Leven

De kraan is geduldig

Volgens mij zei mijn vader dat vroeger thuis altijd: “de kraan is geduldig”. Het was het standaard antwoord dat je kreeg als je zeurde om nóg een glas ranja. Als je nog meer dorst hebt, drink je maar water. Vooral dat “maar water” is natuurlijk jammer. Want ik weet namelijk dat het alles behalve “maar water” is dat uit onze kranen komt in Nederland. Sinds ik bij een drinkwaterbedrijf werk begrijp ik dit.

Die geduldige kraan waar altijd maar weer schoon en heerlijk drinkwater uit komt als we het open draaien zien we in Nederland als de normaalste zaak van de wereld. Vandaar ook die uitdrukking. Wij kennen geen echte dorst, want de kraan is inderdaad altijd geduldig. Het is bij wet geregeld dat wij schoon en veilig drinkwater uit onze kraan kunnen tappen. De geduldige kraan is een burgerrecht. De drinkwaterbedrijven hebben de plechtige taak daar voor te zorgen. Ze beschermen de natuur in de waterwingebieden en de waterbronnen die zich daar (onder) bevinden. Ze pompen water op van grote diepten en zuiveren het zorgvuldig. Wij draaien (aan de kraan) en zij leveren. Dag en nacht. Weer of geen weer.

Vanochtend betrapte ik mezelf erop dat ik het zelf ook zei. Ik was in gesprek met de juf van mijn jongste zoon en we hadden het over het weer. Er was 30 graden voorspeld, en het was nu al om te stikken, vonden de juf en ik. “We moeten extra veel drinken”, zei de juf tegen mijn ventje. En voor ik er erg in had ontglipte mij toen: “de kraan is geduldig”. Meteen verontschuldigde ik me tegenover de juf voor de ouderwetsheid van mijn uitspraak. Ik weet ook niet waarom. Het is misschien ouderwets, maar ook een waarheid als een koe. De vanzelfsprekendheid van schoon drinkwater is iets om af en toe eens bij stil te staan. De kraan is inderdaad geduldig, is het niet fantastisch?.

Advertenties

Familieband

Het moment van mijn geboorte staat netjes op mijn geboorteakte. Maar ik ontstond al eerder. Een week of 40 eerder, maar preciezer weet ik het niet. Op dat magische moment versmolt een deel van mijn vader zich met een deel van mijn moeder. Zoals dat al miljoenen jaren gaat.

Bij mijn geboorte veranderden twee geliefden in twee ouders. Mijn ouders gingen de opvoeding van mij en mijn zusjes aan met alle liefde die ouders voelen voor een kind. Dat weet ik zeker. Ik heb het zelf gevoeld. Ik weet nu ook dat ze zich daar onzeker in moeten hebben gevoeld, want dat heb ik zelf ook gevoeld bij mijn eigen kinderen. Eigenlijk nog steeds. Ik stel me altijd gerust met de gedachte dat de perfecte ouder niet bestaat. Ouders zijn ook maar gewoon mensen die fouten maken.

Eén van mijn eigen fouten in de manier waarop ik mijn kinderen opvoedde is dat ik ze teveel probeerde te behoeden voor fouten. Ik ben een curling parent. Dus ik kan heel moeilijk loslaten. En in alle waan van de dag en de gejaagdheid die ik daarbij voelde, had ik ook geen tijd voor potentiële fouten van de kinderen. Dus ik deed alles zoveel mogelijk zelf. Wel zo makkelijk, maar helemaal niet goed. Nu weet ik dat.

Gelukkig heb ik een hechte band met mijn kinderen. Ik heb het gevoel dat het nog hechter is geworden sinds ik ben vertrokken. Dat komt niet door mijn vertrek, maar doordat ik heb los gelaten. Ik laat ze veel vrijer dan ik voorheen deed. Ze krijgen het vóórdeel van de twijfel in plaats van het nadeel. Ik merk dat dat veel goeds doet.

De band die ik met mijn eigen ouders heb is trouwens ook aanzienlijk versterkt. Of misschien is die weer op de sterkte die het ooit had. Vooral met mijn Pa, zo noem ik hem nu liefkozend, is mijn band enorm verbeterd. We hebben het verleden achter ons gelaten en willen allebei het beste maken van onze relatie. Een relatie op basis van wederzijds respect. Een relatie waarin begrip is voor elkaars fouten zonder dat het voelt als falen in de ogen van de ander.

