Filosofie

De Zen van het scheren

Vanochtend keek een man met een woeste en verwilderde kop mij vanuit de badkamerspiegel aan. Hij had een stoppelbaard van minstens 8 dagen en een wild woekerende bos met grijze haren. Eerst maar eens wat aan die baard doen, dacht ik. Dus ik vulde de wasbak met loeiheet water. Met een dampende washand temde ik de stoppels zodat ze minder weerstand zouden bieden aan het scheermes. Met de kwast draaide ik een portie stevig schuim en bracht dat aan op de baard.

Onlangs zag ik op televisie een keer dat ik dat al die jaren op de verkeerde manier deed. Sindsdien doe ik het zoals die tv-barbier het voordeed. Je moet het schuim met ronddraaiende bewegingen in je baard masseren. En als je het gebied rond je mond inschuimt moet je je lippen even naar binnen zuigen. Een prettige toevoeging aan het scheerritueel.

Het is dus eigenlijk vooral een kwestie van (nog) meer aandacht. Het scheren is daarna echt prettiger. Ik heb een vaste route over mijn gezicht, en de stoppels laten zich gewillig door het scheermes meenemen. Op dit moment zweer ik het bij zo’n 5-bladig geval van het merk met die zwaarden. Ondanks de belofte van de reklame moet ik wel vaker over hetzelfde stukje om een glad resultaat te behalen.

Als met zoveel dingen heb ik eigenlijk nooit zin om me te scheren (vandaar een baard van 8 dagen), maar als ik eenmaal bezig ben dan vind ik het een heerlijk werkje. Aandacht voor mezelf. Zolang ik maar de tijd heb om dat rustig te kunnen doen. Als ik me haastig scheer is het resultaat daar ook naar: overal gemiste stoppels en een geteisterde, vlekkige huid. Maar als ik de tijd neem en met aandacht scheer dan krijg ik een strakke, baby-zachte smoel. Aandacht is de essentie. Het ritueel van je uiterlijke verzorging is eigenlijk innerlijke verzorging. De Zen van het scheren.

Toeverlaat

Vandaag klampte hij me ineens aan. Een oude vriend. Want dat is hij eigenlijk. Hij is zwaar op de hand, maar dat hoort bij hem. Ons contact is altijd intens. Als geen ander is hij in staat om me te herinneren aan mijn kwetsbaarheid. Hij is mijn duistere kant. Hij is mijn angst en mijn haat. Hij is puur en oprecht. Nooit zal hij tegen mij liegen. Daartoe is hij eenvoudig niet in staat. Daarom vertrouw ik hem blindelings. In mijn meest angstige en eenzame momenten is juist hij me tot steun. Mijn toeverlaat voor mijn diepste gedachten. Hij waakt over me. Houdt me in evenwicht. Samen doorstonden we orkanen. Hij zorgde dat we in het hart ervan bleven. In de serene kalmte van de kern. Tot de storm voorbij was.

Verdwazing

Verbazing leidt er bij mij dikwijls toe dat ik het hier uit. Ik verbaas me dagelijks, en dat is natuurlijk goed. Maar er is blijkbaar een grens aan je capaciteit voor het verwerken en te boven komen van verbazing.

Op gegeven moment kan je de overvloed aan verbazingwekkende prikkels niet meer aan en gaat je kop over in een stand van verdwazing. Je wordt er volledig door uit het lood geslagen. Totale versuffing. De weg is kwijt. De wereld stort in. In een soort mentale implosie wordt je in één klap frontaal met de kern van je wezen geconfronteerd.

Ik herken deze momenten intussen als situaties waarin je ziel met volle gewicht aan de noodrem hangt. Crisis. Alles moet dan even helemaal stoppen. Alles.

