Technologiefrustraties

Programmeuse versus Programmeur

Onlangs las ik op Nu.nl dat vrouwen beter in programmeren zijn dan mannen. Toen ik het las, dacht ik: nogal wiedes. Jaren geleden (1988-1992) ben ik zelf opgeleid tot programmeur op de HIO (HTS Informatica). Ik geloof dat er tussen de honderden mannelijke opleidingsgenoten, hooguit 2 of 3 vrouwen zaten. Dus in mijn beleving is de programmeuse zeldzaam. Gedurende mijn loopbaan heb ik maar met enkele van hen samengewerkt, maar ik kan onderschrijven dat programmacode die door een vrouw is geschreven netter is gestructureerd, en meestal beter is gedocumenteerd. Het viel me vooral op dat de programmacode van de hand van een programmeuse veel beter kon worden overgedragen aan anderen.

Na het lezen van het artikel op nu.nl deelde ik een linkje op twitter, en plaatste ik er een zogenaamd spitsvondige opmerking bij, waar ik nu spijt van heb. Ik zette er namelijk bij dat vrouwen natuurlijk vooral betere programmeurs zijn dan mannen als er multitasking aan te pas komt. Dat is eigenlijk ronduit seksistisch. Ik bedoelde het vrij letterlijk en wilde juist de draak steken met de moeite die mannelijke programmeurs met multitasking hebben. Bij nader inzien ook erg flauw.

Met deze flauwe opmerking begaf ik me qua seksisme op behoorlijk glad ijs, maar het heeft me aan het denken gezet. Ingegeven door mijn lieve echtgenote, dat geef ik graag toe. Die invloed heeft ze op me, en dat is maar goed ook. Ze vroeg me of ik wel eens had nagedacht hoe het komt dat je steeds vaker leest dat vrouwen beter zijn in werk dat voornamelijk door mannen wordt gedaan. Misschien moeten die vrouwen zich in mannenwereldjes wel voortdurend bewijzen om daar “hun mannetje te staan”.

In het artikel wordt gesproken over de acceptatie van door vrouwen geschreven code, door mannen. Die acceptatie was hoger als die mannen niet wisten dat de code geschreven was door een vrouw. Dat gegeven alleen al vind ik schokkend. Blijkbaar kun je de kwaliteit van geleverd werk niet objectief beoordelen als je over informatie beschikt over het geslacht van persoon die het werk heeft gedaan. “Welkom in mijn wereld”, aldus mijn vrouw. Zij is een vrouwelijke astronoom…

Een programmeuse moet blijkbaar dus én beter haar best doen om zich in het overwegend mannelijke programmeurswereldje staande te houden, én hun sekse verbergen voor een objectieve beoordeling. Het woord “programmeuse” is misschien ook wel seksistisch en zouden we dus beter niet moeten gebruiken, maar dan moeten we ook af van “verpleegster”, “lerares” en “secretaresse”. Daarmee verbergen we de sekse van de uitvoerder van het beroep zodat beoordelingen objectiever worden. Het is triest dat zoiets blijkbaar nodig is om echte gelijkwaardige beoordeling van vrouwen en mannen te bewerkstelligen.

Misschien begeef ik me hier op nóg gladder ijs, maar zou het omgekeerde ook gebeuren bij mannen die een beroep hebben gekozen dat voornamelijk door vrouwen wordt beoefend? Wordt het werk dat wordt geleverd door een mannelijke secretaresse, of een mannelijke pedagogische kinderdagverblijfmedewerker (om maar gelijk een heel beladen beroepskeuze voor een man te nemen) , ook subjectief beoordeeld door vrouwen als deze weten dat het werk is gedaan door een man?

Moeten de mannen die in een vrouwenwereld werken zich ook voortdurend bewijzen om “hun vrouwtje te staan”? In dat licht ben ik nu ook wel erg nieuwsgierig naar hoe de programmeuse doorgaans de code van een collega accepteert. Ergens hoop (of verwacht?) ik dat ze hoofdschuddend feilloos het geslacht van de programmeur kunnen aflezen uit de code, maar desondanks in staat zijn om objectief te beoordelen.

 

Advertenties

Hoe bestaat ‘t!?

Heb jij dat ook wel eens dat je je plotseling overweldigd voelt door de wereld? Het overkomt me bovendien steeds vaker. Ineens krijg ik dan een overweldigend besef van de gigantische omvang en complexiteit van het universum. Hoe bestaat ‘t!? – denk ik dan ineens. Hoe bestaat ’t dat ik met enorme snelheid door het heelal suis (draaiend om een gigantische vuurbol die zelf ook door het heelal suist) op het o zo dunne korstje van een klodder gloeiende magma. Belachelijk!

