ergernissen

Echtscheidingsmarkt

Het lijkt wel of er steeds meer reclame is voor echtscheidingsbemiddeling. In tijdschriften, op TV, in de krant, levensgroot op borden langs de snelweg. Nogal confronterend vond ik ze. Ik betrapte me er in de laatste jaren steeds vaker op dat ik me ongemakkelijk voelde bij die reclames. Ik ergerde me er steeds meer aan hoe schaamteloos al die mediators hun diensten aan de man (ongeëmancipeerde woordkeuze, weet ik) aan het brengen waren. Het scheelt er nog maar aan of je krijgt als vaste klant korting op volgende scheidingen. Ik dacht dat ik me stoorde aan de schaamteloosheid. Inwendig verweet ik ze dat ze uit waren op het breken van relaties. Van mijn relatie. Ze zouden met hun schaamteloze geleur met hun diensten de ontevreden wederhelften maar op idiote ideeën brengen. Maar ik weet nu beter. Ze vormden voor mij een voorbode van iets onvermijdelijk. Mijn huwelijk ging recht op de klippen af. Nogal onverbiddelijk ook. Was ik echt machteloos? In ieder geval raakte ik steeds meer in mezelf verstrikt. Nu ik weer uit de knoop ben zie ik mijn waarheid. Mijn ergernis, nee schaamte voor die reclames voor echtscheidingsbemiddeling kwamen voort uit mijn schaamte voor mijn eigen relatieproblemen. Die schaamte ben ik nu wel aardig overheen. Scheiden is blijkbaar doodnormaal. Alledaagse praktijk. Laat die scheidingsbemiddelaars er maar fijn garen bij spinnen. Hun aanbod bestaat bij de gratie van de vraag, en niet andersom.

Advertenties

Mijn woorden

Alles wat ik hier verwoord, en ook de manier waarop, doe ik vanuit een gevoel. Ik verwoord wat ik voel bij iets dat me overkomt, raakt, verbaast of verwondert. Dat doe ik vooral voor mezelf. Ik pel mijn gevoel bij iets dan af tot op de naakte essentie. Dat probeer ik dan te vatten in passende, zuivere woorden. Precies de juiste woorden op de juiste plek. Woorden met de juiste klank, kleur, lading en vorm. En om mijn woorden tot hun recht te laten komen, moeten punten en komma’s op precies de juiste plek staan. Het steekt vreselijk nauw. Soms is het een ware lijdensweg. Het gaat me erom dat ik het allemaal in mijn woorden vat. Woorden die mijn gevoel precies goed verwoorden. Zodat ik dat gevoel kan begrijpen en accepteren. Dat is dan ook weer helder.

Stug doorhollen

Ongeveer anderhalf jaar geleden pakte ik het hardlopen op. Weer op, want jaren geleden deed ik ook al eens een verwoede poging tot hardlopen. Dat zal ergens in het jaar 2003 geweest zijn. Wij woonden toen nog in Baltimore. In een appartement bovenaan een heuvel. Ik rende dan eerst over de stoep langs de weg naar beneden. En daarna weer terug omhoog. Na een tijdje begonnen mijn knieën te klagen. Zware slijtage aan het kraakbeen. Van de huisarts mocht ik niet meer hardlopen en ik moest magnesium slikken. Daar zou het kraakbeen weer van kunnen aangroeien.

Met de knietjes kwam het best wel weer goed. Een jaar of wat terug verdraaide ik er eentje en beschadigde mijn meniscus. Er kwam een MRI-scan aan te pas om het minuscule scheurtje daadwerkelijk vast te stellen. Ik had er desalniettemin last van. Met fysiotherapie en krachttraining kwam ook dat weer goed. Geen klachten meer qua knieën. Toen had ik ook al het idee opgevat om weer te gaan hardlopen, maar de fysiotherapeut vond dat niet verstandig. Ik besloot het advies nog maar even niet in de wind te slaan. Braaf liet ik me daarom maar wekelijks afmatten in een HIT-klasje (high intensity training) bij de sportschool. Sindsdien maken de woorden burpie, steplunge en squat deel uit van mijn toch al aanzienlijk vocabulaire.

