gekibbel

Muggen uit de porseleinkast

Bloeddorstig zoemend zweeft zij
Aan kop en schoteltjes voorbij
Vederlicht, zes pootjes ragfijn
Onschadelijk voor ’t porselein
Geen probleem, hooguit irritant
Tot ze plots verandert in een olifant
Alweer ligt in luttele momenten
Het hele servies in gruzelementen
Maar vanaf nu ben je op je hoede
Bij de eerste tekenen van woede
Jaag jij voortaan alvast
Alle muggen uit de porseleinkast

Gelijk krijgen

Het woordje “gelijk” kennen we in onze taal als een bijvoeglijk naamwoord (hetzelfde), een bijwoord (op hetzelfde moment) en als zelfstandig naamwoord (juistheid). Dit is dan dus een prima Nederlandse zin: “Over een gelijk gelijk gelijk gelijk krijgen”.

Als zelfstandig naamwoord is “gelijk” vaak iets dat je de ander niet gemakkelijk geeft. Zeker niet als die ander wel degelijk gelijk moet hebben. Eigenlijk maakt het niet uit of je die ander dan gelijk geeft of niet, want zij (of hij) had het immers de hele tijd al (ook als dat pas later duidelijk wordt). Dus iemand gelijk geven is taalkundig eigenlijk onlogisch. Gelijk krijgen dan dus ook. Tenzij je natuurlijk het bijwoord “gelijk” bedoelt, dan is het wel weer logisch. Ik krijg gelijk nieskriebels als ik peper op snuif. Ik geef hem gelijk lik op stuk.

Gelijk krijgen geeft soms een katergevoel. Soms zou je het liever niet krijgen. Maar tegelijk kan je ook heel verongelijkt zijn als je het niet blijkt te hebben. Het is niet eerlijk dat ik geen gelijk krijg! Op zulke momenten strijk ik dan maar weer over mijn hart. Tuurlijk mag jij ook gelijk hebben stumper. Kom maar, dan krijg jij van mij fijn een beetje gelijk. Moet je niet denken dat de ontvanger van een dergelijk gelijk dan gelijk tevreden is. Oooo nee.

Ontbozen

We hebben het wel eens over onthaasten. Je kan ook niet alsmaar door jagen. Dan loop je jezelf alleen maar voorbij en staat je langzame zelf naar het gejaagde achterhoofd van je haastige zelf te kijken.

Maar ik heb het nu maar eens even over ontbozen. Je kunt niet alsmaar boos zijn. Ik lijk de laatste tijd wel voortdurend boos te zijn. Mijn tenen zijn veel te lang en mijn lontje is te kort. Mijn leven is ook veel te kort voor al die onzinnige boosheid. Even wat voorbeelden van onzinnige boosheid: ik word boos als de kinderen teveel hagelslag op brood doen (“ja maar papa, ik kán het gewoon niet zo goed en dan schiet er steeds teveel uit”), als ze steeds hetzelfde deuntje neuriën (ja maar papa, ik krijg het liedje niet uit mijn hoofd), als ze te hard stampen op de trap (ja maar papa, ik struikel steeds), als ze de bordjes scheef in de vaatwasser zetten (ja maar papa, de bordjes vallen steeds vanzelf scheef), als ze de koelkastdeur twee tellen te lang open laten staan (“ja maar papa, ik kreeg het melkpak niet in de deur”), als ze deuren te hard achter zich dicht kwakken (“ja maar papa, de deurklink gaat zo moeilijk”). 

Kortom: ik moet ontbozen. Dat zei ik vanavond nog tegen mijn dochtertje. Op haar ben ik wel het allermeest onzinnig boos. En weet je wat ze zei? Het was te schattig, echt. Ze zei: “Papa, ik begrijp het wel hoor, vier kinderen opvoeden is ook wel heel zwaar denk ik”. Op zulke momenten barst ik van de spijt en wil ik nooit meer boos worden.

Er is een verband met haast natuurlijk. Door gejaagdheid daalt je geduld tot onder nul. En een laag geduldpeil zorgt ervoor dat mijn bloed al op kamertemperatuur aan de kook raakt. Dus ik moet vooral ook toch maar onthaasten. Relax papa, relèèèèèx. Alles loslaten. Ik zou er volgens mijn vrouw versteld van staan hoe weinig er allemaal misgaat als ik niet op alles loop te letten. En ik zou er versteld van staan hoeveel energie het oplevert. Snap ik allemaal best wel. Maar ik heb last van chronische kramp in mijn geduld waardoor ik niet kán loslaten. Zie je wel, het ligt niet aan mij…

Gewoon alles in de cloud

Wacht, ik moet ff dit docje naar mijn box-account uploaden. Dan staat ‘ie mooi in de cloud. Da’s heel handig, want dan kan ik er overal bij. Moet jij ook doen joh. Kan gewoon met je smartphone. En dan kan je er met je tablet ook bij. Sterker nog, ik sync automatisch alle foto’s die ik met mijn telefoon maak, met de cloud. En die foto’s share ik dan vanaf de cloud met mijn vrouw die haar foto’s daar ook synct. Echt simpel. Ja, en we whatsappen dus ook. Dat is eigenlijk een soort SMS-en in de cloud.

