Verhaal

Gewoon overnieuw

Sinds ik geen curling vader meer wil zijn die zijn kinderen nogal dwangmatig wilde behoeden voor fouten die hij zelf wel aan de lopende band maakte, ga ik met mijn kinderen in gesprek. Zo kreeg ik een gesprek met mijn jongste zoon over zijn netflixgebruik na klachten van de andere kinderen over mijn trage internetverbinding. Nu is mijn internetband ruim 3 keer zo breed als bij hun moeder, maar mijn wifirouter kan de enorme bandbreedtehonger van mijn vier kinderen maar amper aan. En Netflix hakt de bandbreedte met gemak in tweeën zodat de rest te maken krijgt met langere downloadtijden en schokkende video. Volgens dochterlief zat haar kleine broertje naar één of andere stomme film op netflix te kijken. Jumanji ofzo. Dus ik verlangde van mijn zoontje dat hij mij voortaan even zou vragen of het goed was als hij even een filmpje op netflix ging kijken. Leek mij helemaal niet onredelijk. Ook moest hij de film die hij aan het kijken was, de volgende dag maar even uit gaan kijken, want de dagelijkse schermtijd was al ruimschoots overschreden. Mijn aanname was dat hij inderdaad Jumanji keek, maar dat had ik niet gecheckt.

De volgende dag vroeg de kleine man dus of hij nog even zijn film mocht uitkijken. Daarmee voldeed hij helemaal aan mijn verwachting. Een tijdje later wilde ik weten hoe lang zijn film nog duurde, dus ik tikte hem op zijn schoudertje. Op zijn schermpje zag ik een animatiefilm, en dat is Jumanji bij mijnweten niet. Dus ik vroeg hem verbaasd waarom hij me niet had gevraagd of hij een nieuwe film mocht gaan beginnen. Maar hij beweerde dat hij dat wel degelijk had gevraagd. “Nou ja, gezegd”, maakte hij ervan. Mijn achterdocht sloeg daar meteen van aan dus ik concludeerde dat hij tegen me zat te liegen. En toen hadden we natuurlijk dikke mot. De kleine man schreeuwde me woedend in mijn gezicht dat ik zelf zat te liegen. Daar hadden we de poppen aan het dansen. In een poging de machtsbalans te herstellen zei ik hem dat hij moest stoppen met zijn geschreeuw of anders kon hij wel even buiten gaan afkoelen. Dat maakte geen indruk natuurlijk. Even later stond hij dus buiten de deur te tieren. De deurbel bleek een veel te handige manier om mij vervolgens te ergeren, dus die schakelde ik uit. Maar toen beukte hij maar gewoon op mijn voordeur. Heilloze zaak natuurlijk. Kak. Ga dan maar even in de slaapkamer afkoelen. Daar kroop hij verbolgen onder de dekens.

Een half uurtje later kwam ik bij hem zitten en aaide hem over zijn bol. “Gaat het weer, vent?”, vroeg ik hem. Zijn hoofd knikte langzaam onder mijn aai. En hij wou ook wel een knuffel. En nu we weer rustig met elkaar konden praten vroeg ik hem of hij me gewoon nog eens rustig zijn kant van het verhaal wilde vertellen. Daarna mocht ik mijn versie ook vertellen. Onze verhalen verschilden eigenlijk maar op één klein puntje, namelijk de naam van de film die hij aan het kijken was. We zaten helemaal niet mijlen ver uit elkaar. Maar we hadden wel een beetje een patstelling over dat liegen, zei ik. Ik gaf toe dat ik niet had gecontroleerd of hij daadwerkelijk Jumanji aan het kijken was. En toen vroeg ik hem wat hij dacht dat we nu moesten doen. “Nou, gewoon overnieuw beginnen, want dat doe je bij een remise”, zei hij. Ventje plat geknuffeld. Wijze les voor pa.

