Cynisme

Taalkromming

Een hoge hotemetoot van een adviesbureau dat ik hier niet bij naam zal noemen presenteerde gisteren een verhaaltje in een online seminar. Dat laatste woord geeft trouwens telkens weer lachkriebels. Een hele nar laat me denk ik pas echt lachen, maar ter zijde. De hotemetoot sprak zakelijke taal met Brabantse tongval. Veel onnodig Engels, maar daar staan mijn tenen niet per se krom van. De hotemetoot maakte het wel erg bont. Bij ieder gebruik van “hun” als persoonlijk voornaamwoord vertrok mijn gezicht in een sterkere grimas.

Krom taalgebruik door een blijkbaar hooggeplaatste persoon krijg ik blijkbaar erg slecht door mijn beugel. Een vergissing hier en daar stap ik wel over heen, maar als iemand op zo’n positie de ene na de andere kromme taalfout produceert, lukt het mij niet meer om die persoon serieus te nemen. De man sprak over het plegen van onderhoud (dit blijkt wel goed Nederlands te zijn, dus deze taalkromming zit al veel dieper geworteld), hij hielp te helpen, hij gebruikte een tool voor verslagen te analyseren, hij vertelde wat de kandidaten waren voor een bevolkingsonderzoek, hij zag steeds risico’s op de weg, en niet één “enerzijds” werd afgesloten met een “anderzijds”.

Hij deed me door de Brabantse tongval eigenlijk al de hele tijd denken aan De Weerman van Draadstaal. Maar dat kwartje viel pas echt helemaal toen hij zelf ineens zei dat hij zichzelf net een weerman voelde zoals hij voor het grote scherm stond te gebaren. Heel aandoenlijk. Ergens halverwege zijn relaas lukte het hem zelfs om me te verbijsteren door een “ludieke” link te leggen naar “The Ministry of Funny Walks”. Heiligschennis.

Kortom, ik heb me kostelijk vermaakt, alle taalkrommingen ten spijt. Noem me een pietlut en dan geef ik je geen ongelijk. Ik ben gevoelig voor krom taalgebruik. Ongetwijfeld ben ik zelf in dat opzicht ook niet perfect, maar de voornoemde hotemetoot spant wat mij betreft met kop en schouders de kroon. Natuurlijk mag ik taal wel krommen om mijn sarcasme kracht bij te zetten.

Complottheorie…

Goed, de anderhalve meter maatregel is opgeheven. De daarvoor benodigde vaccinatiegraad is bereikt. En je QR-code is je duurzame sleutel tot een leven dat weer zoveel mogelijk voldoet aan het oude normaal. Als je niet bent gevaccineerd moet je je zien te redden met tijdelijke sleutels. Voor hen ligt er een hoge drempel naar dat oude normaal. Dat zie ik niet als discriminatie, hoewel ik wel begrijp dat het zo voelt. Ik zie het als een consequentie. Het volgt uit het beleid dat ervoor zorgt dat we uit de pandemie komen.

Wat ik wel gevaarlijk vind is dat de economische groei een beetje teveel de nadruk heeft bij de bestrijding van de pandemie. Daar komt denk ik een groot deel van het wantrouwen in de politiek uit voort. De mens staat niet centraal genoeg in Den Haag. De toeslagenaffaire is de smoking gun. Het nieuwe kabinet zou er goed aan doen de menselijke maat hoog in het vaandel te nemen.

Maar ik geloof wel in vaccinatie. Door vaccinatie hebben we andere virussen zoals polio en tetanus zeer succesvol bestreden. Een vaccinatieplicht zou ik denk ik niet achter kunnen staan. Ik hou er niet van om geen keuzes te hebben en vind het fijn dat me mijn eigen keuzewijsheid wordt gegund. Waarschijnlijk had een vaccinatieplicht in Nederland daarom tot een veel groter protest geleid. Nu wordt er ook geprotesteerd, maar dat heeft nauwelijks massa en ik denk niet dat het veel momentum zal krijgen.