Maar anderhalf jaar terug ben ik dus tóch, tegen beter weten in, gaan hardlopen. Op advies van een GGZ-verpleegkundige die er in mijn depressieve periode op toe zag dat ik mijn pilletjes nam. Dat is goed voor je geluksgevoel, had ze gezegd. Runner’s High, noemen ze het. Dus ik kocht een paar goeie gympies en ik begon weer met hardlopen. Het werkte geweldig. Mijn volle verwarde hoofd was na een uurtje sjokken lekker opgeruimd en ik voelde me erg tevreden over mezelf. Hardlopen bleek uitermate gezond voor mijn geest te zijn.

Maar helaas is hardlopen slecht voor de gezondheid van mijn spieren en pezen. Om de haverklap scheurt of verrekt er wel iets in mijn benen. Dan weer een achillespees, dan weer een kuitspier, dan weer een hamstring, en zo voort. Iedere keer moet ik dan weer een pauze inlassen van een week of 6 en kan ik weer opnieuw beginnen met een basisloopschema. De afgelopen 8 weken ging het heel goed. De compressiekousen bleken wonderbaarlijk goed te werken. Ik begon al voorzichtig te fantaseren over 10 kilometer aan één stuk hardlopen. Ik was fanatiek bezig om mijn tempo onder de 6 en een halve minuut per kilometer te krijgen. Van sjokken naar rennen. Ik werd weer te fanatiek, en je voelt hem al aankomen: whiplash in rechterkuit. Auw. Zielig. Been omhoog. Icepack eronder. Kak! Maar over een week of wat ga ik toch weer beginnen. Stug doorhollen. Mijn levensmotto.

Last minute vlucht

Op de dag voor oudjaarsdag boekte ik, last minute, een overnachting in een hotelletje ergens in Duitsland. Haus am See, heette het hotel. Op oudjaarsdag, rond een uur of 2 ’s middags, vertrok ik. Ik hoefde niet ver, en dat wou ik ook niet. Na een uurtje kwam ik al aan bij het hotel. Het lag inderdaad direct “am See”.

Ik weet eigenlijk niet zo goed wat me ertoe bewoog om dit te doen. Dat klopt niet helemaal. Een deel van mijn beweegredenen weet ik prima. Ik wou er gewoon even tussen uit. Ik liep al sinds november met het idee om rond de jaarwisseling niet thuis te zijn. Maar dat was eigenlijk ook meteen het voornaamste: niet thuis hoeven te zijn.

En ik wilde alleen zijn. Niemand om me heen. Geen vrolijk en gezellig uiteinde met familie en/of vrienden. Ze wisten al een tijdje dat ik al “plannen had” met oud en nieuw. Dat had ik al laten doorschemeren. Op het allerlaatste moment heb ik nog even getwijfeld, maar thuis blijven was geen optie.

Zo kwam het dat ik op oudjaarsdag, rond het einde van de middag einsam rond kuierde in en in de omgeving van het oude Hanzestadje Haselünne. Het was er erg rustig. Alle winkels waren gesloten, en de meeste restaurants ook. Tegen vijven liep ik het enige restaurantje in dat wel open was, en vroeg om een tafeltje voor één persoon. Leider waren alle tafels gereserveerd, maar ik mocht wel bij een klein tafeltje bij de ingang zitten.

Daar maakte ik dankbaar gebruik van. Ik bestelde een biertje en een pizza. Niks mis mee. De binnendruppelende gasten die hadden gereserveerd groetten mij vriendelijk en wensten me Guten Apetit. Dat kon ook niet anders, want ik zat direct bij de ingang. Al snel zat het hele restaurant vol en keek ik tijdens het eten om me heen. Allemaal mensen die het gezellig hadden met elkaar.

Toen ik de espresso op had, rekende ik af en zwierf wat door de straatjes van het stadje. Ik bedacht dat ik hier zonder mijn opwelling waarschijnlijk nooit naartoe was gegaan. Dat ik hier liep was louter toeval. Het begon een beetje te regenen, dus ik liep terug naar het hotel. In mijn kamer doodde ik de tijd met lezen en televisie kijken.