Wij doen eigenlijk alles in de cloud tegenwoordig. De kids krijgen les in de cloud en zetten dus ook spiekbriefjes in de cloud. Wat ik dan dus automatisch zie, want ik volg mijn kids ook in de cloud. Hahaha, ik zie ze vaker in de cloud dan in real life. Laatst ving ik, terwijl ik een stuk stoofvlees in blokjes aan het hakken was, een tweetje van mijn dochter, alias bakvisje27, op met de tekst:

“wie is die man die zondag’s het vlees staat te hacken… :-p #pa #kannietkoken”

Ha ha, daar had ze me mooi tuk. Daar hou ik wel van, dus ik tweette terug: “@bakvisje27 LOL!” Ja, we dollen dus ook in de cloud.

En als ik je een gouden tip mag geven: kibbelen moet je ook in de cloud doen. Het gaat meestal toch eigenlijk helemaal nergens over, dus kun je het gerust in de cloud zetten. Obama mag het van mij allemaal best lezen. En het allerhandigste is nog wel dat ik ons gebakkelij altijd kan terug-googlen om te bewijzen dat ik echt gelijk had (of niet natuurlijk). Geldingsdrang via de cloud. Ideaal.

Nee hoor, deze jongen doet niks meer op papier. De volgende generatie zou eigenlijk al niet eens meer hoeven leren schrijven, je weet wel met pen op papier. Dat heeft toch geen enkel nut meer, want tegenwoordig swype je al je teksten digitaal, zo de cloud in. Da’s dan de normaalste zaak van de wereld. Gewoon alles in de cloud dus. 

Antidrift

Dokter, heeft u iets tegen lange tenen? Een pilletje dat ik kan nemen als ik voel dat zich een donderkop boven mijn hoofd ontwikkelt? Een zalfje misschien, dat ik op mijn vel kan smeren waardoor ik er niet zomaar uit kan springen? Of anders een paar flesjes vloeibaar geduld. Zoiets bestaat toch vast wel, dokter?

Ik draag uit voorzorg ook nooit meer sloffen, dokter. Dan kan ik er ook niet uitschieten, ziet u. En ik heb ook altijd een ijszak paraat om mijn hete hoofd snel te kunnen afkoelen. Ik heb zelfs een speciaal hoedje voor in de auto, die ik heb aangesloten op de airco.

Dokter, ik heb iets nodig waardoor ik mijn lontgroei stimuleer. Daar heb ik namelijk een chronisch tekort aan, aan lont. Eigenlijk ben ik een strijker. Zijn er misschien speciale vitaminen die ik daarvoor kan nemen? Misschien in combinatie met een brandwerend kauwgumpje zodat ik minder licht ontvlambaar wordt? Ja, ik noem zo maar even wat dingen, dokter.

Er moet toch iets te doen zijn aan die heetgeblakerdheid, dokter? Mijn dochter is al net als ik. Een heethoofd, een driftkikker. Als ik oplaai, dan laait zij heerlijk mee, en omgekeerd. Dan staan we vreselijk tegen elkaar in te vlammen. Op zulke momenten wil ik snel de rede en de kalmte terug vinden, ziet u. Liefst nog kort daarvoor. Dokter, desnoods geeft u me een placebootje. Als het werkt, dan werkt het. Toch? 

Tegenwoordigheid van geest

“Ja, maar je had blijkbaar wél de tegenwoordigheid van geest om een paraplu mee te nemen”, hoorde ik laatst een vrouw tegen haar echtgenoot zeggen. Ik ving alleen dit stukje van een gesprek (meer een monoloog eigenlijk) tussen een 60+ echtpaar op terwijl ik over een perron liep. De vrouw zei het op verwijtende toon. De man keek ietwat ongemakkelijk om zich heen. Heel even hadden we oogcontact. Instant begrip over en weer.

