Toen

Schoolpleinmijmeringen

Mijn ouderlijk huis stond praktisch naast het schoolplein. Als de schoolbel ging, rende ik vaak de deur pas uit. Het was fijn om zo dicht bij school te wonen. En handig ook. Mijn moeder werkte niet, dus ook geen gedoe met na- en buitenschoolse opvang en zo. Ik vraag me af of dat in die tijd (1975-1982) überhaupt bestond. Misschien had je toen al wel crèches, maar daar had ik geen weet van.

Vanochtend bracht ik mijn superslimme zoontje met de auto naar school. Zijn schoolplein ligt op zo’n 25 kilometer van zijn ouderlijk huis. Niet naast de deur dus. Voor mij was dat eigenlijk altijd een belangrijk criterium, maar passend onderwijs is niet altijd helemaal passend. In het geval van mijn slimme ventje, bleek de school om de hoek dit passende onderwijs totaal niet te kunnen bieden. Hij is gewoon te bijzonder.

Op zijn huidige school heeft hij zijn draai gelukkig wel gevonden. Ik breng hem regelmatig. Bij de kiss & ride strook stromen de meeste kinderen vanzelf naar het schoolplein. De chauffeurs mogen meteen doorrijden naar hun werk. Ik doe dat niet. Dat kan nog niet. Ieder afscheid van mij (en ook zijn moeder, weet ik) is heel moeilijk voor mijn bijzondere ventje. Dat heeft allemaal te maken met de scheiding van zijn moeder en mij.

Dus ik loop altijd mee naar het schoolplein. Dan wachten we samen tot de bel gaat. Ik moet van hem wachten tot hij met zijn klasje naar binnen is gedruppeld. Als hij zijn jas en tas aan de kapstok heeft gehangen komt hij nog een allerlaatste dikke knuffel en kus halen voor ik weg mag. Soms ziet hij me dan pas weer over 3 dagen. Heel flink zegt hij dan “Tot gauw Papa”. En als ik nog even bij het raam van zijn klas heb gezwaaid, zijn we pas weer los van elkaar.

Voor mij is het ook iedere keer weer heel moeilijk, merk ik. Ik blijf vaak als enige ouder op het schoolplein achter. Voor die allerlaatste knuffel en kus. Dan sta ik diep te mijmeren over hoe eenvoudig en zorgeloos mijn eigen jeugd eigenlijk was. Ik had alleen maar last van een chronisch gebrek aan vader. Die zat vast in zichzelf. Net als ik zelf, een tijdje geleden. Die cirkel is hopelijk voorgoed doorbroken. En hopelijk ben ik zelf genoeg vader voor mijn vier schatten.

Advertenties

De weide

Tijdens een lange wandeling met een goede vriend hoorde ik mezelf zeggen dat ik nog lang niet uitgekeken ben op de weide waarin ik rond huppel, omdat ik nog lang niet aan alle bloemen had gesnuffeld. De weide stond in die zin voor het werk dat ik momenteel doe. Ik put er ontzettend veel levensplezier uit, en dat kan ik nog heel lang doen. Het is een uitgestrekte weide. Het reikt tot aan de horizon.

Ooit waren de goede vriend en ik collega’s. We konden het van meet af aan goed vinden met elkaar. We hebben hetzelfde gevoel voor humor. Zoiets schept meteen een band. Nu hebben we het type vriendschap waarin je elkaar soms jaren niet ziet, maar elkaar niet vergeet.

En omdat we elkaar niet uit het oog waren verloren, dwaalden we samen door het bos. Ons gesprek dwaalde ook alle kanten op. Het ging dan weer over toen, dan weer over nu. Toen waren we naïef en gelukkig. Nu waren we veel wijzer. Toen waren we collega’s. Nu zijn we lotgenoten.

Lotgenoten. Twee mannen met een gebroken hart. Om verschillende redenen, maar dat maakt niet uit. We zijn allebei uit een diepe put geklommen. We konden elkaar steunen. We konden ontboezemen. Het is fijn om ellende te delen met iemand voor wie dat heel erg herkenbaar en invoelbaar is.

We spraken over nieuwe inzichten in onszelf. Mijn bloemenweide die nog vol door mij onbesnuffelde bloemen staat, is zo’n inzicht. Mijn dwaalgenoot snapte precies wat ik bedoelde en zag zichzelf al vrolijk door zo’n weide huppelen. Hij zit momenteel zonder werk, maar vast niet voor lang. Hij ging mijn mooie zin onthouden, zei hij. Jij vindt weer een bloemenweide waar je vol passie doorheen kan huppelen, beloofde ik hem. Ik beloofde mijn ogen en oren voor hem open te houden.