En de fascinerende complottheorieën over wat de “mogendheden” via de covid-vaccinatie in ons zouden injecteren zijn ontsproten aan de zoemende breinen van ingenieuze creatievelingen. Schrijf een zoveelste episch boek over de apocalyps, zou ik hen willen zeggen. Ik voorzie een best seller. De schrijver zal alleen ondertekende exemplaren willen uitreiken aan pure, QR-codevrije, verzetsstrijders tegen de grote boze vaccinatie-wolven. Nog zo’n genie zal dat vervolgens gaan verfilmen. Ik voorspel een kaskraker en Oscar-nominaties.

Ik ben zelf een broodnuchtere, cynische creatieveling, dus als ik dat boek zou schrijven krijg je een roman waar de satire vanaf druipt. Ik zou het dan denk ik gieten in de vorm van een saga die zich afspeelt in de legendarische Disc World van Terry Prattchet. De wereld is plat, het plot is doortrokken van uit zijn verband getrokken kolder, en de personages zijn karikaturen. Verschilt dan eigenlijk maar weinig van een echte complottheorie…

Geduld

Geduld is toch maar een vreemd ding. Het verbaast me regelmatig hoe veel ik ervan heb en hoe snel het toch ineens op kan zijn. Misschien zijn er daarom wel meerdere soorten geduld. Misschien is geduld wel inherent bipolair. Er is sowieso verschil tussen mijn geduld op de lange termijn en op de korte termijn. In mijn werk moet ik het bijvoorbeeld hebben van die lange adem. Geduldig breng ik mijn consistente boodschap, wat vaak pas jaren later wordt gevolgd door de nodige verandering. Zolang ik genoeg vertrouwen heb in de uitkomst die ik graag zou zien, is mijn geduld nagenoeg oneindig. Dan kan ik gemakkelijk weken, maanden en jaren rustig wachten. Tussentijdse nervositeit heeft ook weinig nut dan. Ik blijf gewoon rustig en heb vertrouwen. In relaties doe ik dat ook, en vooral in het begin. Druk en wantrouwen werken daarin sowieso niet, en op mij werkt dat zelfs averecht.

Maar ik kan ook pijlsnel door mijn geduld heen vliegen als ik (ineens) teveel chaos om me heen heb. Hier loop ik nog wel eens tegenaan in mijn rol als vader. Mijn vier lieve kinderen zijn gelukkig graag bij me. Sinds mijn scheiding van hun moeder proberen we weer een ritme te vinden waarin ik ze vaker zie. Het basisschema is nu dat ze om het weekend bij mij zijn van vrijdagavond tot zondagavond. Dat is steeds erg gezellig, maar ook veel te snel voorbij. Maar de beweging naar een schema waarin ze evenveel bij mij als bij hun moeder – week op, week af – verloopt uiterst moeizaam. Als overgangsperiode hebben we een half jaar geoefend door de kinderen één keer per maand een volle week bij mij te laten zijn gedurende een normale werk- en schoolweek. En in zo’n week gaat het dan precies tot woensdag goed. Ongeveer vanaf dat punt bereikt mijn korte termijn geduld de kritische ondergrens. Eerst komen er kleine haarscheurtjes in mijn humeur. Ik word knorriger en knorriger. En naarmate mijn zenuwen steeds bloter komen te liggen hoeft er nog maar iets heel kleins niet te gaan zoals afgesproken en boem…

Dus dat week-op-week-af-schema komt er niet. Mijn verhuizing naar een ruimere woning met meer slaapkamers mocht niet baten. Ik heb het voor nu maar geaccepteerd. De kinderen zijn ook blij dat het voorlopig van tafel is. Nu heb ik mijn hoop gevestigd op het verlengen van mijn papaweekenden met drie dagen tot en met de woensdag. Voorlopig hebben we om ook daar aan te wennen eerst nog maar een handje vol van mijn papaweekenden verlengd. Ik vind dat prima. Ik heb immers een eindeloos geduld.