Maar ook in mijn eigen kennisgebied loop ik tegen wonderen aan. Hoe bestaat ’t bijvoorbeeld dat ik via een klein plat kastje een gesprek met iemand kan voeren die zich aan de andere kant van het land (of zelfs aan de andere kant van deze planeet) bevindt terwijl ik mijzelf laat verplaatsen in een zich over lange stroken ijzer voortbewegend voertuig. Het is eigenlijk niet te bevatten als je er te lang over na denkt.

Zo’n plat kastje dat zo’n gesprek mogelijk maakt is trouwens zo ongelooflijk complex dat het onmogelijk is om zoiets helemaal zelf, vanaf scratch, te maken. Iemand heeft wel eens geprobeerd om zelf vanaf scratch een broodrooster te maken, maar kwam er achter dat zelfs een basismateriaal zoals plaatstaal heel erg moeilijk zelf, vanaf de grondstoffen te maken is. Hij ging naar een ijzermijn om zelf ijzererts te winnen. Uiteindelijk lukte het hem om een stuk plaatstaal te maken, maar het kostte hem maanden. Het lukte hem om een broodrooster te maken dat er zo uit zag:

home-made_toaster

Vergeleken met een broodrooster is een smartphone oneindig veel ingewikkelder. Er is geen enkele mens op de aarde die het gehele proces van het winnen van de grondstoffen tot en met het assembleren van de onderdelen zelfstandig, zonder hulp en kennis van anderen, zou kunnen uitvoeren. Onmogelijk. Waarschijnlijk geldt dat voor de meeste dingen uit ons dagelijkse leven. Kijk maar eens om je heen en vraag je dan af of er iets bij zit wat jij zelf, vanaf scratch, zou kunnen namaken. Wedden dat jij dan ook denkt: Hoe bestaat ‘t?!

Een échte smartfoon

Het moet niet gekker worden: een telefoon met een hartslagsensor. Maar in 1992 vond ik een telefoon waarmee je kon e-mailen ook belachelijk, laat staan eentje dat kan fotograferen en je foto’s automatisch op het internet zet. Toch verzend ik nu minstens 5 e-mails per dag met mijn telefoon en plaats ik natuurlijk dagelijks bloto’s van mezelf in de cloud. En de typefouten in mijn e-mailtjes neemt men maar gewoon voor lief, want dat komt door het priegelige toetsenbordje en mijn te grote handen.

Mijn huidige telefoon is een ding dat nog redelijk in de broekzak van mien spiekerboksem (spijkerbroek, voor de niet-Grunningers) past. Daar zocht ik hem min of meer op uit. Maar voor mijn handen is ‘ie eigenlijk te klein. En na bijna 3 jaar wil z’n accu ook niet meer. Hij moet bij veel telefoneren al halverwege de dag weer aan de lader. Dus ik bestelde argeloos een nieuwe (van de zaak), zonder op de specs te letten: als ‘ie maar groot is en geen iphone is.

En dan lees ik dus net dat het ding een hartslagsensor heeft. Wat kan ik daarmee? Is het om te meten dat ik nog leef? Zodat het automatisch 112 belt als ik lig te sterven? Of is het om te meten wat mijn staat van opwinding is? En hoe weet het dan het verschil tussen boos en hitsig? Misschien heb ik dan nu wel een échte smartfoon, die aan mijn hartslag kan detecteren of ik weemoedig ben, zodat het in een geduldige luisterstand gaat en ik al mijn ellende eraan vertrouwen kan. Wauw, dat moet het zijn. Over 5 jaar vind ik dat vast ook net zo normaal als e-mailen met een telefoon.

Smartkid

Waarschuwing: dit verhaal heeft een hoog IT-nerd-gehalte. Je kan nu nog stoppen met lezen!

Wij zijn een door en door beta-familie, dus leerden wij onze zoon, tijdens de zomervakantie vorig jaar (in Zweden, waar anders?), de grondbeginselen van het programmeren. Maar wij hadden natuurlijk geen laptops of zo mee, want zo geeky zijn we dan ook weer niet, dus ging het op ouderwets papier. Ik schreef even een sterk versimpelde versie van de programmeertaal java op, en gaf hem allerlei steeds moeilijker wordende oefeningen die hij op papier kon uitwerken. Hij vond het geweldig en pikte het razendsnel op.  