We hadden het over geluk en liefde. Over warmte en genegenheid. Over hoe het ons daarin nu ontbrak. We waren heel open over hoe onbezonnen we in onze op de klippen gelopen liefdes waren gedoken. Misschien hadden we meer moeten scharrelen. We hadden er beter aan gedaan om eerst ook wat andere bloemen te besnuffelen. Maar we waren te onzeker. Te verlegen en te afwachtend. De bloemen werden vanaf een afstandje door ons bewonderd. Heimelijke liefdes die nooit opbloeiden.

Maar we spraken ook over hoop. Over toekomstige liefde. De weide staat vol bloemen. Kijk maar eens om je heen. Ik ga weer genegenheid en geborgenheid voelen, voorspelde hij. Hij raakte mijn gevoeligste snaar en ik werd er stil van. “Je hoeft je er alleen maar voor open te stellen”, zei hij. Eigenlijk geloof ik niet dat ik dat ooit weer kan. Bloemen zijn allemaal giftig. Dus ik laat het snuffelen en hou het voorlopig maar bij huppelen.

Familieband

Het moment van mijn geboorte staat netjes op mijn geboorteakte. Maar ik ontstond al eerder. Een week of 40 eerder, maar preciezer weet ik het niet. Op dat magische moment versmolt een deel van mijn vader zich met een deel van mijn moeder. Zoals dat al miljoenen jaren gaat.

Bij mijn geboorte veranderden twee geliefden in twee ouders. Mijn ouders gingen de opvoeding van mij en mijn zusjes aan met alle liefde die ouders voelen voor een kind. Dat weet ik zeker. Ik heb het zelf gevoeld. Ik weet nu ook dat ze zich daar onzeker in moeten hebben gevoeld, want dat heb ik zelf ook gevoeld bij mijn eigen kinderen. Eigenlijk nog steeds. Ik stel me altijd gerust met de gedachte dat de perfecte ouder niet bestaat. Ouders zijn ook maar gewoon mensen die fouten maken.

Eén van mijn eigen fouten in de manier waarop ik mijn kinderen opvoedde is dat ik ze teveel probeerde te behoeden voor fouten. Ik ben een curling parent. Dus ik kan heel moeilijk loslaten. En in alle waan van de dag en de gejaagdheid die ik daarbij voelde, had ik ook geen tijd voor potentiële fouten van de kinderen. Dus ik deed alles zoveel mogelijk zelf. Wel zo makkelijk, maar helemaal niet goed. Nu weet ik dat.

Gelukkig heb ik een hechte band met mijn kinderen. Ik heb het gevoel dat het nog hechter is geworden sinds ik ben vertrokken. Dat komt niet door mijn vertrek, maar doordat ik heb los gelaten. Ik laat ze veel vrijer dan ik voorheen deed. Ze krijgen het vóórdeel van de twijfel in plaats van het nadeel. Ik merk dat dat veel goeds doet.

De band die ik met mijn eigen ouders heb is trouwens ook aanzienlijk versterkt. Of misschien is die weer op de sterkte die het ooit had. Vooral met mijn Pa, zo noem ik hem nu, is mijn band enorm verbeterd. We hebben het verleden achter ons gelaten en willen allebei het beste maken van onze relatie. Een relatie op basis van wederzijds respect. Een relatie waarin begrip is voor elkaars fouten zonder dat het voelt als falen in de ogen van de ander.

Ik hou van mijn ouders. Een heel warm en sterk gevoel. Ze zijn er voor me. Altijd. Dat gevoel was ik een beetje kwijt, maar heb ik weer helemaal terug gevonden. Uit hun liefde ben ik ontstaan en door hun liefde ben ik groot gebracht. De kracht van de band tussen mij en mijn ouders (en mijn lieve zusjes) geeft mij zelf kracht. Kracht waaruit ik heb geput om mezelf ook weer terug te vinden.

 

 

 

Pfrommer, Westerdoksdijk, 1990

Flink had ik mij opgegeven voor een stage in Amsterdam. Het was in het 3e jaar van mijn opleiding tot beroeps-nerd. Ik woonde toen nog bij mijn ouders, in Hoogezand. De stage-opdracht sprak me aan en het betaalde ook best goed. Dus ik moest op zoek naar een kamertje in Mokum.