Niks

Het is niet dat er niks in mijn leven gebeurt. In tegendeel eigenlijk. Er gebeurt van alles. Ik voel me door het leven toegelachen en de wind staat voelbaar in mijn rug. Misschien gaat het gewoon te goed met me. Misschien schrijf ik daarom nagenoeg niks. Als ik ergens mee zit, dan zoek ik mijn troost in woorden. Uit zorgeloosheid haal ik blijkbaar geen inspiratie. Zorgen trekken me naar binnen en laten me worstelen met zware woorden. Zonder noemenswaardige zorgen is die lust om met woorden te strijden er dus niet. Mijn gedachten zijn een kalme oceaan. Ik dein op en neer op rustige golven. Er is werkelijk niks waar ik me zorgen over maak. Niks. Misschien zou ik me dáár zorgen over moeten maken.

Luisterstand

Mijn beroep bestaat voor het grootste deel uit luisteren. Voor een luisteraar praat ik dan wel weer vrij veel, maar dat weet ik gelukkig van mezelf. Ik probeer de nadruk te leggen op luisteren. Als ik me daar bewust toe zet, dan lukt dat. Vooraf zeg ik dan vaak: “ik ga vooral in de luisterstand”. Dus dan luister ik vooral, stel hier en daar een vraag als ik iets niet begrijp of als ik meer wil weten over iets dat anderen vertelden. Eén ding kan ik absoluut niet: vertellen en luisteren tegelijk. Eigenlijk luister ik des te beter als ik daarnaast helemaal niets anders doe. Dus ik maak ook bijna nooit aantekeningen, want dat gaat namelijk ten koste van mijn luistervermogen.

Voor mij zijn er trouwens twee vormen van luisteren: passief luisteren en actief luisteren. Als ik in de luisterstand ga, luister ik vooral actief. Passief luisteren is horen wat er om je heen wordt gezegd, buiten je actieve aandacht, maar daar wel op de één of andere manier verband mee houdt. Passief waarnemen is misschien een betere term. Misschien is het een mannending, maar ik kan dus ook slecht passief waarnemen terwijl ik actief luister. Het lukt me wel om actief vertellen te combineren met passief waarnemen. Het hangt ervan af hoeveel mensen ik om me heen heb en welke mensen zich daarvan in mijn directe blikveld bevinden, maar ik krijg veel belangrijke dingen mee terwijl ik praat. Mensen die staan te fluisteren. Mensen die glazig kijken. Mensen die “multitasken” en hun aandacht voornamelijk bij hun telefoon of laptop schijnen te hebben. Aan dat laatste maak ik me ook vaak genoeg schuldig, dus ik oordeel niet. Ik weet alleen wel dat ik zelf heel slecht kan luisteren en lezen tegelijk.

Je aandacht kan trouwens twee richtingen hebben: naar binnen en naar buiten. En beide kunnen zowel actief als passief zijn. Ik ben de laatste jaren weer meer bewust van mijn innerlijke geluid, mijn onderbuik, knagende gedachten, ergernisjes die groeien, maar ook verwonderingen die geuit willen worden. Mijn innerlijke stem laat zich beter gelden, of ik ben er beter op afgestemd, maar het zal een combinatie zijn. Mijn onderbuik heeft heel vaak gelijk. Die knagende gedachten duiden heel vaak op iets belangrijks. En die verwonderingen worden herinneringen. Dus het is belangrijk om daar ook aandacht voor te hebben.

Het is trouwens ook belangrijk om actief naar jezelf te luisteren. Dus je aandacht helemaal naar binnen te richten. Dat gebeurt vaak als ik een stuk ga lopen. Het lopen over een vaste route brengt me in zo’n reflectieve stand waarin ik actief contact krijg met mijn innerlijke stem. Die innerlijke stem heeft vaak veel te vertellen. Soms praat ik wel eens hardop terug. Bijvoorbeeld als ik vind dat ik mezelf weer loop te veroordelen, of teveel op de zaken vooruit aan het lopen ben. “Rustig nou Mark”, zeg ik dan. Waarop mijn innerlijke stem zich onmiddellijk afvraagt of ik gek geworden ben. “Loop je weer lekker in jezelf te praten, Mark?”, zeg ik zacht terwijl ik heimelijk om me heen kijk.