Nerd junior was ook jarig in de vakantie en hij kreeg tot zijn grote verbazing een heuse smart phone. “Kan ik dan straks mijn eigen apps programmeren, Papa?”, vroeg hij meteen. En tijdens de rest van de vakantie kwamen er talloze prachtige ideeën voor apps, waaronder eentje waarmee hij digitaal kon turven hoeveel Nederlandse auto’s hij zag in Zweden.

Na de vakantie wilde hij natuurlijk meteen in ’t echt programmeren en dan ook gelijk maar apps voor zijn telefoon. Dit vond ik alleen nog een behoorlijke brug te ver, maar ik maakte wel een account voor hem aan op Scratch. Dit is speciaal voor leerlingen van groep 8 ontwikkeld. Het programma moet je vrij letterlijk tekenen en bij elkaar slepen. Hieronder zie je hoe een stukje scratch-programma eruit ziet. 

Na een jaartje scratchen is mijn bolleboosje er aardig op uitgekeken en wilde hij nu toch echt eindelijk eens een app kunnen maken. Dus Papa Nerd ging weer eens rondgooglen en stuitte op Android Script. Hiermee kun je je apps “gewoon” met je telefoon zelf programmeren in javascript. De app stelt je zelfs in staat om vanaf een laptop die via wifi in verbinding staat met je telefoon, de programmaatjes te typen, testen en debuggen op een groter scherm. Helemaal top natuurlijk. Dit heeft hij nu een kleine maand op zijn telefoon, en meneer heeft zijn eerste app al gemaakt: een appje waarmee hij straks in de zomervakantie de tegengekomen Nederlandse auto’s kan tellen. Ik bedoel maar. Wat een heerlijke smartkid. Niet dat ik trots ben of zo, helemaal niet…

De Klaut

Vanochtend op de radio kwam een reklamespotje (Exact) voorbij waarin ondernemers heel vanzelfsprekend werden aangemoedigd om ook te komen ondernemen in “de klaut”. Ik weet natuurlijk heel goed wat ze bedoelen, en er bekroop me een zeker gevoel van gene. Ik praat zelf ook al jaren mee over “de klaut” en zie er de voordelen op zich heel goed van in. Toch kijk ik zo onschuldig mogelijk als mensen mij vragen wat het inhoudt. Zo van: “ík heb het niet bedacht hoor”.

In het reklamespotje spraken ze “cloud” ook echt uit als “klaut”. Je moet natuurlijk “klaaaauwd” zeggen. Wellicht komt daar mijn gene ook een beetje vandaan. Alsof ik medeverantwoordelijk ben voor een stukje taalvervuiling. De ICT heeft onze taal in de loop der jaren al “verrijkt” met woorden zoals: backuppen, gamen, hacken, e-mailen, hyperlink en laptop. We hebben het ook allemaal heel vanzelfsprekend over e-readers en tablets. Dus daar kan “cloud” ook nog wel bij.

Het zou zelfs kunnen dat ik (in 1996 al) de basis van datgene wat we nu cloud noemen, wél heb bedacht. Toen besefte ik niet wat ik anno nu zou aanrichten. Ook daar kan mijn gene nog vandaan komen. Ik noemde het toen trouwens een “verspreid opslagsysteem”. Zeg nou zelf: “ondernemen in een verspreid opslagsysteem” klinkt toch veeeeel beter?… Zucht.

Infologie

Als iemand, bijvoorbeeld op een nieuwjaarsborrel, mij vraagt wat voor werk ik doe, dan zal ik argeloos antwoorden met: “ik zit in de ICT”. Daarmee doe ik bij volle bewustzijn gruwelijk afbreuk aan mijn beroep. Een vak waarvoor ik jaren heb gestudeerd en intussen al zo’n 20 jaar doe. 

Ik had ook “ik ben informaticus” kunnen zeggen, maar iets weerhoudt mij. Misschien is het bescheidenheid, maar waarschijnlijk is het gelatenheid. Gelatenheid over het feit dat aan informatica het stigma kleeft van brildragende bleekneuzen met vierkante ogen. Dus zeg ik altijd maar gelaten dat ik in de ICT zit.

Een meubelmaker zal niet zeggen: “ik zit in de meubelmakerij”. Nee, hij zal trots zeggen dat hij meubelmaker is. En daarop volgt een leuk gesprek over meubels en materialen. Mensen hebben een soort zwak voor ambachtelijke beroepen (ikzelf ook), dus daar kan ik niet tegenop. Mijn beroep is niet ambachtelijk, dus als ik zeg: “ik ben ICT-er”, krijg ik daarop vrijwel altijd een reactie zoals: “o, dan weet je vast veel van computers”,  waarop met een snelle blik de bleekheid van mijn neus wordt geverifieerd en het gesprek stopt. Mijn vak spreekt niet tot de verbeelding.

