Filosofie

Zuivere waarheid

In de afgelopen periode heb ik geleerd dat ik een eigen waarheid heb. Een hele waarheid, helemaal van mezelf. En mijn eigen waarheid mág er ook zijn. Dat is een geruststellende gedachte. Jij hebt er ook eentje. Iedereen heeft een eigen waarheid. Jouw waarheid is grotendeels ook mijn waarheid. Maar hier en daar zien we dingen net een beetje anders. En soms lijkt het verschil onoverbrugbaar groot. Frustrerend groot. Maar ik heb ook geleerd dat het in het leven niet draait om “je gelijk”. Leven met anderen gaat niet over het opleggen van jouw waarheid. Inspireren mag natuurlijk wel. Ik raak regelmatig geïnspireerd door iemand die ik ontmoet. Dan zie ik ineens dat mijn waarheid een beetje moet worden bijgesteld.

Ik weet nu ook dat liefde nooit mag draaien om gelijk hebben. Wel om het respect voor elkaars waarheid. En om de zuiverheid van je eigen waarheid. Ben ik eerlijk naar mezelf? Kijk ik diep genoeg naar binnen om mijn echte waarheid te zien? Zie ik mezelf wel echt zoals ik ben? Dat zijn de vragen die de laatste tijd veel door mijn hoofd gaan. In de jaren heb ik heel veel laagjes om mijn pure ik heen gelegd. Ter bescherming. Ik heb me met die laagjes vereenzelvigd, en ben ermee vervlochten geraakt. Maar ook dat is normaal, weet ik nu. Probeer door al die lagen maar eens je eigen zuiverheid te zien. De twijfel slaat dan gemakkelijk toe. Misschien maak ik het wel te groot. Misschien moet ik niet kijken, maar voelen.

Over liefde gesproken: die van mij is dus totaal vast gelopen. Op wantrouwen. Ik ben er de deur om uitgezet. En nu denk ik na over de manier waarop ik het vertrouwen denk te gaan herstellen. Niet met mooie woorden in ieder geval. Ik heb al stevig gewerkt aan het herstel van het vertrouwen in mezelf. En sinds vandaag vraag ik me dus af hoe zuiver mijn waarheid is. Ik bedenk me ook dat ieders waarheid is doortrokken met onzuiverheden. Die maken ons ook tot de mensen die we zijn. Daarom vinden we de klanken van akoestische instrumenten misschien ook wel puurder dan de klanken van elektronische instrumenten. Vanwege de onzuiverheden en onvolkomenheden in de ziel van die instrumenten.

 

Advertenties

Evenwicht

Als je niet aan het omvallen bent, dan ben je dus in evenwicht. Maar evenwichtigheid is een kwaliteit. Hoe makkelijk ben je uit je evenwicht te brengen? Kan je evenwicht een stootje hebben?  En wat dan nog als je toch omvalt? Dan veer je gewoon weer overeind. Dan heb je geleerd dat je steviger moet staan. En ook uit de diepste afgrond loopt weer een weg omhoog. Hoe diep je ook valt, het herstel van je evenwicht begint bij je wederopstanding. Daarna klim je weer naar boven. Je kan het, want je hebt bovenmenselijke veerkracht.

f67316ea83762584a188e5ecf33c4857

De weide

Tijdens een lange wandeling met een goede vriend hoorde ik mezelf zeggen dat ik nog lang niet uitgekeken ben op de weide waarin ik rond huppel, omdat ik nog lang niet aan alle bloemen had gesnuffeld. De weide stond in die zin voor het werk dat ik momenteel doe. Ik put er ontzettend veel levensplezier uit, en dat kan ik nog heel lang doen. Het is een uitgestrekte weide. Het reikt tot aan de horizon.

Ooit waren de goede vriend en ik collega’s. We konden het van meet af aan goed vinden met elkaar. We hebben hetzelfde gevoel voor humor. Zoiets schept meteen een band. Nu hebben we het type vriendschap waarin je elkaar soms jaren niet ziet, maar elkaar niet vergeet.

En omdat we elkaar niet uit het oog waren verloren, dwaalden we samen door het bos. Ons gesprek dwaalde ook alle kanten op. Het ging dan weer over toen, dan weer over nu. Toen waren we naïef en gelukkig. Nu waren we veel wijzer. Toen waren we collega’s. Nu zijn we lotgenoten.