Ik hou van mijn ouders. Een heel warm en sterk gevoel. Ze zijn er voor me. Altijd. Ik laat niemand never nooit meer toe om me van dat gevoel te beroven. Ik heb de bewaking van die grens dus sterk aangescherpt. Minachting voor mijn ouders laat ik voortaan niet meer over mijn kant gaan. Uit hun liefde ben ik ontstaan en door hun liefde ben ik groot gebracht. De kracht van de band tussen mij en mijn ouders (en mijn lieve zusjes) geeft mij zelf kracht. Kracht waaruit ik heb geput om mezelf weer terug te vinden.

 

 

 

Stappen

Om vooruit te komen moet je stappen zetten. Het ene been voor het andere. Nu ik mezelf weer een beetje bij elkaar heb geraapt, probeer ik weer vooruit te kijken. Ik probeer weer een leven op te bouwen. Een leven waarin er plaats is voor mijn gezin, mijn hobby’s en mijn werk. Het lijkt erop dat ik voorlopig toch echt op eigen benen moet blijven staan. Dus ik zet stapjes richting het vergroten van mijn zelfstandigheid. Daarbij hoort ook de stap richting een eigen appartement, een nieuwe thuisbasis. Die stap voelt nog niet helemaal goed, maar ik denk dat ik er wel goed aan doe. Het voelt als het vergroten van de afstand tussen mijzelf en mijn vrouw. Maar het bivakkeren in hutjes op de hei (chaletjes, vakantiehuisjes, enz.), zoals ik nu doe, is niet goed voor mijn eigenwaarde en geeft me gewoon niet voldoende vastheid. Ik heb mijn eigen plek nodig, zo simpel is het.

Dat gaat natuurlijk best in de papieren lopen, en ik ben bepaald geen held in dat opzicht. ‘k Heb een broertje dood aan financiën en administratie, maar ik ben er toch ingedoken. Het is me gelukt om een heus maandelijks budget te maken. Ik weet nu vrij precies wat er in en uit gaat qua geld, en wat ik nodig zal hebben dit jaar. Eerlijk gezegd voelt dat erg goed. Op zichzelf is het een belangrijke stap richting zelfstandigheid. Mijn vrouw smeekt me al jaren om me meer te verdiepen in de gezamenlijke financiën, administratie en planning. Daar heb ik haar altijd teleur gesteld en het lekker aan haar overgelaten. Ze kan het ook veel beter dan ik. Lekker makkelijk voor mij. Ik zette daar eigenlijk maar weinig tegenover. Ja, ik deed de was en ik maaide het gras. En met heeeel veel tegenzin, deed ik ook de jaarlijkse belastingaangifte. De rest van alle verantwoordelijkheden liggen op de zachte schouders van mijn vrouw.

Dus ik zet stappen. Heel bewust. Richting mijn toekomst. Ik voel dat ik mijn zelfverzekerdheid weer een beetje terug heb gevonden. Het voelt goed. Ik betrap mezelf nog wel veel te vaak op de gedachte: “Wat zal mijn vrouw hiervan vinden?”, maar dan sla ik mezelf eens om de oren en denk dan: “Wat vind ik ervan?”. Nu weet ik het antwoord nog niet helemaal, maar ik geloof dat ik denk dat ik vind dat ik positief mag zijn over de stappen die ik zet.

 

Zacht

Hou het zacht. Dat is een advies dat ik onlangs van iemand kreeg. Meer een voorschrift dan een advies eigenlijk. Hij zag namelijk verharding bij me. Dat kwam door hardheid die ik voelde van iemand anders. Nou ja, eigenlijk is ze niet “iemand anders”. Alhoewel, ze is niet meer de persoon die ik dacht te kennen.

Maar ik ken mezelf ook niet meer terug, dus ik vind dat ik niet mag oordelen over haar “andersheid”. Misschien was zij al die tijd wel gewoon hetzelfde, maar zie ik haar nu anders. In ieder geval voel ik van haar kant hardheid. En ik merk dat ik me aan het bewapenen ben. Klaar om uit te halen.

Goed, ik moet het dus zacht houden. Zacht zijn naar iemand is ontvangen zonder te oordelen. Zacht zijn is luisteren en voelen. Zacht zijn is verdragen. Zacht zijn is niet alles voelen als een aanval. Zacht zijn is ontwapenen, jezelf kwetsbaar maken. Zacht zijn vraagt moed. Voor mij voelt zachtheid dus als het tegenovergestelde van wie ik ben geworden. Empathie tegenover agressie.

Ik zou die voorgeschreven zachtheid eigenlijk eerst naar binnen moeten richten. Mezelf verdragen zoals ik ben. Zachtheid is misschien wel de nieuwe betekenis die ik zoek in mijn leven, mijn spirituele pad. Ik zeg “misschien” omdat ik onzekerheid voel, en ongeloof. Kan ik mijn leven echt verrijken met zachtheid? Mijn barricades voelen zo vertrouwd. Die heb ik in de loop der jaren opgeworpen om mezelf te beschermen.