Informatici kunnen buiten hun vakgebied eigenlijk nauwelijks befaamd worden. Natuurkundigen wel. Denk aan Wilhelm Röntgen, Albert Einstein en Niels Bohr) Misschien zit ’t hem dus in “kundige”. Informatiekunde is volgens mij wel een tijdje in zwang geweest, maar heeft het blijkbaar niet overleefd. Niemand bezigt die benaming.

In beroepen die eindigen op “loog”, vind je ook vele beroemdheden. Zoals bioloog (Charles Darwin), archeoloog (Howard Carter), paleontoloog (Mary Anning) en psycholoog (Sigmund Freud).  Misschien helpt het daarom om het vak “informatica” voortaan “infologie” te noemen. Wie er in is afgestudeerd mag zich dan “infoloog” noemen. In het Engels wordt het dan helemaal sexy: infologist.

Ik zie het al voor me:
“Wat doe je voor werk?”
“Ik ben infoloog!”
“O? Wat interessant, daar heb ik nog nooit van gehoord. Wat doe je dan precies als infoloog?”
“Ik breng momenteel de infologie van de energiewereld, nou ja, een deel daarvan, in kaart zodat er een beter inzicht ontstaat in de de dynamiek van algehele infonomie en van de infotopen binnen die wereld.”
“Jeetje, wat gaaf zeg! Dat klinkt erg spannend. Wat ontdek je zoal?”
“Nou, onlangs heb ik binnen zo’n infotoop toevallig een tot nog toe onbekend infonisme ontdekt!”
“Serieus? Gefeliciteerd! Een infonisme, zei je? Eh.. ”
“Infonismen komen voort uit onzuivere algoritmen, en zijn beter bekend als ‘bugs’
“Ah, dus infologen speuren naar bugs?”
“Ach, in het begin van je carrière wel. Mijn ontdekking van laatst was louter toevallig. Ik hou me nu vooral bezig met beleid en strategie ter voorkoming van onzuivere algoritmen binnen de infotopen”

Je begrijpt het, ik verheug me op de komende nieuwjaarsborrels.

120 MB internet? Lariekoek!

Autofabrikanten die graag hun (zogenaamd) zuinige auto’s verkopen, hebben het over het aantal kilometers dat je kunt rijden op 1 liter brandstof. En als je graag een snelle auto wilt kopen, dan krijg je de verleidelijke accelleratiecijfers voorgeschoteld: van 0 tot 100 km/uur in 6 seconden. Ook al word je bedrogen, in ieder geval weet je, als beoogde koper van een auto, wat de mooie cijfers betekenen. Of in ieder geval wat de cijfers je beloven, hoe misleidend ze ook zijn. 

Maar nu zag ik net een reklamespotje – o nee, dat heet tegenwoordig TV commercial (in ’t Engels klinkt het minder erg) – van UPC. Die hebben het over hun snelle internet. Wel 120 MB! Wat een onzin! Wat betekent het? Het is niet alleen misleidend, maar ook onvolledig. Ik koop toch ook geen auto met wel 120 KM? 

Het is misleidend vanwege de afkorting ‘MB’. En het is onvolledig vanwege het weglaten van ‘per seconde’. Wat ze bedoelen is dat een downloadsnelheid van 120 Megabits per seconde mogelijk is. Dus onder ideale omstandigheden zou je in 1 seconde in één keer 125829120 bits (120 x 1024 x 1024) kunnen ophalen van het internet. Om op een getal uit te komen waar je als consument iets meer aan hebt, moet je de 120 even delen door 8. Dat is namelijk het aantal bitjes dat past in een byte. Consumenten denken namelijk eerder in bytes dan in bits. Dan belooft UPC je dus eigenlijk 15 Megabytes (wat MB wél betekent) per seconde. O nee, dat het per seconde is, zeggen ze er niet bij, want dat weet toch iedereen. Wist jij het?

En wat weet je dan als je weet dat jouw internetverbinding een downloadsnelheid heeft van 15 MB per seconde? Nee, dan ben je eigenlijk nog niks wijzer. Weet je dan of al je gezinsleden tegelijkertijd, ieder een verschillende HD-kwaliteit film kunnen streamen (dat is downloaden en tegelijkertijd afspelen) naar hun schermpjes? En weet je dan ook hoe ideaal jouw verbinding met dat internet is, en hoe betrouwbaar die verbinding is?. Dat blijkt meestal vies tegen te vallen. Met die belofte van 120MB weet je niks. Alleen dat het lariekoek is.