Gek genoeg kan ik me niet meer precies herinneren hoe ik dat deed. Ik had geloof ik wat advertenties uit de krant en die ging ik op een dag, samen met mijn moeder, eens bekijken. Er staan me nog vaag wat hokkige ruimten bij waar asociaal veel huur voor werd gevraagd. De allerlaatste kamer die we bekeken was bij een hospes aan de Westerdoksdijk, prachtig centraal.

Het was een oude baas die nu beslist niet meer leeft. Hij stelde zich voor als Meneer Pfrommer, volgens hem zelf was hij een verre oom van Leen, de schaatscoach. Hij zelf was gepensioneerd, en had jaren bij de rederijen gewerkt. Mijn moeder zag hij aan voor mijn vriendin, wat ik hem nu inmiddels wel vergeven kan.

Meneer Pfrommer had een piepklein kamertje voor me (als ik me niet vergis, in het gebouw op de foto hierboven, het lijkt er in ieder geval veel op). Er paste precies een bed in en een kast. En ik had uitzicht over de Wester-dok. Hij vroeg nog geen 200 gulden per maand, inclusief ontbijt en avond-eten. De keuze was snel gemaakt. En zo kwam het dat ik een half jaar lang, iedere zondagavond met een tas vol schone, en iedere vrijdagavond, met een tas vol vuile kleren per trein tussen Hoogezand en Mokum reisde.

Meneer Pfrommer was een spichtig, oud en eenzaam mannetje. Daar kwam ik al vrij snel achter. Hij woonde alleen, met een stokoude, dikke kat die net zo chagrijnig was als zijn baas. Mijn gezelschap werd dan vervloekt, dan bejubeld, afhankelijk van zijn stemming. Als ik op zondag-avond weer aankwam uit Hoogezand, zat hij al licht beschonken voor zijn oude TV. “O, ben je daar toch weer”, was meestal zijn reactie. En op vrijdag-ochtend was hij altijd heel vrolijk, want dan wist hij dat hij 3 dagen van me af was. Ik nam op vrijdag altijd mijn vuile klere-tas mee naar mijn stageplaats en ging van daar direct naar de trein.

Het was eigenlijk maar een korte periode uit mijn leven. Een klein half jaar. Een handje vol maanden eigenlijk maar. Toch voelde het als een enorm lange periode. Ik herinner me een eindeloze tijd van reizen tussen Amsterdam en het hoge Noorden. Alsof ik alleen maar in de trein leefde. Ik leefde uit mijn weekend-tas.

Heel sterk herinner ik me nog hoe ik me voelde toen ik voor het eerst, alleen, naar Amsterdam trok, met mijn tas en mijn fiets. En dat het huilen me nader stond dan het lachen toen ik de tas op het bed zette, en naar buiten staarde door mijn kleine raampje, over de Westerdok. Wat was ik ontzettend ver van mijn veilige nest, en waar was ik nu toch naartoe gefladderd. Een duik in een onmetelijke, zwarte diepte.

Natuurlijk kwam ik die heimwee snel te boven en fietste ik binnen een week als volleerd Amsterdammer over de bruggen en straten van het prachtige Amsterdam van 1990. Elke werkdag fietste ik van de Westerdoksdijk naar een prachtig pand aan de Keizersgracht, niet ver van de Westerkerk. En ’s avonds stond er een pan eten op tafel bij Meneer Pfrommer. Meestal niet erg lekker, behalve zijn vissoep. Hij maakte zelfs een keer kalfshersenen klaar. Vast om me weg te krijgen.

Het afscheid van meneer Pfrommer na mijn allerlaatste weekje in Mokum is me nog het meest bijgebleven. Hij heeft me dansend met de fles in de hand, jubelend uitgezwaaid: “Tot nooit weer ziens!”, riep hij. Ik moest er hartelijk om lachen, want ik was ontzettend blij dat ik voor de aller-allerlaatste keer in mijn leven de trein terug nam naar mijn fijne hoge Noorden. Ach, en 8 jaar later trouwde ik met een astronome die ik volgde naar München, Baltimore en weer terug naar Nederland. Dat had ik natuurlijk nooit kunnen opbrengen zonder mijn eerste grote duik in het diepe.