Het mooiste dat je kan overkomen tijdens het naar binnen keren van je aandacht, is het waarnemen van stilte. En dan bedoel ik niet dat mijn innerlijke stem stoïcijns en ijzig zwijgt (wat best gebeurt), maar dat mijn innerlijke stem stil is. Ik neem dan louter vredigheid waar. Puur geluk, zulke momenten. En er is dan ook geen innerlijk stemmetje dat zegt dat ik even een foto moet maken, want ik ga dan geheel op in het nu. Gelukkig nestelt zich de herinnering vanzelf en koppelt die aan bijvoorbeeld de overheersende geur van het moment. Wat verklaart waarom Mark er zo intens tevreden uitziet als hij vers gemalen koffiebonen ruikt.

Man wat besluitvaardig

Soms is het beter om een slecht besluit te nemen dan helemaal geen besluit. Dat zei ik gisteren tegen mijn zoon. Hij vindt het moeilijk om te besluiten over iets dat hij niet overzien kan. Dat herken ik wel. Ik denk dat voor iedereen geldt dat het gemak waarmee je een besluit neemt af hangt van hoeveel je weet over de positieve en negatieve gevolgen van dat besluit. Iedereen maakt dan een afweging: doen of niet doen. Ik kan daar zelf behoorlijk lang mee bezig zijn. Soms doe ik dat zelfs bewust, omdat de afweging ook de voorpret is van je besluit.

Soms maak ik de nadelen veel te groot. Of de voordelen te klein. Vooral de voordelen voor mij. Het voordeel dat het leuk is om jezelf iets te gunnen. Ik betrap me er namelijk vaak op dat ik mezelf dingen ronduit misgun. Dat verpak ik dan voor mezelf als “Ach, je kan het geld maar één keer uitgeven, je hebt het later misschien voor iets belangrijks nodig, dus ik wacht nog maar even”. Ik schuif het besluit dus voor me uit.

Zo schoof ik het kopen van een nieuwe kledingkast een dik jaar voor me uit. Ik propte mijn kleren in een oud, aftands en veel te klein basiskastje van spaanplaat dat ik destijds, toen ik krapper bij kas zat, van marktplaats had gevist. Ik ergerde me iedere dag aan het lelijke ding. De man in de spiegel verweet me nijdig dat ik mezelf te kort doe. Zoals altijd. Een paar weken geleden nam ik daarom het besluit om het geld dat ik bespaarde door in de vakantie thuis te blijven, te besteden aan een exorbitante garderobekast. Vandaag heb ik de oude kast uit elkaar gehaald en gratis op marktplaats aangeboden (kan nog wel een rondje mee, maar eigenlijk moet ‘ie gewoon naar de vuilstort…). En ik heb een nieuwe kast met allerlei toeters en bellen ontworpen, besteld en vandaag opgehaald. Ik moest met de bagageklep open rijden om het te vervoeren, zo exorbitant. Vanaf het moment van bestellen en betalen was er geen weg meer terug. Ik moest er anderhalve rib voor uit mijn lijf trekken, maar man wat ben ik blij dat ik het besluit heb genomen. Morgen zet ik de kast met de eerder genoemde zoon, in elkaar. Hebben we de hele middag voor uitgetrokken, en daarna halen we lekker Chinees besloot ik uit de losse pols (ik had de smaak van het besluiten te pakken).

Het nemen van een besluit kan dus voelen als een bevrijding. Het moment dat ik voorbij het punt ben dat ik niet meer op het besluit kan terug komen, kan ik ontspannen. Het definitieve van mijn besluit gaf rust en zelfs nieuwe energie. En omdat ik helemaal in “the spirit” van het besluiten zat, besloot ik ook gelijk maar om te investeren in crypto-valuta. Je weet wel, bitcoins en zo. Zat ik ook al maanden voor me uit te schuiven onder het mom van “doe niet zo mal, wat weet jij daar nou van?” Was een kwestie van inlezen, een paar autoritatieve vlogjes kijken en simpelweg de stap zetten. Just do it, man! Natuurlijk niet “all in”, maar voorzichtig, met een klein beetje geld. Lekker stoer plaatste ik een paar “limit orders” en weldra was ik de trotse bezitter van een digitaal rinkelend zakje cryptomunten. Man, man, man, wat besluitvaardig! En de waarde van die zak met cryptomunten jojoot nu als een gek op en neer (zie ik als ik voor de honderdste keer vandaag in de app kijk), passend bij mijn échte besluitvaardigheid.