Het is dan tijd, nee bittere noodzaak, om even heel rustig en precies al je gedachten te sorteren. Welke zijn te groot en welke te klein. Welke zijn onzin en welke zijn waar. Je brengt het allemaal weer in normale proporties. Tot de orde in je kop zich herstelt. Tot de mist in je hoofd weer optrekt. Tot je weer je scherpte terug hebt. Tot je weer voldoende bent ontdwaasd om je verbazende werkelijkheid weer aan te kunnen.

Pas dan kom je weer in beweging en hervat je jouw koers. Niet die van een ander, maar die van jou zelf.

Slepen

Mijn leven is natuurlijk helemaal niet zo zwaar als hij voelt. Al relativerende maak ik mijn leven maar zo draaglijk mogelijk. Maar toch voelt het alsof ik me niet voort beweeg, maar sleep.

Ik probeer me uit alle macht los te trekken, maar ik lijk maar niet los te kunnen komen. Ik wijt het aan mijn twijfelachtige besluitvaardigheid. De door te hakken knopen zijn gewoon te levensgroot. En misschien is mijn bijl te bot. Verbeten hou ik hem in mijn vuist geklemd. Als ik hem naast me neer leg, pak ik hem misschien wel nooit meer op.

Vorige week heb ik er een helse knoop mee doorkliefd. Dat had maanden geleden al moeten gebeuren, maar het ontbrak me aan overzicht en daardoor aan moed. De maat was meer dan vol, dus de knoop móest eraan geloven.

Nu heb ik eieren voor mijn geld, maar ik kom niet op mijn besluit terug. A is gezegd. Nu komt B. Het voelt goed om de stap te hebben gezet. Ik richt me op de voorwaartse beweging. Ik richt me op mijn horizon. Stug door blijven slepen.

Mijn 2020

Het jaar waarin…
ik een extra geluksdag heb
ik nóg vaker in de roos schiet
ik huppel in mijn wijdse weide
ik nóg vrijer fluiten zal
ik de horizon weer tegemoet fiets
ik weer een tintje dieper vergrijs
ik precies een halve eeuw vol maak
ik me de koning nóg te rijker ga voelen
ik steviger sta dan ooit
ik mijn schatten nóg liever heb
ik met nóg vollere teugen geniet
ik nóg meer verstil en luister
ik weer meer verschil voel
ik zelfs jou niet veroordeel
ik nóg krachtiger vooruit beweeg
ik mijn horizon verder verbreed
ik niets verwacht en alles accepteer
ik mag barsten van onbescheidenheid



Eerst vader

Sinds ik gescheiden ben en mijn kinderen, wanneer ze bij mij zijn, zelf moet opvoeden, denk ik veel meer na over hoe ik vader wil zijn. Moet zijn. Op dit moment weet ik eigenlijk vooral hoe ik mijn rol als vader niet wil invullen. Ik mag een heleboel dingen niet zijn van mezelf als het aankomt op vaderschap. En ik hanteer meestal de ik-zie-wel-methode. In mijn eigendunk kent mijn vindingrijkheid namelijk geen grenzen. Ik vind altijd een oplossing. Dat is mooi papa, maar wij willen duidelijkheid en structuur. Wij willen een plan!

Die ik-zie-wel-mentaliteit komt misschien wel voort uit mijn hang naar vrijblijvendheid. Ik hou eigenlijk niet van vastomlijnde plannen. Die voelen verstikkend. Afspraken ook. Maar vaderschap is niet vrijblijvend. Vaderschap houdt een grote verantwoordelijkheid in. Dat besef is levensgroot. Het belang van mijn kinderen zou natuurlijk moeten prevaleren over mijn eigen belang. Ik ben eerst vader. Niet altijd makkelijk, maar wel glashelder.

Eerst vader. Dat is de fundering waarop ik een solide stuk vaderschap wil zetten. Dat is allemaal leuk en aardig, maar dan moet er wel een stip op de horizon komen. Dan krijgt het vaderschap pas richting. Dat mooie advies kreeg ik onlangs van iemand die daar verstand van heeft. Wat vind ik dan belangrijk om te bereiken met mijn vaderschap? Niet voor mij, maar voor mijn kinderen. Ik vind dat best lastig. Verder dan “nou, gewoon, alles wat nodig is” kom ik niet. Minimaal dat mogen de kinderen toch van me verwachten?