Simon Stevin

Simon Stevin was een Vlaamse natuurkundige, wiskundige en ingenieur. Hij bedacht het decimale breukenstelsel maar ook hoe je vestingen met behulp van toegepaste wiskunde sterker kon maken (De Stercktenbouwing, 1594).

Aan deze man zou het Klokhuis nou eens een aflevering aan moeten wijden. Daar kijkt mijn hele gezin namelijk gretig naar. Dankzij TV-gemist kun je in het weekend een Klokhuismarathon houden, dus wij missen maar weinig afleveringen. Bij mijn weten is Simon Stevin (1548 – 1620) nog niet aan bod geweest.

Het zou heel goed passen in de serie over de Nederlandse geschiedenis, want hij was een belangrijke grondlegger van het wetenschappelijke en technische Nederlands. Dankzij Stevin hebben we Nederlandse woorden voor Grieks-Latijnse termen, zoals bijvoorbeeld wiskunde (mathematica), scheikunde (chemie), loodrecht (perpendiculair), middellijn (diameter), rede (ration) en het prachtige “wijsbegeerte” (filosofie).

Stevin was een taalpurist en geloofde zelfs dat Adam en Eva Nederlands moeten hebben gesproken, omdat het een oertaal is met de meeste korte woorden die makkelijk samenstellingen vormen.

In Uytspraeck vande Weerdicheyt der Duytsche Tael, een onderdeel van de Weeghconst, benadrukte hij het belang van de taal waarin wetenschap wordt beoefend. Hij beweerde namelijk dat het Nederlands met zijn eenlettergrepige woorden beter geschikt is voor kennisoverdracht”. 

(bron: wikipedia)

Zou hij talen daadwerkelijk met elkaar hebben vergeleken op aantallen korte woorden? Klinkt absurd en onlogisch, maar Stevin geloofde dit. Stevin was verder een uiterst rationeel mens. Hij geloofde dat alles een logische verklaring heeft: Wonder en is gheen wonder. Vanuit dit motto heeft hij briljante bijdragen aan de wetenschap geleverd. De leukste vind ik zijn Clootcransbewijs (uit De Beghinselen der Weeghconst), waarin hij vanuit het ongerijmde (=absurditeit) de volgende stelling bewijst: 

Twee voorwerpen op een hellend vlak houden elkaar in evenwicht als hun gewichten zich verhouden als de lengte van de vlakken.

Het bewijs gaat als volgt:

  • Stel er is een driehoek met twee niet-gelijke hellingen.
  • We hangen om deze driehoek een kralensnoer (clootcrans) met gelijke kralen op gelijke afstanden.
  • Stel dat het koord gewichtsloos is en alles wrijvingsloos kan bewegen.
  • Het aantal kralen op de linker helling is kleiner dan die op de rechter helling.
  • Als de krachten zich NIET verhouden als de lengte van de helling dan is de kralenketting niet in evenwicht.
  • Het kralensnoer zal gaan bewegen… ófwel linksom, ófwel rechtsom.
  • “De cloten sullen uyt haer selven een eeuwich roersel maken, ’t welck valsch is”.

Stevin gaat er van uit dat iedereen inziet dat zo’n perpetuum mobile niet kán bestaan, en de enig overblijvende mogelijkheid is dus dat de stelling juist is: dat de effectieve kracht van de kralen op de hellingen zich moeten verhouden als de lengte van de (tegenoverliggende) hellingen.

(bron: wikipedia)

“De cloten sullen uyt haer selven een eeuwich roersel maken, ’t welck valsch is”, dat is toch smullen. Simon Stevin is mijn nieuwe Held. Hij heeft heel veel betekend voor de wetenschap en onze geschiedenis. Dus, Klokhuisredactie, op naar Brugge. Zijn standbeeld in Brugge (zijn geboorteplaats) is volkomen terecht. Als ik eens in de buurt ben, zal ik een clootcransje aan zijn bronzen voeten leggen.

Der Klempner

(bron foto: wikipedia)

Giet een loodgieter eigenlijk nog lood vandaag de dag? Vroeger gebruikte de loodgieter lood om leidingen waterdicht te maken. Tegenwoordig doen ze dat niet meer volgens mij. Rioolpijpen zijn tegenwoordig van kunststof en de koperen waterleidingen knel je eenvoudig aan elkaar. Loodgieten heeft niks meer met lood te maken, net zomin als het Engelse plumbing nog met plumb te maken heeft.

