8:30 weer thuis. Dan zet ik een pot koffie en terwijl de koffie doorloopt ga ik op mijn thuiswerkplek zitten en zet de laptop aan. Vanaf dat moment neemt de agenda mijn leven over. Tussen alle videovergaderingen door giet ik de koffiepot steeds een beetje leger. Om 12 uur schaften, zoals altijd, maar wel korter dan normaal.

Die indeling van mijn werkdag is tegenwoordig, zeg maar, mijn nieuwe normaal. Een nieuw normaal met vertrouwde, oude, rotsvaste klokslagen.

De Zen van het scheren

Vanochtend keek een man met een woeste en verwilderde kop mij vanuit de badkamerspiegel aan. Hij had een stoppelbaard van minstens 8 dagen en een wild woekerende bos met grijze haren. Eerst maar eens wat aan die baard doen, dacht ik. Dus ik vulde de wasbak met loeiheet water. Met een dampende washand temde ik de stoppels zodat ze minder weerstand zouden bieden aan het scheermes. Met de kwast draaide ik een portie stevig schuim en bracht dat aan op de baard.

Onlangs zag ik op televisie een keer dat ik dat al die jaren op de verkeerde manier deed. Sindsdien doe ik het zoals die tv-barbier het voordeed. Je moet het schuim met ronddraaiende bewegingen in je baard masseren. En als je het gebied rond je mond inschuimt moet je je lippen even naar binnen zuigen. Een prettige toevoeging aan het scheerritueel.

Het is dus eigenlijk vooral een kwestie van (nog) meer aandacht. Het scheren is daarna echt prettiger. Ik heb een vaste route over mijn gezicht, en de stoppels laten zich gewillig door het scheermes meenemen. Op dit moment zweer ik het bij zo’n 5-bladig geval van het merk met die zwaarden. Ondanks de belofte van de reklame moet ik wel vaker over hetzelfde stukje om een glad resultaat te behalen.

Als met zoveel dingen heb ik eigenlijk nooit zin om me te scheren (vandaar een baard van 8 dagen), maar als ik eenmaal bezig ben dan vind ik het een heerlijk werkje. Aandacht voor mezelf. Zolang ik maar de tijd heb om dat rustig te kunnen doen. Als ik me haastig scheer is het resultaat daar ook naar: overal gemiste stoppels en een geteisterde, vlekkige huid. Maar als ik de tijd neem en met aandacht scheer dan krijg ik een strakke, baby-zachte smoel. Aandacht is de essentie. Het ritueel van je uiterlijke verzorging is eigenlijk innerlijke verzorging. De Zen van het scheren.

Anderhalf

Het woord van dit jaar wordt anderhalvemetermaatschappij óf anderhalvemetereconomie. Hoewel ik principieel tegen gokspelen ben, zou ik mijn geld zetten op de tweede. Als woord vind ik “anderhalf” trouwens heel mooi. Het is een robuust woord dat al eeuwen in onze taal (en andere germaanse talen) wordt gebruikt. Het duidt op de tweede tel en daarvan alleen de eerste helft, snap je? Dus we tellen eenvoudig de meters tussen elkaar, maar bij de tweede houden we halverwege op. Op die manier krijgen we corona onder onze maatschappelijke duim. Easy.

Ik zie die anderhalvemetermaatschappij nog niet helemaal voor me eigenlijk, maar wil mijn best er voor doen. Ik probeerde me mijn dagelijkse werk op kantoor in het nieuwe normaal voor te stellen, en er verschijnen meteen diverse beren op mijn weg (ha ha, ik hoef niet eens op berenjacht).

In de koffiehoek duikt een kleine beer op: de koffiemachines staan te dicht op elkaar, maar dat kan natuurlijk worden opgelost.

En op gegeven moment moeten we allemaal een keer naar de wc. Weer een beer. In de toiletruimte wordt de anderhalve meter natuurlijk problematisch. De urinoirs zitten bijvoorbeeld al te dicht op elkaar.

En bij de liften staat een beer met één opgestoken vinger. Het aantal mensen dat nu tegelijk in een lift mag. Het wordt druk in het trappenhuis dan, dus daar staat nog een beer met gefronste wenkbrauwen naar de trapleuningen te kijken. De trapleuningen moeten tijdelijk maar worden verwijderd dan. Of toch maar pompjes met desinfectiemiddel bij de deuren van het trappenhuis.

In de kantine duiken meerdere beren op. Ze gniffelen genoeglijk. Ik denk dat ze voorpret hebben over de stoelendans die wij zullen moeten doen. Het aantal stoelen is natuurlijk beperkt tot de hoeveelheid mensen die maximaal in de kantine passen met inbegrip van die dekselse anderhalve meter. Maar de pret begint al bij de rij voor de gedesinfecteerde dienbladen. De hoeveelheid dienbladen is natuurlijk gelijk aan het aantal resterende stoelen. Er staat zich ook een beer te verkneukelen bij de kassa’s. Contactloos betalen deden we al lang, maar wij tikken zelf onze soep, kroket en saladebuffetje af op het aanraakschermpje. De vingerafdrukken van de vorige collega zie je nog duidelijk zitten (vooral bij “kroket”), dus vandaar de beer hier.