Ik mocht niet dom zijn. Ik mocht niet onhandig zijn. Ik mocht niet zwak zijn. Maar ik mocht ook niet te slim zijn. En niet te handig. En niet te sterk. Dat is mijn stelsel van barricades. Ze hebben me gedefinieerd en ik ben er mee versmolten. In alle zachtheid die ik naar mezelf kan opbrengen vind ik dat ik mezelf eigenlijk niet mag identificeren met mijn barricades. Ze zijn namelijk niet echt.

Levenslach

Natuurlijk zit een mensenleven vol bergen en dalen. Soms sta je bovenop de wereld. Waar de zon jou het eerst raakt met haar stralen, dan pas alle andere mensen. Op zo’n moment spat het geluk van je af. Je bruist van energie. Zoveel energie dat je praktisch licht geeft. Licht voor iedereen. Het leven lacht je dan toe, zoals dat heet. Jouw gezicht weerspiegelt dat met een gelukszalige grijns die loopt van oor tot oor.

In een dal is het precies andersom. Hoe dieper het dal, hoe duisterder je stemming. Je verwordt tot een soort zwart gat waarin de energie uit je omgeving schijnbaar zinloos verdwijnt. Het enige zonlicht dat op jouw gezicht valt, komt indirect, via de langst mogelijke route, vanaf het kille oppervlak van de maan, als het meezit. In zo’n diep gat wil je dan alleen nog maar dieper wegzakken. Dieper en dieper. Wegkwijnen. Iedereen buiten sluitend.

Waar je dan toch nog de energie vandaan haalt om weer op te veren en toch weer, als een hardnekkig woekerend onkruid, naar de zon te reiken, gaat je verstand te boven. Het is bijna bovenmenselijk. Maar dat is het niet. Het is juist oermenselijk. Je oerinstinct nam het over. Je oerinstinct wist dat de muren van je vesting stuk moesten. Dat je ook kwetsbaar mag zijn. Dat je ook je verdriet moet delen. Dat je klein mag zijn in de aanwezigheid van de mensen die dichtbij je staan. Dat ze je zullen steunen en aanmoedigen. Dat je dan weer bovenop de wereld kunt komen. Samen met hen. Niet alleen, maar samen.

Badend in warm zonlicht bloei je weer langzaam op. Het leven glimlacht je bemoedigend toe. Toe maar, leef maar. Bloei maar en groei maar. Het zonlicht is daadwerkelijk honing, en je doet je er weer gretig aan tegoed. Je bent terug. Sterker dan ooit. Het dal waarin je je nog bevindt is licht en groen. Voor je uit slingert zich een pad naar boven. Je weet dat het vol bekende valkuilen zal zitten, maar het weerhoudt je er niet van om de eerste stap te zetten, want ook jij mag fouten maken.

Maar een mens

Het is volgens mij altijd goed om te beseffen dat we maar een mens zijn. Wij beseffen dat we ons kunnen vergissen. Dieren hebben dat besef niet, denken we. Onze huiskat denkt bij een mislukte jacht toch niet: tjonge, heb ik me daar even in de snelheid van die muis vergist! Maar de kans is groot dat ik mij ook daarin wederom vergis. Daar hou ik bewust rekening mee omdat ik ook maar een mens ben. Ik weet niet wat er in de kop van een kat omgaat na een mislukte jachtpoging. Ik ben immers geen kattenfluisteraar, alhoewel…

Maar een mens dus. De “maar” is om te voorkomen dat ik mezelf als bovenmenselijk beschouw. Niet dat ik dat vaak doe, maar ik heb mijn momentjes van megalomanie waarbij ik de mensheid wel lijk te ontstijgen. Mijn ego is nogal bovenmaats. De “maar” houdt mijn benen dan aan de grond en zorgt voor mijn aarding.

Maar een mens. Eigenlijk past de bescheidenheid van de “maar” niet. De mensheid zet de wereld naar haar hand. De mensheid overwint de zeeën. De mensheid vliegt naar de maan. De mensheid heeft wetenschap. De mensheid heeft massavernietigingswapens. De mensheid heeft bio-industrie. De mensheid ontregelt het klimaat. En in al haar bescheidenheid gelooft de mensheid ook in oppermachtige wezens die hen stuurt en behoedt. Die mensheid toch.

Gek, we hebben het eigenlijk nooit over de virusheid, insectheid, visheid, vogelheid, reptielheid of katheid. Waaraan moet een organisme eigenlijk voldoen om heid-waardig te zijn? In staat zijn tot dit soort filosofische overpeinzingen? Zich ervan bewust zijn dat het zich kan vergissen? Ik verzin ook maar wat, want ik ben ook maar een mens.