Taal

Verbijstering

Misschien wordt er achter mijn rug over me gesproken. Met verbijstering. Doe ik zelf ook wel eens over anderen. Volgens mij is het heel normaal. Want de verbijstering moet er gewoon uit. Als ik mezelf erop betrap zeg ik er wel altijd bij dat ik het eigenlijk niet zou moeten doen. Maar ja, misschien moet die ander mij dan maar niet zo verbijsteren. Toch?

Bij acute verbijstering hoort een gezicht met grote ogen en open mond. De mond gaat soms een aantal keren open en dicht. Sprakeloosheid is je deel. Eigenlijk is het een prachtig woord, verbijstering. De ‘ver’ geeft een transformatie aan die je ondergaat. Ineens ben je bijster. Jezelf bijster. Kwijt. Alleen een mond vol tanden is nog overgebleven.

Een tijd geleden meende ik iemands verbijstering te voelen in een telefoongesprek. Degene die ik wilde spreken was er niet, maar er nam wel iemand op: “Hallo?”, klonk het ijzig. Een bekende stem die me ijzingwekkend beleefd liet weten dat degene die ik wilde spreken, niet thuis was. Ik vertaalde dat naar: “mij niet wenste te spreken”. Op zichzelf een verbijsterend pijnlijke conclusie. Kwam natuurlijk door mijn vergrootglas.

Advertenties

Geen humorisme

In een bizarre droom stond ik op een plein in een stad. Misschien wel in Utrecht, maar dat weet ik niet zeker. Ik was maar een toevallige passant, want ik droomde dat ik doelloos maar op mijn gemak door straatjes en steegjes struinde. Als een toerist. Tot ik dus bij het plein kwam. Het was er gezellig. Overal zaten mensen op terrasjes. Plotseling valt het helemaal stil. Iedereen kijkt naar een gezette vrouw die met een slagroomtaart in haar hand door een deur naar buiten komt lopen. En vlak voor het moment dat ze struikelt, houdt iedereen op het plein tegelijk zijn en haar adem in. Dat hoor ik. De vrouw loopt direct in mijn richting en struikelt dus. Ze probeert in evenwicht te blijven, en zwaait haar taart-arm omhoog.

Als in slow motion zie ik nu pal voor mijn neus gebeuren dat die taart recht in haar eigen gezicht vliegt. Wat een mop! Wonder boven wonder valt ze niet ook nog op haar met slagroom besmeurde snufferd. Iedereen op het plein haalt weer opgelucht adem en geeft een luid applaus. Wat een kolder! Dit is je reinste humor! En op dat moment word ik wakker en denk: goh, wat gek eigenlijk dat humoristen humor hebben, en geen humorisme. Toeristen doen immers ook aan toerisme. Maar diëtisten dan weer aan diëtiek. Daar loopt de redenatie dus mooi vast. Dat ik ook denk het Nederlands te kunnen beteugelen zo op de vroege ochtend.

dat wel

Het had eigenlijk de hele vakantie geregend. Het aantal uren dat we de zon zagen konden we op één hand tellen. We weten nu zeker dat de tent waterdicht is, dat wel.

Door de schuifpui te forceren wisten de inbrekers binnen te komen. Ze roofden zowat de halve woonkamer leeg. Het was een ravage. Zelfs het vloerkleed was weg. Waarschijnlijk om de flatscreen TV in mee te nemen, zei de politieagent. Ze sprongen dus voorzichtig met de gestolen spullen om, dat wel.

De bliksem sloeg in de boom in de tuin van de buren en viel daardoor precies op de net opgeleverde nieuwe uitbouw van onze woonkamer. Die boom zou volgende week worden gekapt om meer licht in de tuin te krijgen. Die klus konden we ons dus besparen, dat wel.

Wij Nederlanders kunnen toch altijd weer rekenen op ons ingebouwde cynisme op de momenten dat we wel een lichtpuntje kunnen gebruiken, dat wel.

Doorvertalen

Het handige van Google Translate is dat je teksten die in een voor jou onleesbare taal staan, even snel naar je moedertaal kan vertalen. GT doet heel erg zijn best, maar maakt soms heel grappige foutjes. Het wordt leuk als je GT gaat voeden met zijn eigen (mis)baksels. Neem nou dit onschuldige Nederlandse zinnetje:

Terwijl hij de gelaarsde kat uit de boom keek viel de appel niet ver van de boom op zijn kop.