Van slag

Hij liep vlak voor me op het grindpad. Langs de waterkant. Een normale man. Om redenen die ik niet begrijp voelde ik me met hem verbonden. Hij liep rechtop, ondanks de zware schoudertas. Plotseling sprong hij op. Alsof hij ergens van geschrokken was. Hij keek schichtig achterom, maar keek dwars door me heen. De man liep door, maar niet langer rechtop. Hij stak zijn linkerhand in zijn broekzak en haalde zijn smartphone eruit. Hij las iets van het schermpje, en liep een pas of twintig verder met de telefoon voor zich. Zijn hele bovenlichaam leek verstijfd. Zijn benen bewogen nog wel, maar steeds langzamer. Het schermpje ging weer uit op het moment dat de man tot stilstand kwam. Even zag ik het gezicht van de man erin weerspiegeld. Uit zijn blik sprak weemoed. Ik dwong mezelf om naar de grond te kijken, maar kon een tweede blik toch niet tegenhouden. Nu zag ik verbijstering. De man stak de telefoon weer langzaam terug in zijn broekzak, draaide zich naar het water en steunde op het hek. Treurig keek hij in het glinsterende water waarop gouden bladeren dreven. Ik zag dat hij beefde. De man was totaal van slag. Hij hoorde nu mijn knarsende voetstappen op het grind en keek in mijn richting. Nu zag hij me wel. Uit zijn blik sprak een diep medelijden. Ons oogcontact duurde drie hartslagen. Een eeuwigheid. De tijd stond helemaal stil. De wereld om me heen ook. Alleen de drie oorverdovende slagen van mijn hart klonken. Toen sloeg de man zijn ogen neer, en liep ik verdoofd verder. Mijn benen bewogen als vanzelf. Ik zag, hoorde en voelde de wereld om me heen alsof ik er geen deel meer van uit maakte. Ik was even alle verbinding met de werkelijkheid kwijt. Langzaam kwamen mijn zintuigen weer één voor één online. In dezelfde volgorde. Toen was ik al honderd stappen verder. Ik keek achterom, maar de man stond er niet meer.

Lang niet gek!

Afgelopen donderdag ging ik naar de voorstelling “Vind je het gek!” door Nynka Delcour en Rob Stoop. De voorstelling is gebaseerd op de waargebeurde levensverhalen van zes mensen met een psychische kwetsbaarheid. Het werd uitgevoerd in een buurtcentrum bij mij in de buurt. Toen ik de aankondiging in de lokale krant las, wist ik meteen dat ik daar naartoe moest. Dus ik fietste er donderdag naartoe. Een beetje verscholen keek ik naar de mensen die de zaal in liepen en vroeg me af of zij zich ook door het krantenartikel zo sterk aangesproken voelden. Ik vroeg me af wat hún verhalen waren.

In de voorstelling worden de verhalen van de zes mensen met gezonde humor en mooie, ontroerende liedjes gebracht. Het greep me ontzettend aan. Het pakte me meteen bij het begin, vervoerde me en liet me pas aan het einde weer los. Na afloop had ik enorme brok in mijn keel. Het was allemaal heel echt en heel puur. En het trof me recht in mijn hart en mijn ziel.

Ik kon me op diverse momenten ook zo sterk herkennen in de verhalen en de liedjes. Ik zag iets van mezelf  in de vrouw die door haar vader emotioneel verwaarloosd was. Ik herkende het gevoel van uitzichtloosheid en machteloosheid waarover werd gezongen in het lied “dood loopt de weg waarop ik wandel”. En het brok in mijn keel kwam vooral van het verhaal over de vrouw met de “emotionele bagage”, en hoe dat haar leven beheerst. Allemaal herkenning. Ik ben dus niet de enige met dit soort kwetsbaarheden. Het schijnt zelfs zo te zijn dat de kans dat je iemand tegen het lijf loopt die worstelt met een psychisch probleem meer dan 40% is. Psychische kwetsbaarheid is eigenlijk best normaal.

Na afloop gingen de mensen in de zaal met elkaar in gesprek over de voorstelling. Ik sprak met een aantal aardige, kwetsbare mensen die om me heen zaten. We deelden wat stukjes uit ónze verhalen met elkaar. Heftige, persoonlijke verhalen. Ik voelde me met hen verbonden. Ik sta niet alleen, en zij ook niet. We mogen er zijn, en we zijn lang niet gek! En ik merkte dat dát was wat ik hoopte te vinden bij deze voorstelling.

Als je de kans hebt zou ik beslist naar deze voorstelling gaan. Hieronder kun je de trailer bekijken.