Oordelen of accepteren

Niet oordelen is moeilijk, weet ik. Ik betrap me er nog vaak op. Misschien is het voor een mens gewoon ook wel onmogelijk om nooit te oordelen. Dit is hoe ik oordelen heb leren zien: je vormt een mening over hoe iemand is op basis van wat je op dat moment waarneemt. Iemand doet nu ongeduldig, dus je oordeelt dat die persoon altijd ongeduldig is. Iemand ziet er nu onverzorgd uit, dus je oordeelt dat die persoon zich altijd slecht verzorgt. Dus je verwart dan doen met zijn, of heden met altijd.

Misschien als je het gedrag bij de persoon heel vaak waarneemt en nauwgezet bijhoudt in logboekjes, zou je die persoon kunnen labelen met dat gedrag. Maar ook dan verwar je doen en zijn. Misschien kunnen we aan Google, Facebook en andere sociale platformen vragen of we hun logboekjes over ons doen en laten mogen inzien. Maar goed, het is veel werk om voor iedereen die je in je leven ontmoet bij te houden of het gedrag consistent genoeg is voor een definitief etiket.

Toch onthouden we onwillekeurig hoe mensen zich gedragen. Vertrouwen is volgens mij afhankelijk van dat geheugen. Het duurt even om iemands vertrouwen echt te winnen. Vertrouwen komt te voet. Je ziet consistent “betrouwbaar” (ook dat is een waardeoordeel waar oplichters dankbaar gebruik van maken) gedrag dat je gerust stelt. Dus deze persoon krijgt het etiket “betrouwbaar”. Dat doe je eigenlijk min of meer onbewust. Op een dag neem je bij die persoon “onbetrouwbaar” gedrag waar. Afhankelijk van je vertrouwen, krijgt de persoon nog enkele herkansingen. Maar na enkele foute gedragingen geeft het vertrouwen zijn paard de sporen en plak jij heel bewust het etiket “onbetrouwbaar” op die persoon. En kom maar weer eens van dat etiket af.

Vandaag betrapte ik mezelf op iets bijzonders in dit opzicht. Het lukt me merkwaardig goed om nagenoeg oordeelvrij te zijn over iemand waar ik al een tijdje heel nieuwsgierig naar ben. Ik zeg “nagenoeg” omdat ik merk dat ik het wel doe, maar dat ik die oordelen dan meteen ter zijde leggen kan met de gedachte: “dat ze dit nu laat blijken, betekent niet dat ze ook echt altijd zo is”. Blijkbaar kan ik wat ik nu waarneem gewoon allemaal accepteren, omdat ik me daar voor open heb gesteld. Dit staat natuurlijk wel haaks op hoe vertrouwen werkt, maar misschien betekent het dan ook dat ik haar dus onvoorwaardelijk en grenzeloos vertrouwen wil. Tja, wat zegt dit gedrag over mij? Oordeel maar.

Man wat ijdel

Qua gezichtsbeharing was ik altijd al rijkelijk bedeeld, en dat is nog steeds zo. Mijn baard zou welig tieren als ik het toe zou laten. Vroeger egaal zwart, nu met her en der zilvergrijze accenten. Ik mag er van mezelf niet over klagen. Tot een week geleden schoor ik die weelde er echter iedere week rigoureus af. Uit een oude, roestige gewoonte. Op de scheerdag zelf is dat lekker fris, maar op dag 2 laat de huid zich steevast gelden. Gekriebel, geprikkel en geschrijn, alle zachte smeermiddeltjes ten spijt. En eigenlijk vind ik dat ik verrekte goed sta in een stoppelbaard.