Als ik dit met Google Translate naar het Engels vertaal krijg ik:

As he watched the booted cat from the tree, the apple fell not far from the tree.

Een beetje een kromme vertaling. Ik zou niet zo snel “fell not far from” zeggen. Wat opvalt is de toegevoegde komma tussen de twee delen van de zin. Die komma is daar heel intelligent neergezet. Maar “op zijn kop” is niet eens mee vertaald. Als ik deze vertaling weer (met GT) naar het Nederlands doorvertaal, krijg ik:

Terwijl hij de opgestoken kat vanuit de boom gadesloeg, viel de appel niet ver van de boom.

Van gelaarsde kat naar opgestoken kat. Ik zie dat voor me. Steek je kat op als je het antwoord weet. Opgestoken katten sla je bovendien blijkbaar gade. Als ik dit dan weer laat doorvertalen naar het Engels wordt het:

As he watched the raised cat from the tree, the apple did not fall far from the tree

Nu wordt het pas “did not fall far from”. Het was eerst “fell not far from”, maar blijkbaar moet je even een paar keer doorvertalen voordat dat goed komt. En weer door naar het Nederlands:

Terwijl hij naar de opgeheven kat van de boom keek, viel de appel niet ver van de boom

De kat wordt niet langer uit de boom gekeken. Maar goed, ze is dan ook al opgeheven.


Het eikelwezen

Een eikel is, naast vrucht van de eik, een niet zo aardig bedoelde bestempeling van een mannelijke persoon. Zelf ben ik ook wel eens uitgemaakt voor eentje. Een ongelooflijke zelfs. Blijkbaar scheen ik me toen ongelooflijk lullig te gedragen. Het eikelwezen is blijkbaar ook alleen weggelegd voor mannen. Vrouwen kunnen zich wel lullig gedragen natuurlijk, maar worden nooit voor eikel uitgemaakt. Tot nog toe heeft de emancipatie hier geen verandering in gebracht. Hoeft van mij ook niet. Wat mij betreft mogen scheldwoorden wel gender-specifiek zijn. Het eikelwezen is dus een mannelijke aangelegenheid. Het eikelwezen is verbonden aan het hebben van een piemel. Het uit de voorhuid gekropen topje daarvan heeft immers een grote gelijkenis met een eikel. Vrouwen hebben geen piemel, dus ook geen eikel (ik vraag me nu ineens wel af of het zuurpruimwezen alleen een vrouwelijke aangelegenheid is). Maar wat doen we qua eikelwezen met transseksuelen? Tot vrouw getransformeerde mannen die hun eikel nog hebben, zou je technisch gesproken nog voor eikel mogen uitmaken. En tot man getransformeerde vrouwen zonder piemel technisch gesproken dus niet. Je baseert je keuze om de zich ongelooflijk lullig gedragende persoon voor eikel uit te schelden eigenlijk puur op het uiterlijk. Weet jij veel of er sprake is van een pruim of een eikel? Je kan het toch moeilijk eerst voor de zekerheid gaan controleren. Misschien eerst een knietje in het kruis geven en dan pas gaan schelden? Wat een gedoe. Toch lastiger dan ik dacht, dat eikelwezen.

Smachten

Onderweg naar kantoor rij ik achter een busje van een of andere koffiebonenhandelaar. Op de achterklep prijkt een foto van een geopende baal ongetwijfeld heerlijk geurende koffiebonen. Die geur spat eigenlijk van de foto af. Die o zo verleidelijke geur van vers gebrande koffiebonen.

Alleen al bij de herinnering aan die geur loopt het water me in de mond. De stimulerende foto achterop het busje riep die herinnering met brute kracht bij me op. Bovendien ben ik een coffee junk. Dus ik smacht plotsklaps naar een heerlijk kopje verse koffie. Een dampende, dubbele espresso.

Smachten is branden van verlangen. Smachten is een smeekbede van je genotscentrum. Smachten is hunkeren. Smachten is balanceren op het bitterzoete randje van wanhoop. De klank van “smachten” komt ook precies overeen met het gevoel ervan.