Toen het tegen twaalven liep, ging ik weer naar buiten en liep als een dief in de nacht naar een bruggetje over de Hase. Daar had ik ’s middags ook gestaan en bedacht dat ik hier mooi naar het vuurwerk kon kijken. En daar had ik gelijk in. Toen de vuurpijlen zo langzaamaan op begonnen te raken liep ik terug naar mijn hotelkamer. Halverwege moest ik plotseling lachen om mezelf. “Du bist mir einer!”, riep ik lachend. Kein Hund die me kon horen, dus…

Na een vlug ontbijtje met slappe koffie, maar verse warme Brötchen reed ik naar Sögel om daar door de tuinen van Schloss Clemenswerth te wandelen. Het kasteel zelf was natuurlijk gesloten, maar dat wist ik. Het lag er verlaten bij. In de tuinen speurde ik naar verborgen schatten (geocaches) en vond ze. Terwijl ik naar de auto terug liep klonk de bel van de kapel. Mijn auto was nu vergezeld door veel grotere Duitse vehikels waaruit bedaarde zwart geklede mensen stapten.

Mijn kleine reisje zette zich voort richting het gat “Drögen”. Ik navigeerde namelijk naar de coördinaten van een andere een schat op mijn schatkaart. Op de plek waar ik uit kwam werd ik op slag verliefd. Ik sta op een voetgangersbrug over de Hase die zich hier dramatisch door het landschap slingert. De zon wist op dat moment door het grijze wolkendek te breken en ik hoorde mezelf wederom hardop lachen. Geluksvogel die ik ben.

En dan rij ik maar weer eens rustig naar mijn kleine appartementje in Nederland terug. Als ik weer thuis ben, voel ik me voldaan. Mijn gevoel past weer tussen mijn muren. Dat was denk ik het hele eiereten. Mijn gevoel had ruimte nodig. Dus moest ik de boel even ontvluchten, zodat mijn gevoel kon luchten. En dat is prima gelukt.

Gelukkig nieuwjaar lieve lezers. Hou van jezelf en pluk het geluk. Je vind het in het nu.


dat wel

Het had eigenlijk de hele vakantie geregend. Het aantal uren dat we de zon zagen konden we op één hand tellen. We weten nu zeker dat de tent waterdicht is, dat wel.

Door de schuifpui te forceren wisten de inbrekers binnen te komen. Ze roofden zowat de halve woonkamer leeg. Het was een ravage. Zelfs het vloerkleed was weg. Waarschijnlijk om de flatscreen TV in mee te nemen, zei de politieagent. Ze sprongen dus voorzichtig met de gestolen spullen om, dat wel.

De bliksem sloeg in de boom in de tuin van de buren en viel daardoor precies op de net opgeleverde nieuwe uitbouw van onze woonkamer. Die boom zou volgende week worden gekapt om meer licht in de tuin te krijgen. Die klus konden we ons dus besparen, dat wel.

Wij Nederlanders kunnen toch altijd weer rekenen op ons ingebouwde cynisme op de momenten dat we wel een lichtpuntje kunnen gebruiken, dat wel.

Blijkbaar schijn ik

Als iemand een zin met “blijkbaar” of “klaarblijkelijk” begint, schuilt achter die zin  een oordeel. Zo voel ik het in ieder geval. Blijkbaar ben ik daar extra gevoelig voor. Klaarblijkelijk is dit het lot van taalpietlutten zoals ik. Met “blijk” en “schijn” kan iemand mijn gevoelige snaren bespelen. Dat is mijn juk. “Blijkbaar schijn jij te denken dat…”. Afhankelijk van mijn gemoedstoestand filter ik alles wat na “jij” komt eruit. Want daarop volgt een prikkelend oordeel. Ik hoor dan dus alleen nog dat ik blijkbaar schijn. Dat heb ik schijnbaar nodig.

Parfumhinder

Op het moment dat ik dit schrijf zit ik in iemands parfumwolk. Een zoete, zware after shave, zo te ruiken. Het bezorgt me koppijn. Kloppende slapen. En mijn smaakpapillen worden door mijn bedwelmde hersenen niet meer begrepen. Mijn koffie smaakt niet naar koffie, maar ik drink het toch maar op.