Dus het roer is om. De stoppels hebben gewonnen. Eerlijkheid gebiedt hier te zeggen dat de ijdelheid heeft gewonnen, maar dat geef ik hier niet openlijk toe natuurlijk. Omdat ik me hier op onbekend terrein begaf, ben ik eens gaan googlen hoe je een stoppelbaard onderhouden moet. Het leidde ertoe dat ik een baardtrimmer liet bezorgen, en dat ik een dag later een flesje baardolie bij de kassa van de plaatselijke drogist afrekende.

En zo kwam het dat ik vanochtend de stoppels die ik deze week had laten woekeren, cultiveerde met de nieuwe trimmer. Standje 4 op de kin, standje 3 op wangen en onder de kin. Met scheermesje een strakke lijn gezet langs de hals en van de bakkebaarden richting de kin. Alsof ik het al jaren zo deed. En terwijl ik dit verhaaltje tik, wrijf ik filosofisch over het strakke resultaat en geniet ik van de subtiele geur van de baardolie. Man man man wat ben je toch ijdel.

Flirtschrik

Bij verkopers is achterdocht mijn eerste reflex. Een verkoper meen ik al op een kilometer afstand te kunnen herkennen. Als ik er door eentje word benaderd sta ik meteen op scherp. Wat wil je van me?

Iets soortgelijks gebeurt er als een adembenemend mooie vrouw (modelkwaliteit zeg maar) met mij flirt. Dan is de eerste vraag die in mijn hoofd op popt: “Waarom met mij?”. Dat is nog een hardnekkig restje jeugdverlegenheid en is ook een soort achterdocht. Ik kijk nog net niet achter me om te zien of er niet toevallig een veel knappere kerel dan ik achter mij staat.

Ik sluit onmiddellijk uit dat de adembenemende schoonheid met me flirt omdat flirten leuk is en er geen bedoeling achter zit, of omdat ze mij gewoon inderdaad een knappe kerel vindt. Gevleid voel ik me natuurlijk wel, maar ik ben ook meteen op mijn hoede. De flirtschrik.

Waarom met mij? Die vraag houdt me bezig vanaf de eerste hartslag voor dat orgaan op hol slaat. De vraag die ik eigenlijk zou móeten stellen is: Waarom niet? Van schrik naar schik. Het scheelt maar één lettertje maar maakt een wereld van verschil. Vanaf de eerste hartslag ontspannen en lekker van genieten. Ouwe bofkont die je bent.

Extra suf

Extra jam

Laatst tijdens het ontbijt gebeurde het weer. Ik struikelde pardoes over een noest stukje marketing nonsense. Eigenlijk let ik bij het doen van de boodschappen niet zo op de onzinnigheid van de wervende boodschappen op verpakkingen. Het valt me meestal pas op op een moment dat ik rust in mijn kop heb. Bijvoorbeeld tijdens een kalm ontbijt op een uitgeslapen zondagochtend.

Ineens viel me dus op dat er eigenlijk klinkklare onzin stond op het dekseltje van de jam: “vers gerijpt fruit”. Het riep allerlei vragen op. Wat voegt “gerijpt” hier toe? Moet het fruit niet altijd rijp zijn voor je ’t verwerkt tot jam? En de toevoeging “vers” heeft betrekking op “gerijpt fruit”, dus rijst bij mij de vraag of er ook onvers gerijpt fruit bestaat. Onvers, maar toch gerijpt. Onzin, dus “vers gerijpt fruit” ook.

Bovenop het deksel staat verder ook nog dat er extra jam in zit. Er staat niet bij hoeveel er normaal gesproken in zou hebben gezeten. De gemiddeld suffe consument gaat geen uitgebreide vergelijking maken met potten jam van andere merken. Die consument stoort zich niet aan de leugen die het woordje “extra” eigenlijk is. Als klap op de vuurpijl is de jam bovendien “vol van smaak”. Die toevoeging dient om de extra suffe consument over de streep te trekken: “Hoezo “extra”? Hoeveel zit er in die andere…O wacht eens even, er staat ‘vol van smaak’, in de kar ermee!” En zo belandde het op mijn keukentafel.