En natuurlijk loopt het verkeer op dat moment vast. Minuten lang kruip ik met een slakkengangetje achter de koffiebonen aan. Mijn roodomrande ogen puilen uit hun kassen. Mijn tong hangt uit mijn mond. Het moeten wachten doet het smachten kantelen naar wanhoop. Nu smacht ik niet langer naar koffie, maar doe ik er een moord voor.

Blijkbaar schijn ik

Als iemand een zin met “blijkbaar” of “klaarblijkelijk” begint, schuilt achter die zin  een oordeel. Zo voel ik het in ieder geval. Blijkbaar ben ik daar extra gevoelig voor. Klaarblijkelijk is dit het lot van taalpietlutten zoals ik. Met “blijk” en “schijn” kan iemand mijn gevoelige snaren bespelen. Dat is mijn juk. “Blijkbaar schijn jij te denken dat…”. Afhankelijk van mijn gemoedstoestand filter ik alles wat na “jij” komt eruit. Want daarop volgt een prikkelend oordeel. Ik hoor dan dus alleen nog dat ik blijkbaar schijn. Dat heb ik schijnbaar nodig.

Van harte gedigitaliseerd

Onderweg in de auto vroeg ik me ineens af of er wel een tegenovergestelde is van digitalisering. De tegenhanger van digitaal is analoog. Iets analoogs kun je digitaliseren, maar iets digitaals kun je niet analogiseren. Dat werkwoord bestaat niet. Maar we doen het wel voortdurend. Soort van. Van digitale opnamen van muziek maken we met z’n allen dagelijks massaal analoge geluidsgolfjes die toch echt als muziek in onze oren klinken. Het heet dan digitaal-analoog-conversie.

Misschien is het ook wel logisch dat het werkwoord “analogiseren” niet bestaat, want het kan niet, hooguit bij benadering. Het staat ook niet in de Van Dale. De digitale versie van iets analoogs is per definitie in kwaliteit verlaagd. Digitaliseren gaat altijd gepaard met kwaliteitsverlies. Altijd. De digitale versie is altijd een minderwaardige kopie van het origineel. De conversie “terug” naar een analoge versie levert iets op dat niet meer 100% hetzelfde is als het origineel.

Gelukkig zijn onze zintuigen ook helemaal niet in staat om het origineel 100% waar te nemen. Onze oren horen maar binnen een begrensd frequentiebereik. Onze ogen kunnen maar een beperkte hoeveelheid kleuren onderscheiden. Een doorsnee computer gebruikt de waarde 0 voor de kleur (absoluut) zwart. De meesten van ons zullen 1 nog even zwart vinden. Een tekst in de digitale kleur 1 op een achtergrond in de digitale kleur 0 (absoluut zwart) kunnen wij niet lezen. De kleur 25 op zwart is nog steeds onleesbaar. Zie het plaatje hieronder.

zwart

Op het beeldscherm van mijn laptop zie ik het verschil tussen zwart en zwart+25 dus niet. Er zijn dus meerdere digitale versies van wat ik als zwart waarneem. Mijn punt is dat we graag genoegen nemen met de inferieure kwaliteit van “geanalogiseerde” digitale informatie ten opzichte van het origineel. We zien en horen het verschil toch niet, of in ieder geval niet genoeg om er niet van te kunnen genieten. De audiofielen van deze wereld zullen het niet met me eens zijn, en misschien hebben ze best gelijk, maar daar gaat het me niet om.

Waar het me om gaat is dat ik vanmiddag ineens moest nadenken over het werkwoord “digitaliseren”. Dat overkomt me regelmatig. Een woord dat voorheen heel vertrouwd was, voelt dan plotseling heel vreemd. Alsof ik het voor het eerst echt zie. Ik had ineens moeite met “digitaliseren”. En ik hou me er beroepsmatig dagelijks mee bezig. Als infoloog streef ik naar de volledige digitalisering van de wereld, want dat moet. Zo ben ik geprogrammeerd. Maar door mijn plotselinge vertwijfeling om “digitaliseren” vroeg ik me dus ook meteen af waar ik in hemelsnaam mee bezig ben. In plaats van de originele, analoge wereld te redden, werk ik naar hartenlust mee aan een minderwaardige kopie ervan. De hele wereld wordt van harte gedigitaliseerd! Maar ach, jullie zien het verschil toch niet.