Ottoshopping

Brugwachter Janus heeft zomerdienst, en begint zijn werkdag rustig met een kop koffie en een krantje. Het is nog hartstikke vroeg. Maar hij zit nog maar net of hij krijgt een whatsappje van zijn collega verderop: “Werk aan de winkel Janus! Er komen 9 schuiten jouw kant op. Over 10 minuten zijn ze bij jouw eerste brug”. Hij stapt dus snel op de elektrische scooter en zoeft naar de bewuste brug.

Maar bij de brug aangekomen ziet hij iets totaal bizars. Hij wrijft eens in zijn ogen, en concludeert dat hij blijkbaar slaapt en een vreemde droom moet hebben. Wat hij hier ziet kan eenvoudig niet! In plaats van over het kanaal ligt de brug over de weg. En over deze brug tuft zojuist een leuk recreatiejachtje met bloemetjesgordijntjes voor de raampjes. De grijze roerganger is zelf al even verbaasd als Janus.

Janus ziet in de verte nog meer schuitjes komen, maar dan klinkt plots een schor getoeter. Het is afkomstig van een aftands, roestig Golfje. De bestuurder draait zijn raampje open, en er verschijnt een woeste grijnzende kop met wenkbrauwen die lijken op grote harige rupsen. De rupsen springen op en neer, en ontmoeten elkaar voor een potje sumoworstelen in het midden boven een riante neus. De rare gast gebaart ongeduldig naar de brug en toetert nog eens.

Verdwaasd stapt Janus van zijn scooter en pakt zijn sleutelbos. Hij loopt naar het bedieningspaneel en haalt automatisch de benodigde sleutel erbij. Deze steekt hij in het contact, waarmee het ophaalsysteem wordt geactiveerd. “Ding-ding-ding-ding-ding-ding-ding…”, klinkt het. Janus ziet tot zijn verbazing dat de slagbomen neer gaan, over het kanaal heen. De schuiten moeten op de rem, als ze die zouden hebben tenminste. Met veel kunst en vaarwerk weten ze tot stilstand te komen voor de slagboom die hen de vaarweg verspert. Er ontstaat zowaar een kleine file op het water.

Dan drukt Janus op de knop waarmee de brug normaal gesproken opgehaald zou moeten worden, en wis en waarachtig, de brug scharniert gestaag, zoals altijd, omhoog. Natuurlijk blijft het water gewoon aan het brugdek kleven. Onmogelijk, dus Janus weet zeker dat hij droomt. Uit Janus’ broekzak klinkt weer een bliepje, waarop hij zijn telefoon tevoorschijn haalt. Nog een whatsappje van zijn collega verderop: “Wat een drukte op het kanaal. Heb net weer 7 schuiten doorgelaten en er komen er al weer een stuk of 8 aan”. Janus maakt snel een foto van de openstaande brug en de lange rij wachtende schuiten achter de slagboom en stuurt deze naar zijn collega met de tekst: “Hou die 8 nog maar even tegen, want hier gebeuren hele vreemde dingen”.

Intussen start Otto de Magiër de motor van zijn lelijke Golfje, zet hem met een hoop gekraak in de eerste versnelling en rijdt grinnikend onder de geopende brug door. Aan de andere kant van het kanaal, stopt hij even om te kijken hoe de brug weer netjes dicht gaat, en even later de plezierschuitjes één voor één over de brug varen. Otto is uiteraard erg met zichzelf ingenomen. “Een strak staaltje Ottoshopping weer, al zeg ik het zelf!”, zegt ‘ie, en rijdt dan verder. Als hij de bocht om is, knipt ‘ie met zijn vingers, en alles is weer zoals het altijd was. Alleen die foto op Whatsapp niet, maar wat ze toch allemaal niet kunnen met Photoshop…

Otto en de lompe stier

Op een smal landweggetje rijdt met een rustig gangetje, een roestig Golfje, bouwjaar 1978. Ooit was het waarschijnlijk wit, maar dat is bijna niet meer te zien. Hier en daar zitten gaten in de carrosserie, en de achterbumper hangt scheef. De auto ziet eruit alsof het rijp is voor de sloop. De motor pruttelt en blaast af en toe hoestend een wolk zwarte rook uit de uitlaat. De motor is eigenlijk op sterven na dood. Dat het ding nog rijdt is een waar mirakel.