Later bleef ik maar nadenken over dat “tegenwoordigheid van geest”. Wat een mooie uitdrukking is het eigenlijk. Ook al misbruikte die vrouw op het perron het om haar echtgenoot een veeg uit haar pan te geven. Het betekent dat je in een heldere toestand verkeert, een toestand waarbij je je hoofd er goed bij hebt. De mopperende echtgenote verwees met haar snibbige opmerking natuurlijk naar de periode van totale afwezigheid van geest dat vooraf ging aan dat moment dat hij er aan dacht om zijn paraplu te pakken.

De man onderging het gelaten. Hij had duidelijk de tegenwoordigheid van geest om haar niet tegen te spreken. Uit liefde voor zijn vrouw hield hij zijn geestdrift maar in toom.

Eens te meer begrijp ik dit prachtige lied: Liefde van later (gezongen door Herman van Veen, geschreven door Jacques Brel):

Als liefde zoveel jaar kan duren
dan moet het echt wel liefde zijn
ondanks de vele kille uren
de domme fouten en de pijn…

Neem je even een spookje voor me mee?

Spookje

Gisteren ben ik tegen alle zin (die ik eerst wel degelijk had, maar door allerlei stomme kopzorgen was verschrompeld en nukkig in een hoekje van mijn hoofd was gaan zitten) in  met het hele gezin naar Denekamp (Twente) vertrokken. Voor een gezellig weekendje met de schoonfamilie. Mijn schoonouders hadden ons ter ere van hun 40 jarige jubileum uitgenodigd om met z’n allen een lang weekend in een luxe bungalow door te brengen. Toen mijn schoonmoeder me een maand geleden of zo vroeg of ons dit leuk leek zei ik: “schoonma, dat lijkt me echt heerlijk, wat een leuk idee!”.

Maar op de dag van vertrek trok de hemel boven mijn kop dicht. De wolken boven mijn hoofd torenden zich op tot een dreigende donderkop. Ik had dus geen meter zin meer en gedroeg met als een volwassen kleuter. Ik reageerde dat op alles af dat lawaai kon maken: de schone pannen uit de vaatwasser, deuren en mijn arme schat van een dochter.

Ik lag dwars als een kleuter en bemoeide me tegen alles in, waardoor er dus iets essentieels niet in de bagage kwam: de toilettas van mijn vrouw, met daarin o.a. haar tandenborstel en schildklierhormoonpilletjes. Daar kwamen we dus pas achter na anderhalf uur rijden, bij aankomst in de bungalow.

Je begrijpt dat me een behoorlijke en terechte preek te wachten stond van mijn vrouw. Die preek bespaar ik je. Het volstaat te zeggen dat er enkele spoedinkopen moesten worden gedaan bij de plaatselijke apotheker en drogist.

Toen we samen naar de auto liepen voor die boodschapjes, riep onze zoon ons na vanaf de voordeur. Hij riep: “Nemen jullie ook even een spookje voor me mee?!”. Dat was natuurlijk heel komisch en het brak het wolkendek boven mijn botte hoofd weer wat open. Hij bedoelde zijn Ikea nachtlampje “Spöka” die hij dankzij zijn nukkige vader dus ook had vergeten.

Mijn vrouw en ik zijn nog niet eens de helft van de 40 jaar getrouwd. En ik zou het heel knap vinden als ze dat zo lang gaat volhouden.

Niet persoonlijk

Met gestreken smoeltjes liegen
Ze bedoelen het niet persoonlijk

Stopverf in oortjes
Ze bedoelen het niet persoonlijk

Kontjes tegen de krib gooien
Ze bedoelen het niet persoonlijk!

Stijfkoppigheid en eigen willetjes
Ze bedoelen het niet persoonlijk!!

Regeltjes met voetjes treden
Ze bedoelen het NIET persoonlijk!!

Tegen papa’s haren in strijken
Ze bedoelen het NIET PERSOONLIJK!!

Grote mondjes dwars door papa’s preekjes
ZE BEDOELEN HET NIET PERSOONLIJK!!

Mijn God, wat is opvoeden soms toch moeilijk, maar ik heb deze mantra:
ZE BEDOELEN HET NIET PERSOONLIJK!!

echt niet

Deze mantra helpt me om los te laten, ook al zo moeilijk.

Voor de spiegel

Samen met papa naar de kapper. Ze had zich er al de hele week op verheugd, mijn kleine kattekopje (inderdaad, zonder ‘n’). Ze is ook mijn kleine meid en mijn enige dochter. Een heerlijk pittig ding. We hebben een echte haat-liefde-relatie, zoals vaders en dochters vaker hebben. Zo klein als ze is weet ze al precies waar mijn gevoelige snaartjes zitten. Dus we zitten regelmatig, tot grote ergernis van mijn vrouw, te kibbelen.