Nu heb ik natuurlijk al een paar weken kunnen oefenen met anderhalvemeterwinkelen. Dat gaat gepaard met komische, paniekerige manoeuvres en gekke schijnbewegingen. Ik liep laatst in de buurtsuper de koekjesgang uit en wilde rechtsaf, maar daar kwam net een mevrouw vandaan. Als opgeschrikt wild maakten we beiden een sprongetje en keken panisch om ons heen op zoek naar uitwijkruimte. De mevrouw van rechts dook pardoes door de rubberen flappen van het magazijn . Linksaf was voor mij vrij, dus ik schoot snel naar links. Vier meter verderop dook weer iemand op, maar ik kon gelukkig meteen doordraaien de conservengang in. Daar liep gelukkig niemand. Gelukkig had ik bij nader inzien toch een extra pot appelmoes nodig. Je ziet het, ik word hier al aardig bedreven in.

Misschienmoeheid

Buiten, in de natuur, speelt onze crisis totaal geen rol. Of misschien toch. De natuur kan veel ongestoorder z’n gang gaan nu de mensen binnen blijven. De natuur is bij mij om de hoek, dus ik breng het dan af en toe maar een bezoekje. Die natuur heeft geen weet van onze coronacrisis, en dat zou ik zelf ook best willen.

Eigenlijk wil ik over covid-19 alleen weten wat er toe doet. Ik wil alle misschiens en waarschijnlijkheden dus liever niet horen. Dat we misschien toch niet imuun kunnen worden, of waarschijnlijk toch wel als je symptomen niet te licht waren, heb ik niets aan. Dat het virus zich zo snel kan muteren dat we misschien wel nooit imuun kunnen worden, wil ik al helemaal niet horen. Ik leid aan misschienmoeheid. Doe maar mij maar zekerheden. Dat wil natuurlijk iedereen.

Nou wil ik natuurlijk ook niet per se horen dat op (bijvoorbeeld) 18 september 2031 rond theetijd covid-31 (het tot killervirus doorgemuteerde covid-19) zal uitbreken en dat deze waarschijnlijk een sterfte-ratio van 20% zal hebben. Laat doemscenario’s ook maar weg uit het nieuws. Doe mij dan maar vooral opbeurende zekerheden dan. Zo van: Het is aangetoond dat onbaatzuchtigheid je imuunsysteem tot 80% effectiever maakt in de bestrijding van net gelijk welk virus. Lang leve de naïviteit natuurlijk, maar ik ben nou eenmaal een onverbeterlijke optimist.

Slechte timing

Dat uitgerekend nu mijn land in crisis moet verkeren. Dat we uitgerekend nu elkaar op afstand moeten houden. Dat uitgerekend nu het sociale leven volledig moest worden stil gelegd. Dat ik uitgerekend deze tijd uitkies om het uitgaansleven weer te willen vieren. Dat uitgerekend nu mijn hart weer wil dansen. Dat ik uitgerekend nu lentekriebels als nooit tevoren voel. Dat ik uitgerekend nu met een tred zo licht als nooit tevoren loop. Dat ik uitgerekend deze tijd kies om weer op te bloeien. Ik isoleer mijn tochtend hart dan maar zo goed en kwaad als dat gaat, tot de crisis weer voorbij is. Mijn slechte timing is weer feilloos.

Bandenspanning

Mijn ego is eigenlijk veel te groot voor mijn auto. Ik geef dat meteen maar even toe. Mijn huidige autootje is een rationele keuze. Japanse degelijkheid. Niet kapot te krijgen. Verbruikt zowat niks. Ik rij er al 10 jaar zonder problemen mee van hot naar her. De kilometerteller toont een dikke 309000 km. Ik weet zeker dat ik er nog minstens twee keer de wereld mee rond zou kunnen rijden. Maar ook onze wegen moeten scheiden.

Dus ik heb mijn trouwe stikstofbronnetje ingeruild voor een wat jonger stuk blik van Scandinavische makelij. Een tweedehandsje die al goed is ingereden. In deze wagen zal mijn ego ook lang niet passen, maar alle bagage van mijn kinderen wel. Dat is sinds de scheiding van hun moeder en ik natuurlijk een zwaarwegende factor geweest in het besluit om mijn auto te verruilen voor een grotere.

En nu wacht ik al ruim een week met toenemende gespannenheid op het verlossende telefoontje van de garage: “Hij is klaar hoor meneer!”. Ik had aangedrongen op een grote beurt, en ik wist dat de monteur (kleine garage) op vakantie was, dus ik stelde me er al op in dat ik moest wachten. Hij zou waarschijnlijk vandaag klaar zijn, dus ik heb de hele dag naar mijn telefoon zitten turen: “Toe dan! Ga!”. Maar mijn telefoon ging niet. Uiteindelijk belde ik de garage zelf maar. Ze waren al bijna klaar, maar het wachten was nog op een apparaat dat moest worden geleend om de ABS (of zo) uit te lezen.