Ik voel het parfum om me heen hangen. Het is een ware invasie. Een geurinvasie die diep in mijn wezen door dringt. De zoete, bedwelmde wolk die nu om me heen hangt, maakt dat ik me slecht kan concentreren. Zenuwgas is er niks bij. En ik zit helemaal aan de andere kant van de kantoorvleugel. Alles in me roept om alle ramen open te zetten, maar een sociale remming houdt me tegen. Eigenlijk zou ik de drager van het parfum erop moeten aanspreken dat de zwaarte van zijn parfum voor mij zeer hinderlijk is, maar mijn geïrriteerde hoofd kan even geen tact opbrengen.

Er zou een wettelijke grens voor geurhinder moeten zijn. Net als bij geluid. Geur kun je uitdrukken in geureenheden. In Europa gebruiken we de OUE (Odor Unit Europe). Eén OUE/m3 is – als ik het goed begrijp – de hoeveelheid geurstoffen in een wolkje van één kubieke meter die in een gecontroleerde omgeving dezelfde psychologische reactie veroorzaakt bij mensen als bij de blootstelling aan dezelfde concentratie van een standaard referentiegeur. Dat is allemaal dus al bedacht. Mooi.

Dus parfumhinder is al meetbaar. Nu wil ik een gadget. Een slim apparaatje dat mij beschermt tegen geurinvasies. Een minuscuul apparaatje dat ik onzichtbaar in mijn neus kan dragen. Voor geluid heb je tegenwoordig geavanceerde “noice cancelling” met antigeluid. Dat wil ik ook voor geur: antigeur. Mijn gadget meet de hoeveelheden OUE/m3 en heeft dus ook geavanceerde “odour cancelling”. Met een appje op mijn telefoon kan ik het dingetje instellen zodat ik nog wel van de geur van mijn koffie kan genieten. Willie Wortel, aan de slag!

Maar alles goed en wel. Zo’n apparaatje bestaat nog niet. Mijn geprikkelde hoofd wil eigenlijk dat overmatig parfumgebruik als overlast wordt erkend. Rokers zijn al te schande gemaakt vanwege hun effect op de volksgezondheid, nu de chemische luchtverontreinigers nog met hun asociale parfums. Kantoorgebouwen en openbare gebouwen zouden mensen die de wettelijke geurlimiet overschrijden bij de ingang moeten tegenhouden, en via een speciale tunnel waarin ze worden bespoten met een parfum-neutraliserend gas, naar binnen leiden. Cynisme in overdrive natuurlijk. Van nature ben ik cynisch, maar het is vertienvoudigd door die zware after shave. Ik ga maar eens een frisse neus halen.

De Wereldverbeteraar

Hij ziet het allemaal met argusogen aan. De wereldverbeteraar. Hij doet zijn best, maar op de achtergrond. Hij is een onzichtbare held. Op geitenwollen fairtrade sokken. Met kleine daden zorgt hij dat de wereld zich weer een beetje beter voelt. Al was het maar voor zijn eigen gemoedsrust. De wereldverbeteraar ligt namelijk voor ons allemaal wakker. Van alle problemen. Van alle ellende. En hij weet best dat hij de hele wereld niet in zijn eentje kan verbeteren. En hij weet ook best dat hij niet in zijn eentje verantwoordelijk is voor onze puinhopen. Maar hij ligt er wakker van. Hij kan er niets aan doen. De wereld is hem te lief. Hij is weerloos voor haar schoonheid. Haar leed kan hij niet verkroppen. Dus doet hij wat hij kan. Het is misschien niet veel, maar hij voelt zich er goed bij. De wereldverbeteraar offert zich met liefde op voor de bomen, de bijen, de neushoorns, de zeeschildpadden, de koraalriffen, de oerwouden en het hele klimaat. En natuurlijk voor de de cacaoboeren, bananentelers en katoenkwekers die allemaal niet krijgen wat ze verdienen. Het zet geen zoden aan de dijk, maar hij moet het doen. Ook al weet hij soms niet zeker of het echt goed is wat hij doet. Helpt het om minder rundvlees te eten? Helpt het om in principe alleen regionaal geteelde fruit en groenten van het seizoen te eten? Helpt het om bij voorkeur fair trade producten te consumeren? Helpt het om plastic afval te scheiden? Helpt het om te geven aan al die collectanten? Hij weet het allemaal niet, maar hij doet alles maar. Onverzettelijk. Hij doet verwoede pogingen. Vanuit een verbeten overtuiging. Die betere wereld begint bij hem, daar is hij heilig van overtuigd.