Maar vanmiddag dus niet. Na mijn werk haalde ik haar op van de BSO om samen naar de kapper te gaan. We hadden het allebei hard nodig. Zij, een prachtige meid met blonde staartjes tot zo’n beetje haar billen. Ik, een fitte 40plusser met een verwilderde bos grijzende, donkerbruine krullen. Samen fietsten we naar de kapper. Grote zwarte herenfiets naast roze K3-fietsje. Pure liefde.

Zij mocht eerst, ik moest nog eventjes wachten. “Het mag een heel stuk korter, tot op mijn schouders”, zei mijn kleine meid dapper. En even later vielen er stukken blond haar van zeker 12 centimeter op de grond. “Allemaal dooie punten hoor”, zei de kapster geruststellend. “Ja, het is iedere ochtend weer een heel gevecht. Tot in de puntjes” , zei ik gevat. Via de spiegel keek mijn dochter me quasiboos aan en zuchtte overdreven. 

Even later mocht ik in de stoel naast haar klimmen en konden we samen roddelen. Maar zij roddelde liever met de kapster. Over haar rare vader, gewoon waar ik dus bij zat. “Mijn papa is al heel erg oud”, hoorde ik haar ineens giegelend uitkramen, “want hij heeft al grijze haren”. En toen de kapster nieuwsgierig informeerde hoe oud dan precies, wist de hele kapsalon dus dat ik maar liefst 41 jaar oud ben. Zij is dan ook nog maar 6 en dus heeft ze gelijk dat ik heel erg oud ben. Relativeren moet ze nog leren. 

Gelukkig zei mijn barbier – en zelf vader van een dochter van 9 die weer bij mijn zoon van 9 in de klas zit – dat hij wenste dat hij zo mooi grijs wordt als ik. Daarna vergeleek hij mijn grijze haar in één adem ook nog even met dat van Richard Gere en die meneer van de Nespresso-reklame. Die kapsalon heeft er dus écht wel een terugkerende klant bij. En mijn kleine poppetje stond zich tevreden te bewonderen in de spiegel en lachte haar allerliefste lach naar mij. Mijn middag kon niet meer stuk.

Ontwapend

Ik zeg niks”, zegt zij. Hij wil bijdehand terugwerpen dat ze zichzelf tegenspreekt, maar zegt niks terug. Hij kijkt haar alleen aan met een blik waarvan hij hoopt dat het een onverschillige is. Zij doet daarop driftig haar armen over elkaar en kijkt hem verbeten aan. Hij opent zijn handen en trekt zijn wenkbrouwen op. Even gaat zijn mond open, maar hij klemt zijn kaken meteen weer dicht.

“Ja, ik zeg dus niks”, zegt zij weer. Hij moet dat blijkbaar wel doen, maar vertikt het. Zijn lichaam werkt alleen niet mee. Zij trekt heel overdreven haar schouders op en doet hoofdschuddend haar mond open met haar tong half naar buiten. Hij klemt zijn kaken weer nijdig op elkaar en ontspant zijn schouders terwijl hij zijn longen door zijn neus leegblaast. Ook sluit hij zijn ogen om ze enkele tellen later weer rustig te openen. Zij kijkt nu nijdig door het raam naar buiten, de armen nog steeds over elkaar. Haar linkerbeen wipt over haar rechter knie.

Nu wendt hij zijn gezicht ook af en kijkt ook naar buiten. Twee mezen fladderen driftig rond een vetbol die hij in de boom heeft gehangen. Vanuit het niets springt daar ineens de kleine poes door de lucht, de zwaartekracht om de tuin leidend. Haar voorpoten maaien naar de fladderende mezen. Ze mist er eentje op een veertje na en wordt dan weer door de zwaartekracht teruggegrepen. Pardoes dondert poes, kat-onwaardig midden in een struik. Dolkomisch natuurlijk en hij schiet in de lach en zij tegelijkertijd ook. Hij kijkt naar haar en ze heeft de tranen op haar gezicht staan van het lachen.

“Stomme kat ook”, zegt hij en denkt dat het ijs nu weer is gebroken. Ze zit nog steeds te schuddebuiken en kan haar lachen nauwelijks onderdrukken. Dikke tranen biggelen over haar wangen. Maar ze wil helemaal niet lachen, en zoals alleen vrouwen dat kunnen, lukt het haar om tussen de lachstuipen door ook kwaad naar hem te kijken. Plotseling vindt hij haar oneindig lief. Hij is ontwapend en slaakt de diepste zucht ooit. Dan zegt hij zacht: “o…kee….”.