Lotgenoten. Twee mannen met een gebroken hart. Om verschillende redenen, maar dat maakt niet uit. We zijn allebei uit een diepe put geklommen. We konden elkaar steunen. We konden ontboezemen. Het is fijn om ellende te delen met iemand voor wie dat heel erg herkenbaar en invoelbaar is.

We spraken over nieuwe inzichten in onszelf. Mijn bloemenweide die nog vol door mij onbesnuffelde bloemen staat, is zo’n inzicht. Mijn dwaalgenoot snapte precies wat ik bedoelde en zag zichzelf al vrolijk door zo’n weide huppelen. Hij zit momenteel zonder werk, maar vast niet voor lang. Hij ging mijn mooie zin onthouden, zei hij. Jij vindt weer een bloemenweide waar je vol passie doorheen kan huppelen, beloofde ik hem. Ik beloofde mijn ogen en oren voor hem open te houden.

We hadden het over geluk en liefde. Over warmte en genegenheid. Over hoe het ons daarin nu ontbrak. We waren heel open over hoe onbezonnen we in onze op de klippen gelopen liefdes waren gedoken. Misschien hadden we meer moeten scharrelen. We hadden er beter aan gedaan om eerst ook wat andere bloemen te besnuffelen. Maar we waren te onzeker. Te verlegen en te afwachtend. De bloemen werden vanaf een afstandje door ons bewonderd. Heimelijke liefdes die nooit opbloeiden.

Maar we spraken ook over hoop. Over toekomstige liefde. De weide staat vol bloemen. Kijk maar eens om je heen. Ik ga weer genegenheid en geborgenheid voelen, voorspelde hij. Hij raakte mijn gevoeligste snaar en ik werd er stil van. “Je hoeft je er alleen maar voor open te stellen”, zei hij. Eigenlijk geloof ik niet dat ik dat ooit weer kan. Bloemen zijn allemaal giftig. Dus ik laat het snuffelen en hou het voorlopig maar bij huppelen.

Acceptatie

De taalpietlut (niet te verwarren met de kommaneuker) in mij probeert de wereld te begrijpen vanuit de letterlijke betekenis van woorden. Dat is nou eenmaal zoals mijn hoofd werkt. Dat is één van de vele normaalheden (normaal is het nieuwe bijzonder) van mezelf die ik probeer te accepteren. Maar hoe werkt dat nou eigenlijk, acceptatie? Wat betekent het überhaupt.

De Van Dale pak ik er nu maar niet bij. Deze moet ik met mijn gezonde verstand wel kunnen kraken. Accepteren is toch eigenlijk niets meer dan aanpakken wat iemand je geeft? De manier van geven laat nog wel eens te wensen over. Zoals in je schoot werpen, in je maag splitsen of voor je voeten werpen. De ander was wanhopig en moest er hoe dan ook vanaf en jij vormde op dat moment een handige ontvanger. Dat op zichzelf moet je dan ook maar gewoon accepteren.

Niet accepteren is dan zoiets als het paard terug duwen naar de gever. Je keek in de bek (ja ja, het is eigenlijk een mond) van het paard en wat je zag beviel je helemaal niet. Vlieg op met je stomme paard! Maar wat nou als het paard al heel lang onderdeel van jezelf is? Aan wie moet je dat paard überhaupt terug geven? Je hebt wel een vermoeden van de oorsprong van je paard, maar dat gaat generaties terug. Van een geërfd paard kom je dus niet af en zit er dus eigenlijk maar één ding op: acceptatie.

Bij het accepteren van jezelf zoals je bent heb je dus niet de luxe van het bestuderen van het gebit van het betroffen paard. Het is zoals het is. Dit imperfecte paard is een deel van je. In mij galoppeert en steigert een nukkige hengst die graag komma’s neukt. Niet perfect, maar ik span hem af en toe toch graag voor mijn blog-karretje. Ik heb dit paard dus geaccepteerd. Gelukkig is niemand perfect. Jij ook niet. Accepteer het maar gewoon.

Mijn glas

Ik zie een glas, en die is halfvol. Met kleine dingen, maar ik eer ze. Het is een nieuw glas. Mijn glas. Helemaal weer zelf geblazen. Het oude sneuvelde in de koude oorlog.  Er zit nog steeds een scherf in mijn hart, als herinnering. Ook mijn ziel is op diverse plaatsen doorzeefd met de scherven van het oude glas.