De Duitse vertaling voor loodgieter is Klempner. Oh, spreek het maar eens uit in je beste Derrick-imitatie: KlemPneRRR (articuleer die hoofdletters!). Duitser dan dat kom je niet tegen. Ik vind het een schitterend woord. Het is waarschijnlijk een verbastering van de oudere woorden Klemperer en Klamperer.

Een Klemperer was een plaatbewerker, een plaatslager. Het is het geluid van een hamer op een metaalplaat: klemp klemp klemp!  En een Klamperer was iemand die niets anders deed dan klammern: verbinden. Nieten in het Duits is trouwens ook klammern. Klammern klink degelijk, definitief. Iets dat festgeklammert is gaat nooit meer los.

Duitsers en hun Grundigkeit. Bij ons kwam de altijd goed geluimde loodgieter met zijn kannetje gesmolten lood om je leidingen waterdicht te smeden. Dat ging van een kloddertje lood hier, een kloddertje lood daar (bij wijze van hè). In Duitsland kreeg je een nors kijkende beul die je leidingen aan elkaar beukte met zijn Klemphammer. En dat ging van klemp klemp klemp! Van schrik zwoeren die pijpen voor eeuwig waterdicht te blijven.  

Voor altijd

We hadden het hele eind naar het grote veld in het park gehold. Mijn boezemvriend met de afgetrapte, leren voetbal onder zijn arm. Het was voorjaar. Alles geurde er naar. Vanuit de blauwe hemel lachtte de zon puur geluk naar ons toe. Twee jonge honden die barstten van de levensenergie. Als dollen renden we achter elkaar aan. Probeerden de bal van elkaar af te pakken. We hadden geen remmen, want wat heb je daar nou aan op die leeftijd?

Hijgend ploften we languit op onze rug neer op het verende mos- en grastapijt onder “onze” boom en staarden omhoog naar de lentegroene pracht boven ons. We zwegen in koor. Alles om ons heen gonsde van leven. Als je je blik in de verte hield vermengden de kleuren van de jonge bladeren zich met het blauw van de lucht. Het voelde alsof we konden opstijgen. Licht in ons hoofd van al dit pure geluk. “Weet je?”, vroeg mijn boezemvriend. “Ja”, zei ik, “we blijven hier voor altijd liggen”. 

Eén tel terug in de tijd

Ken je dat gevoel waarbij je heel eventjes het gevoel krijgt dat je ooit had bij een ervaring uit het verleden? Het flitst door je heen. De echo van een emotie uit je verleden. Het duurt maar heel kort. Veel te kort, want eigenlijk zou je dat gevoel even willen vasthouden om je er in om te wentelen, om de geluiden, beelden en geuren die er bij horen, op te rakelen in je geheugen.

Vanochtend had ik het weer. Ik bracht mijn kinderen naar school en ik wachtte nog even tot de schoolbel ging. De zon scheen en de kinderen speelden schoolpleinspelletjes. Ze hebben nauwelijks zorgen. Waar ze zich druk over maken is de hoeveelheid dagen die ze nog moeten aftellen tot de zomervakantie. Voor hen is dat nog een eindeloze tijd.

Terwijl ik me dat bedacht voelde ik ineens dat gevoel van toen ik zelf als jongetje op het schoolplein liep. In een flits voelde ik de zonnestralen van toen tegen mijn gezicht. Ik voelde eventjes de zwaarte van mijn benen van toen. Ik voelde weer eventjes die moedeloosheid over die eindeloze periode die ik nog door moest zien te komen voor het ein-de-luk vakantie was. Het duurde maar een tel, langer kreeg ik het niet gerekt. Eén tel terug in de tijd.

Met de driewieler langs de Diamantlaan

Ik ben op ontdekkingstocht, op mijn driewieler. Hoe die driewieler er precies uitziet heb ik geen idee van. Ik neem ook maar aan dat het een driewieler is. De wereld is primair gekleurd: groen, hemelsblauw en goud-geel. Ik rij langs een smal strookje gras dat naast een hoge muur ligt. De muur is zo hoog dat het tegen de lucht aan komt. Ik voel me intens gelukkig. Mama loopt naast me geloof ik, maar dat denk ik omdat ik aanneem dat ik hier niet alleen mag zijn. De wereld is schitterend. 

Dat is hoe ik me dit blije moment herinner. Meer dan dit weet ik niet. Het is mijn eerste herinnering. Vage beelden en een nog heel sterk gevoel van geluk en verwondering. Het kan niet anders dan dat ik me een moment herinner van toen ik nog alleen met mijn papa en mama in een flat aan de Diamantlaan woonde, in Groningen. Ergens tussen 1971 en 1973. Ik was toen 2 jaar oud, misschien bijna 3. Ik weet het niet precies. 