Afspraak

Vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Een waarheid als een koe wat mij betreft. Het vertrouwen in een ander bouw je langzaam op doordat je ziet dat deze je vertrouwen verdient. Door aandacht voor dingen die voor jou belangrijk zijn. Doordat aan jouw verwachtingen wordt voldaan. Doordat afspraken met jou worden nagekomen. Doordat er met jou wordt overlegd als afspraken niet kunnen worden nagekomen. En doordat de ander met een oplossing komt voor het niet kunnen nakomen van een afspraak.

Afspraak, afspraak, afspraak. Een woord dat in mijn hoofd een negatieve lading heeft gekregen. Begrijp me niet verkeerd, ik vind afspraken heel belangrijk. Alleen als je ervoor kiest om volledig geïsoleerd te leven zonder enig contact met anderen kun je misschien zonder afspraken. Mensen die met elkaar samenwerken, maken afspraken met elkaar. Die maak je bewust en expliciet. Als je een afspraak maakt met een ander, dan zeg je de ander iets toe. Daar is helemaal niets mis mee natuurlijk, en het is ook heel begrijpelijk dat het niet nakomen van een afspraak tot teleurstelling leidt. Temeer als er geen acceptabele verklaring voor komt. Bij stelselmatige herhaling slaat de teleurstelling om in frustratie en ergernis, en voor je het weet geeft vertrouwen het paard de sporen.

Tot zover is dit voor mij allemaal volkomen logisch. Bij mijn weten ben ik dan ook een integere persoon die zijn afspraken zo goed mogelijk na probeert te komen. En mocht de situatie zich voordoen dat dat van mijn kant niet gaat lukken, dan probeer ik met een oplossing te komen. Ik heb daarbij wel de sterke neiging om me tot het laatst toe vast te bijten in de afspraak. Op een te laat moment vlieg ik dan wel eens wat uit de bocht. Wat beslist beter kan is dat ik eerder aan de bel trek als het mis dreigt te gaan. Ik denk zelf dat dit komt doordat ik de ander (en vooral mijn “significante ander”) niet (alweer) teleur wil stellen. Dan worstel ik liever nog even verder en ga ik de confrontatie nog even uit de weg. Daarmee drijf ik de dingen wel eens op de spits. Dit is voor beide partijen niet goed. Ik beschadig het vertrouwen van de ander in mij, en daarbij ook het vertrouwen in mezelf.

Dit wetende heb ik toch met verbijstering het paard van vertrouwen bij me vandaan zien galopperen. Het wrange daarbij is dat ik vind dat ik altijd heel erg mijn best heb gedaan. De laatste tijd doe ik extra mijn best door me letterlijk en exact aan gemaakte afspraken te houden. Afspraken waar ik een bewuste toezegging voor heb gedaan. Ik controleer tegenwoordig ook voor de zekerheid of de ander iets als afspraak ziet terwijl dat voor mij nog “in het midden hangt”. Dat heb ik niet altijd door maar ik probeer het patroon dat daartoe leidt in de gaten te houden. Het gebeurt vaak dat ik de beleving heb van een nog niet vastomlijnd idee terwijl de ander dat idee al ziet als een afspraak.

Het patroon is als volgt: Ik word gevraagd naar mijn mening over een idee, en ik zeg dat ik het een goed idee vind. De ander vraagt nog even door of ik eventueel tijd zou hebben om met dat idee mee te helpen, en ik geef aan dat ik daar wel tijd voor heb. Dan heb ik in mijn beleving nog niets toegezegd. Om er een afspraak van te maken heb ik nog de expliciete stap nodig waarbij we echt afspreken welk aandeel ik heb in de totstandkoming van het idee, en dat we echt de tijdslijnen met elkaar afspreken hierover. Dat is toch normaal, of ben ik nou gek? Ik merk namelijk dat langzamerhand mijn vertrouwen in dit principe begint af te brokkelen.