Eerst vader. Die kun je ook anders opvatten. Vader eerst. Die kant lijkt me toch ook best belangrijk. Ik mag mezelf niet verliezen. Niet weer. Dus ik moet balanceren tussen “nu ik” en “eerst vader”. Soms vader eerst zodat hij zo veel mogelijk eerst vader kan zijn.

Algoritmen

Stukjes code die helemaal vanzelf keuzes maken voor mij. Zoals de super hete pizza die voor me wordt gebakken omdat het algoritme registreerde dat mijn blik wel 0.374 seconden op die smakelijke groene jalapeño op de foto boven de balie bleef hangen. Zoals de route van A naar B omdat ik maar zou verdwalen en bovendien niet in files wil staan, maar eigenlijk worden we met z’n allen als kuddedieren zo over de wegen geleid dat de files korter zijn en sneller oplossen. Of het nieuws dat mij zou moeten interesseren op basis van een persoonlijk profiel dat is bepaald door volautomatische verzameling van data over mijn gedragingen.

Algoritmen combineren mijn data met de data van anderen. Algoritmen delen ons op in categorieën. Digitale schaapskuddes. Algoritmen voorspellen met die data wat we nodig hebben, en matchen onze behoeften aan de ideale keuze uit het enorme aanbod. Het aanbod is zo groot dat we niet eens meer zelf kúnnen kiezen. Veel te veel gedoe. Boeken, muziek, gadgets, verzekeringen, reizen, restaurants, woonruimte, medische zorg, en ook liefde. Niets is blijkbaar taboe. Algoritmen die (tegen betaling) de beste keuzes voor een nieuwe partner voor je berekenen. Ik vind het nogal wat. Als gediplomeerd infoloog weet ik hoe je algoritmen maakt en hoe ze werken. Maar toch vind ik het nogal wat. Die beroepskeuze maakte ik destijds trouwens helemaal zelf. Nooit spijt van gehad. Straks wordt je ideale studiekeuze natuurlijk al voor je berekend door een algoritme. Dat is al geen taboe meer.

Het duurt vast ook niet lang of algoritmen weten precies wanneer je dood gaat. Sterker nog, dit weten ze beslist al, op de dag nauwkeurig, maar ze hebben zich nog niet uit de taboesfeer gewurmd. Op een dag in de nabije toekomst krijgen zij die al digitaal ten dode zijn opgeschreven schaamteloze advertenties voor praktische en passende uitvaarten die precies bij ons passen (duurzaam de pijp uit knetteren kan dan ook). Je keuze voor het verzorgingstehuis is dan natuurlijk dan ook al door een algoritme gemaakt. Het vriendelijke algoritme dat het beste met je voor heeft. In al zijn goedheid heeft het ook alvast de ideale uitvaart voor je uitgezocht. Je hoeft het allemaal alleen nog maar in je winkelwagentje te slepen.

Sta los

Boos zijn is niet moeilijk. Boosheid uiten is veel moeilijker, vind ik. Ik stop het meestal maar weg. Niet goed. Weet ik. Ik kan bijvoorbeeld erg boos worden van onredelijkheid. Daar ben ik beslist niet de enige in. En ik kan ziedend worden als iemand mijn grenzen niet respecteert. Dan moet je ze wel duidelijk aangeven, die grenzen. Vandaag zei iemand tegen me dat je best boos mag zijn als iemand over je grenzen gaat. Maar je hoeft dan niet per se enorm fel van je af te bijten, ga maar simpelweg staan voor de overschreden grens. Wees maar duidelijk dat de ander de grens dient te respecteren.