Dus ik heb een gescheurd hart en een ziel vol gaten. Blijkbaar kun je dat overleven. Hoewel ik daar serieus aan heb getwijfeld. Mijn hele bodem klapte onder me vandaan. Eventjes hing ik als in een cartoon in de lucht tot de zwaartekracht me resoluut de diepte in trok.

Mijn duizelingwekkende tuimeling de diepte in leek eindeloos te duren. Maar ik sloeg geen cartooneske, Mark-vormige krater bij mijn uiteindelijke landing. Het tuimelen ging namelijk geleidelijk over in dwarrelen. Als een eikenblaadje dwarrelde ik vredig naar beneden. Ik landde versuft en enigszins verbaasd op mijn beide voeten.

Daar stond ik dan. Ik keek naar mijn blote voeten en werd me ervan bewust dat ik helemaal naakt was. Kleren maken de man ook helemaal niet. Ontberingen maken de man eerder, maar ik besloot mij zelf te maken. Om te beginnen met een nieuw glas. Om al mijn hervonden geluk in te kunnen doen.

 

Rancune

Woede moet je niet wegstoppen. Want dan verspeelt je je kans om je woede te uiten als het nog vers is. Opgekropte woede bederft. Het wordt bitter en gaat je van binnenuit  verteren. Je wordt er langzaam door vergiftigd. Alles wordt aangetast. Je rationele denkvermogen. Je relativeringsvermogen. En zeker ook je vermogen om anderen te vertrouwen. Iedereen die het niet met je eens is, is automatisch tegen je. Je ziet kritiek als een aanval op jezelf, zeker van iemand waar je kwaad op bent. Die persoon is de bron van jouw kwaad. De schuld ligt daar, niet bij jou. Zijn onvermogen om dat in te zien is voeding voor de woede die in je woekert. Die steeds machtelozer wordende woede wortelt zich dieper en dieper, en groeit uit tot wrok. Rancune.

Een rancuneus mens voelt zich slachtoffer, voelt zich machteloos. Alle verantwoordelijkheid voor zijn ellende ligt bij de ander. De rancuneuze mens trekt zijn eigen ketenen zelf wat strakker aan, en blijft ten enenmale blind voor zijn zelfgekozen slavernij. Eigenlijk kan alleen het eigen inzicht de onmacht doorbreken. Inzicht in de oorzaak van je onmacht. Inzicht in het proces dat het in stand houdt. Inzicht in je eigen natuur. Inzicht in je vermogen tot verandering. Geef een rancuneuze persoon de ruimte om tot dat inzicht te komen. Heb geduld. Heb vertrouwen. Heb lief.

anne-martha-nussbaum_zl-1024x1024

Grenzen

Mijn grenzen lijden aan achterstallig onderhoud. Zwaar achterstallig. Een grens is niet een lijntje dat je eenvoudig voor jezelf trekt en daarna van de hele wereld mag verwachten dat er ten alle tijde rekening mee wordt gehouden. Dat is nogal naïef. Toch is dat de manier waarop ik met mijn grenzen om ben gegaan.

Een grens is een lijn tussen mij en jou. Ik ben hier en jij staat daar, aan de andere kant van de grens. De grens bakent een stukje van jezelf af. Een gebied van eigenwaarde. Een stukje identiteit.

Je zou je van je eigen grenzen dus goed bewust moeten zijn. Ze omlijnen immers een stuk van jezelf. Iets dat je niet wilt verliezen. Je moet je grenzen dus bewaken. Soms zwaar, soms licht. Dat hangt af van de grens en dat wat erachter ligt. En het hangt van het vertrouwen dat je anderen geeft, of andersom: het gebrek aan vertrouwen in anderen.

Nu ben ik dus aan het nadenken over mijn grenzen. Waar liggen mijn grenzen precies? En hoe zou ik ze moeten bewaken? Hoe maak ik anderen duidelijk waar mijn grenzen liggen? Als ik mezelf vanuit een helikopter bekijk, zie ik een eiland in de Waddenzee dat op drift is naar het Oosten. Het wordt bovendien steeds kleiner. Mijn grenzen zijn al jaren onderhevig aan erosie.

Mentale erosie. De “elementen” hadden jarenlang vrij spel. Ik liet het zelf toe, met als gevolg een mentale watersnoodramp. Er moeten dijken en stormvloedkeringen komen. Een mentaal Deltaplan. Maar dan moet ik eerst verder uitzoeken wie ik precies ben. En wat ik wel en niet wil. Daar omheen trek ik mijn grenzen. Duidelijke, niet mis te verstane grenzen. Tot hier en niet verder.