Ze zeggen dat je je niets meer zou moeten kunnen herinneren uit je peutertijd. Nou ja, het is ook praktisch niets. Er zitten ook veel aannames en logische conclusies in om de vage beelden aan te vullen. Toch is het een heel levendige herinnering die me nog altijd doet glimlachen.

Breek de sleur en doe alsof je neus breekt

De meeste momenten van je leven gaan aan je voorbij en laten geen blijvende indruk achter. Er kunnen dagen voorbij gaan zonder dat er iets gebeurt dat je voor de rest van je leven zult onthouden. Toch zal ook niemand al die memorabele momenten zo kunnen oplepelen. Het is meer zo dat ze soms ineens naar boven komen dobberen. Ze zitten nooit heel diep, een paar meter onder de oppervlakte van de drukke vaarroute van je bewuste denken.

Vooral je neus is er erg goed in om bij het ruiken van een bepaald luchtje ineens zo’n boei naar boven te laten schieten. Dan zit je zomaar ineens te mijmeren over toen. Als ik die muffe geur van een kelder vermengd met de geur van mengsmeerbenzine ruik bijvoorbeeld, dan dobbert ineens de oude brommer van mijn opa naar boven. Daarmee tufte hij met oma achterop door heel Noord-Nederland. Die brommer stond in de kelder van de flat waar hij samen met mijn oma woonde, aan de Antaresstraat in Groningen. Onder het kelderraam stond een werkbank met een oude radio erop. Daar kon mijn opa alles repareren. De oude brommer werd daar met pure liefde in tiptop-conditie gehouden. Ik kwam graag in die kelder. Het rook daar naar mijn beste vriend. Mijn opa. Ik heb zoveel van hem geleerd.

Laatst liet mijn neus een hele verrassende herinnering naar boven schieten, maar niet door het ruiken van iets. Ik kon helemaal niks ruiken, want ik was snip- en snipverkouden. Nee, het kwam door een krakend geluid dat ik hoorde toen ik na het snuiten van mijn neus mijn neus schoon wreef met de zakdoek. Ik had mijn leeggesnoten en gigantisch kriebelige neus nog in de zakdoek, dichtgeknepen tussen mijn handen. Om mijn neus te ontkriebelen wrikte ik het eens een beetje heen en weer tussen mijn handen. Mijn neus kraakte zo hard dat ik meteen in de spiegel ging kijken of ik het per ongeluk had gebroken. Het deed tussen mijn oren alvast pijn, maar dat bleek valse pijn. Mijn neus was wel rood maar stond nog keurig recht. Het was gewoon mijn snot dat in mijn neusholtes sopte, kwam ik voorzichtig experimenterend achter.

En toen ik mezelf zo in de spiegel zag moest ik ineens lachen. Ik zag ineens dat gesmoorde gezicht van een oude studievriend voor me. In een vreselijk saai college over discrete wiskunde, waarin de oude professor zijn monotone les afdreunde terwijl hij zonder te kijken het hele bord vol tikte met zijn krijtje, werd ik steeds gezapiger en dus meliger. De tijd kroop tergend langzaam voorbij. De professor dreunde maar door en dreunde maar door. Het leek wel of ik hier al de hele dag zat en dat die dag nooit voorbij wilde gaan. Tijd voor wat ongein om die breindodende eentonigheid, die verdovende sleur, te breken.

Dus ik stopte een pepermuntje in mijn mond en draaide me om naar die studiemaat die in de bank achter me zat. Hij keek me meewarig aan. Ook hij zat af te zien. Toen beet ik het pepermuntje door en draaide tegelijkertijd aan mijn neus. Nooit meer vergeet ik die kop van hem toen. De tranen schoten uit zijn ogen. Het lukte hem nauwelijks om zijn lachen te smoren. Steeds als ik weer achterom keek, begon hij weer te schuddebuiken. Schitterend. Na het college kon hij zich eindelijk laten gaan. Ik weet niet meer precies wat ‘ie toen zei, maar het was zoiets als “Lul! Wil je dat nooit meer doen!”, maar hij lachte er wel bij. En dat truukje met dat pepermuntje, dat heb ik dus van m’n opa geleerd.

Powered by ScribeFire.