Een tijd geleden kreeg ik ook het advies om “het zacht te houden”. Maar te zacht is dus niet goed. Dan laat je toe dat iemand over je grenzen gaat. Stelselmatig. Moet ik dan toch meer verharden? Vroeg ik. “Nee”, luidde het antwoord, “Sta stevig, maar los genoeg om ook mee te kunnen bewegen”. Het deed me denken aan de yogalessen die ik jaren geleden volgde. Ik ben de naam ervan vergeten, maar er is een yoga term voor een houding die ontspanning en stabiliteit combineert. Losheid en kracht. Als je los staat kan iemand je minder makkelijk omver duwen. De aikido-meester van mijn zoontje zegt het ook steeds: Sta los. Dan sta je steviger.

Vooruit!

Als je iemand verliest dan hoor je altijd dat je het leven weer op moet pakken. Vooruit! Je moet weer verder gaan met je leven, ondanks het verlies. Er zijn twee soorten verlies. Bij de ene is de verlorene dood, en bij de andere niet. In beide gevallen raak je ook een deel van jezelf kwijt. Een groot deel. Er blijft een uitgeholde versie van jezelf over. Zo voelt het. Misschien blijft het altijd wel zo voelen. Een deel van me klampt zich zelfs vast aan dat gevoel. De holte heeft de vertrouwde vorm van degene die je bent verloren. In de holte weerklinken de echo’s van een verleden dat ik maar niet kan loslaten.

Vooruit, pak het leven weer op, luidt het devies. En dat probeer ik ook. Uit alle macht eigenlijk. Maar het uitgeholde gevoel blijft. Misschien heb ik gewoon meer tijd nodig om van het verleden los te komen. Helemaal los kom ik natuurlijk nooit. En dat is normaal. Het verleden blijft namelijk altijd deel uitmaken van je leven, van je identiteit. Het heeft je gevormd, hoe je het ook wendt of keert. Je van je verleden afkeren, is je van jezelf afkeren.

Ik moet me alleen los maken van degene die ik verloren heb. Soms heb ik wel eens de macabere gedachte dat verlies door sterfte gemakkelijker is. De dood is onomkeerbaar, en smoort onverbiddelijk en acuut alle hoop op hereniging. Een tsunami van verdriet holt je in één klap uit.

Het rouwproces bij een scheiding is totaal anders. De hoop op hereniging stierf in mijn geval een langzame en pijnlijke dood. De uitholling gebeurde in golven. In het begin beukten grote golven op me in. Grote stukken van mezelf brokkelden af en verdwenen in de zee. Maar naar mate de storm in kracht afnam, werden de golven steeds kleiner. De zee is nu kalm en de storm teistert me niet langer. In mijn rug voel ik een frisse wind. Ik verbeeld me dat het me iets duidelijk wil maken: Vooruit! Leef! Nu!

Leegte

Met de televisie aan voelt het minder leeg in mijn huis. Ik gebruik de televisie, en ook de radio om de leegte die ik voel op te vullen. Maar de leegte laat zich er maar tijdelijk door vullen. Als ik de televisie uit zet, lijkt de leegte haast wel te zijn vergroot. Komt misschien wel door het gebrek aan inhoud van hetgeen erop de televisie te zien was. Natuurlijk bedien ik de televisie zelf. Ik kies er vrijwillig voor om de inhoudsloze programma’s en series aan te zien. Onderuitgezakt op de bank.

Na een uurtje of twee, drie, leg ik de televisie het zwijgen op met de afstandsbediening. Hallo leegte. Natuurlijk groet het niet terug. Het is een passieve leegte. Het doet niets. Het klaagt niet en is zelfs niet eens dreigend. Het is er alleen maar. Mijn stoïcijnse leegte. Het zegt niets, maar maakt wel heel duidelijk zijn aanwezigheid kenbaar. Het oordeelt ook niet. Misschien moet ik over mijn leegte dan ook maar niet oordelen. Het is een deel van me dat erkenning verdient. Misschien moet ik het ook niet als leegte zien, maar als ruimte. De ruimte in de bovenste helft van mijn glas.