Gedicht

Naast je

Iemand die je beweegt,
je zonder voorwaarden
lief heeft.
Iemand die je vast houdt,
je zonder aarzeling
troost geeft.
Iemand die je draagt,
je onbevangen
steun geeft.
Iemand die je laat zijn,
je vol vertrouwen
ruimte geeft.
Iemand die je begrijpt,
je zonder woorden
diep raakt.
Iemand die naast je staat,
je vol tederheid
kracht geeft.
Iemand niet tegenover je,
niet boven je,
maar naast je.

Advertenties

Muggen uit de porseleinkast

Bloeddorstig zoemend zweeft zij
Aan kop en schoteltjes voorbij
Vederlicht, zes pootjes ragfijn
Onschadelijk voor ’t porselein
Geen probleem, hooguit irritant
Tot ze plots verandert in een olifant
Alweer ligt in luttele momenten
Het hele servies in gruzelementen
Maar vanaf nu ben je op je hoede
Bij de eerste tekenen van woede
Jaag jij voortaan alvast
Alle muggen uit de porseleinkast

Lief Temperamentje

Felle, blauw ogen
vol vuur en verontwaardiging
kijken vanonder de mooiste wimpers
woedend naar me op
Mijn lief temperamentje
is weer eens boos op me

Haar zachte gezichtje
staat op ontploffen
Van aangedaan onrecht
pruilt haar kleine mondje
Mijn lief temperamentje
kan me weer niet uitstaan

Ze gromt gevaarlijk
Slaat haar kleine armpjes
dreigend over elkaar
Nog even en ze spat uiteen
Mijn lief temperamentje
schopt me bij kans naar de maan

Ze perst kokende tranen
uit haar ziedende oogjes
als blikken konden doden
vertelde ik het nu niet na
Mijn lief temperamentje
komt stampend op me af

Haar fantastische ego
tegenover die van mij
Weerloos als ik ben
spreid ik vertederd mijn armen
Mijn lief temperamentje
stort zich er snikkend in

In alle bescheidenheid

Om de mensheid niet te verpletteren met mijn indruk,
doe ik maar gewoon en precies gek genoeg.

Om de mensheid niet te verbluffen met mijn alwetendheid,
meet ik me een vertwijfelde blik aan, hou me van de domme.

Om de mensheid niet te verblinden met mijn schoonheid,
kleed ik mij heel gewoontjes, eigenlijk bij het saaie af.

Om de mensheid niet te overdonderen met mijn charmes,
doe ik me bot voor, dus voel je maar niet beledigd.

Om de mensheid niet te bederven met mijn ruimdenkendheid,
stel ik me moedwillig bekrompen op, voor jullie bestwil.

Om de mensheid niet te verbijsteren met mijn kunst,
hou ik me maar in en schrijf ik flauwe versjes zoals deze.

Eerbetoon

Dit is het beste, meest geweldige gedicht ooit…

Op een dag, lang, lang geleden, stond ik alleen
te liften langs een onmetelijk lange, verlaten weg
en zomaar ineens, schitterde daar een duivels wezen,
midden op de weg…en het sprak deze epische woorden:

Draag nu het beste gedicht ter wereld voor, of je ziel…is mijn!

Dus ik haalde mijn schouders op en zei:

okee

En dit is wat toen spontaan in me op kwam
Het was de bestemming van mijn lot
Dat ik het beste gedicht ter wereld voordroeg:

Kijk maar in mijn ogen, het is duidelijk te zien
Eén en één is twee, en twee maal vijf is tien
Was dit voorbestemd misschien?
Een kans van één op honderduizend zo klein
als in de stralende zon en in heldere maneschijn
de grassprieten aan het groeien zijn

Natuurlijk was de duivel met stomheid geslagen
Swiep-klap deed zijn wapperstaart,
en het monster was er klaar mee.
Het vroeg me knorrend: Zijt gij een Engel?
En ik zei: Nee, ik ben slechts ’n mens.
Hah!

En dit is niet het beste gedicht ter wereld
Dit is slechts een betoon van eer.
Ik kon me het beste gedicht niet meer herinneren, o nee
Dit is een eerbetoon, ja, aan het beste gedicht ter wereld
Okee! Het was het meest geweldige gedicht ter wereld ja!
Okee! Het was het beste fokking gedicht, het meest geweldige gedicht ter wereld. 

En weet je wat het gekke is vrienden?
Dat gedicht dat ik opdroeg op die onheilspellende avond
Klonk in de verste verte niet zoals deze

Dit is echt maar een eerbetoon, geloof me!
En ik wou dat je getuige was, dan waren we het eens
O shit, o goeie God, God Allemachtig
Je zou echt versteld hebben gestaan

Twaalf

In het dal van de Klaraalf
Onder de rook van de Kradaalf
Groeit al een eeuwtje of twaalf
Een knoestige, oeroude Pontigaalf
In haar kruin broedt de bonte Falaraalf
Op haar eieren, ’t zijn er minstens twaalf
Die vormen het lievelingskostje van de Pitaalf
Verwant aan de veel grotere Fataalf
Een wurgslang van minstens een meter of twaalf
Soorten die alleen voorkomen op Lariaalf
Een vulkanisch eiland in de Koldaraalf
Haar inboorlingen noemen zich de Maniniaalf
Zij plukken de vruchten van de Pontigaalf
En hun gezinsgrootte is altijd minstens twaalf
Wat weer te maken heeft met het dieet van de Fataalf
Het is de wil van de oppermachtige Kradaalf
Wie naar heilige overtuiging van de Maniniaalf
Hun wereld schiep in een minuutje of twaalf