Dus ik word nog even in spanning gelaten. Ik verdraag het nog maar net. Over technologiefrustratie gesproken! Je zou haast gaan denken dat ik me op de nieuwe auto verheug. En dan heb je gelijk. Hoewel ik ook een beetje weemoed voel bij het “in de steek laten” van de auto die dat nog nooit bij mij heeft gedaan. Ik praat het in mijn hoofd goed door te denken dat ik mijn trouwe vierwieler rust gun. Alsof ik een emotionele band zou kunnen hebben met een stuk technologie. Sentimenteel gedoe, maar het is wel zo. Ik ben gespannen vanwege een breuk van een band (het wordt me vast nooit vergeven) en het aangaan van een nieuwe band (wat nou als het niet klikt?). Bandenspanning. Haha.

Puzols

Legpuzzels maak ik maar één keer. Daarna gaan ze in de kast om stof te verzamelen. Misschien dat ik een reeds door mij gelegde puzzel na vele jaren nog eens overweeg, maar dan blijft het bij de overweging. Het staat me altijd tegen om een legpuzzel meer dan één keer te maken. Legpuzzels maken is voor mij blijkbaar iets éénmaligs. Een in beton gegoten principe die mijn nogal definieert. Diezelfde hoekigheid laat me ook verbazen over het feit dat menigeen de dubbele ‘z’ in ‘puzzel’ weigert te erkennen. Het is puhzol en niet puuzol. Maar ach, wie ben ik om daarover te oordelen. Taal denken te kunnen beteugelen is dwaas. Zo dwaas als Don Quichot’s strijd tegen windmolens. Taal kronkelt en trekt zich weinig aan van principes en hoekige karakters.

Communicatiestoornis?

Tijdens mijn rijlessen (ergens in de oertijd) hamerde mijn instructeur erop dat je in het verkeer niet duidelijk genoeg kan zijn. De auto heeft de volgende middelen om signalen aan andere weggebruikers mee te kunnen geven: knipperlichten, toeter, remlichten, achteruitrijlicht, groot licht. En natuurlijk kan met handgebaren ook het nodige worden duidelijk gemaakt. Voor een optimale werking van de handgebaren moet eerst oogcontact worden bewerkstelligd. Dat weet iedereen. Desondanks gebaren mijn handen regelmatig grote signalen van verbijstering zonder dat ik controleer of er wel oogcontact is. Stom natuurlijk.

Mijn verbijstering betreft nogal vaak het gebrek aan knipperlichtsignaal tijdens inhaalmanoeuvres. De logica achter dit gebrek aan communicatie ontgaat me. Het begrijpen van de beweegredenen om geen richting aan te geven begint de vorm van een obsessie aan te nemen. Help me! Is het een nieuwe vorm van zogenaamde coolheid? Is het peuteren in de neus belangrijker? Is het knipperlichtpookje aan het stuur defect? Is het domweg luiheid? Of gewoon argeloosheid? Persoonlijk vermoed ik sterk dat het een hardnekkige communicatiestoornis is. Ik probeer me er maar niet aan te ergeren, maar ik voel wel steeds kramp in mijn middelvinger. Mijn rijinstructeur moest eens weten.

Penny Master

Zo ongeveer precies 25 jaar geleden richtten twee studiematen en ik, onder de vlag van de Fysisch Mathematische Faculteitsvereniging (FMF) van de RuG, een commissie op die een kleine buitenlandse excursie ging organiseren. Naar het mooie Dublin. Ik, The Penny Master, zorgde voor de benodigde pegels. Maakte de begroting. Wierf fondsen, betaalde rekeningen. Dat ging me goed af. Ik was zeker van mijn zaken. Draaide mijn hand er niet voor om.

Die studiematen en ik zijn nog immer dik bevriend. Eirebuddies for life. Mijn exlief nam trouwens ook deel aan de studiereis. In Dublin werden we smoorverliefd. Hand in hand liepen we langs de Liffy. Zoenden elkaar voor het eerst. Allemaal in Dublin. Die relatie liep op de klippen, maar dat is bekend. Ik ben al verder.

Die aardedonkere periode van mijn depressie lijkt haast wel onwerkelijk. Ik weet dat het echt is gebeurd. Nog geen twee jaar geleden. Ik was verward en dacht dat ik het leven niet meer waard was. Gelukkig was ik ook daar cynisch over. Het was ook te absurd voor woorden. Ook absurd is dat ik me in alles onzeker voelde.

Waar is die zelfverzekerde penningmeester van toen gebleven? Nou, gewoon hier. Nooit echt weg geweest eigenlijk. Alleen maar kwijt. En wat ik toen kon, kan ik nu ook weer. Dus ben ik sinds kort wederom Penny Master. Na al die jaren. Nu van een gezellige vereniging van handboogschutters. Vrienden eigenlijk. Daar doe ik het voor.