Achter het stuur zit een 2 meter lange magiër genaamd Otto. En de haastige bestuurder van een veel nieuwere Golf achter  Otto maakt de grote vergissing om te proberen om Otto op te jagen. Dit doet hij door dicht achterop Otto’s bumper te rijden en heen en weer te slingeren. Otto trapt resoluut op de rem. De bestuurder van de andere auto moet uitwijken en belandt daardoor met zijn auto half in de sloot.

Vloekend en tierend klimt de man – type lompe stier – uit zijn auto en beent op Otto af, die nog bezig is om zijn gordel los te maken. Woest rukt de boze man de deur van Otto open, met als gevolg dat de hele deur afbreekt. De man kijkt er even verbaasd naar, maar smijt de deur dan maar op de grond. Intussen vouwt Otto zich bedaard achter zijn stuur vandaan en staat even later tegenover het boze mannetje dat ruim 2 koppen kleiner is dan Otto. Het stiertje kijkt woedend naar hem op.

Otto duwt het rund eenvoudig opzij en kijkt met één oog door zijn duim en wijsvinger die hij vlakbij bij zijn oog heeft naar de andere auto. En terwijl hij door zijn duim en wijsvinger blijft turen, pakt Otto de auto simpelweg met zijn duim en wijsvinger vast, tilt het met gemak uit de sloot en zet het behoedzaam achter zijn eigen auto weer op de weg. Hij gaat tussen de twee auto’s in staan en knipt tegelijk met de vingers van zijn beide handen. Zowel de motorkap van zijn eigen auto, als die van de andere auto springen braaf open.

“Hee, wat ga je doen!?”,  vraagt het stiertje waarvan de boosheid intussen is omgeslagen in verbazing. “Ssssst!”, sist Otto en sluit zijn ogen. Hij mompelt iets dat klinkt als “zabbazabbajaja,zabbazabbajaja zabbazabbazap” en klapt plotseling zijn grote handen hard op elkaar. De motoren van beide auto’s starten en klinken alsof er iemand steeds  de gaspedalen van de auto’s intrapt en weer loslaat.  De motor van Otto’s eigen auto pruttelt en rochelt terwijl er vette wolken zwarte rook uit de uitlaat komen. De andere, veel jongere motor klinkt veel gezonder.

Otto staat, nog steeds met de ogen gesloten, tussen de twee auto’s in, met zijn linker handpalm naar zijn eigen auto gericht, en zijn rechter handpalm naar de andere. En dan, in één snelle beweging, zwaait hij zijn linkerhand boven zijn hoofd naar rechts, en zijn linker hand voor zijn buik naar rechts. Vanonder beide motorkappen komt op het zelfde moment een felle flits. Beide motoren draaien nog steeds, maar nu komt het gepruttel en gerochel uit de moderne Golf, evenals de zwarte rook.

Otto wrijft in zijn grote handen en wil weer in zijn auto stappen, maar bedenkt zich. Hij loopt terug naar de andere auto en rukt het bestuurdersportier eraf. Deze neemt hij mee naar zijn eigen ouwe Golfje en bekijkt of het op zijn auto past. Het is ruim 10 centimeter te breed, en past eigenlijk niet.  Otto geeft de deur dan maar aan het lompe stiertje, die het verbouwereerd aanneemt. “Wa-wa-wa,  hoe-hoe-hoe?”, stamelt deze. Maar Otto geeft geen antwoord.

Rustig pakt Otto zijn eigen deur op en houdt het op een paar centimeter afstand van zijn auto, en laat het los. Alsof het door een sterke magneet werd aangetrokken, klikt de deur weer vast. Tevreden opent Otto vervolgens zijn deur en stapt behoedzaam achter zijn stuur. Hij draait zijn raampje open en zegt: “bedankt voor de motor, die van mij was al wat op leeftijd en lekte olie. Hij draait niet heel best meer, maar je komt er waarschijnlijk nog wel mee thuis hoor!” En dan scheurt Otto er met piepende banden vandoor. De arme stier kijkt hem, door het raampje van het portier dat hij in zijn handen heeft, met trillend onderlipje na.