Otto

Avonturen van Otto de Magiër

Otto’s werk

Hij zou natuurlijk ervoor kunnen zorgen dat “toevallig”, precies wanneer hij het nodig heeft, er geld uit de lucht valt of op straat ligt. Hij kan er dan zelfs nog voor zorgen dat het alleen geld is van bijvoorbeeld een te dik betaalde bankdirecteur. Dat is allemaal niet zo moeilijk,. Otto hoeft maar met zijn grote harige vingers te knippen en de bankbiljetten waaien spontaan naar hem toe, of liggen ineens, zomaar op straat. Toch vindt Otto dat hij ook op een normale manier de kost moet verdienen, dus heeft hij een eigen bedrijfje opgericht.

Otto de Magiër is namelijk freelance rioolontstopper. Hij heeft geen kantoor, geen website en zelfs geen telefoonnummer. Alleen een postbusnummer. Otto komt zelf wel naar je toe als dat nodig is. Als alle andere rioolontstoppers hebben gefaald, staat ineens een vreemde, lange snuiter (die je wel wat doet denken aan Cramer, de buurman van Jerry Seinfeld) voor je deur.  Hij heeft geen gladde praatjes, alleen een jute zak met metalen pijpen erin, zo te horen. Hij belt niet aan, maar staat ’s avonds ineens voor je deur als jij net de brievenbus gaat legen, of de poes gaat roepen, of wat dan ook. “Ik kom u verlossen van uw rioolprobleem”, zegt Otto eenvoudig en met onweerstaanbare overtuiging.

Dus je laat Otto natuurlijk binnen. In je huis loopt hij feilloos naar de juiste plek en haalt twee korte stukken metalen pijp uit de jute zak en schroeft ze aan elkaar. Aan het ene uiteinde monteert Otto dan een zuignap van zo’n gootsteenontstopper, maar dan met een groot gat erin,  en aan de andere kant iets dat lijkt op een mondstuk van een didgeridoo. Verbijsterd zie je vervolgend hoe Otto de zuignap op de afvoer duwt en dan het mondstuk naar zijn mond brengt. Otto zet zijn voeten een eind uit elkaar, neemt een astronomische (vrij letterlijk eigenlijk) hap lucht en bespeelt met een resonantie die je hele huis laat trillen op haar fundering, jouw rioolleiding. Je weet niet wat je ziet, en al helemaal niet wat je hoort.

Na een minuutje of wat stopt Otto en kijkt je ernstig aan: “Ik heb het probleem gevonden en kan het verhelpen. Wilt u dat?”. U knikt heftig van ja waarop Otto een papiertje tevoorschijn tovert: “Dat kost dan 50 euro, wat u overmaakt op dit rekeningnummer”. Je neemt het papiertje aan en knikt. Je weet ook niet helemaal wat je overkomt. Otto’s aanpak is zo bizar dat je je niet kan voorstellen waarom het niet zou kunnen werken. Bovendien ben je wat deze rioolverstopping betreft nogal aan het eind van je Latijn. Dus je stemt graag in met Otto’s voorstel.

Otto draait eens goed met zijn grove schouders en verzet zijn voeten. Dan sluit hij zijn ogen en neemt een nog grotere hap lucht dan zoëven. Hij zet het mondstuk van zijn instrument weer aan zijn mond en begint weer te spelen. Het geluid is nu anders. Iets begint los te komen, zo klinkt het. Het volume wordt groter, en tegelijkertijd wordt de toon lager en lager. Ineens klinkt er buiten een enorme klap, en dan klinkt het geluid helemaal goed. Je weet nu dat je rioolleiding niet langer verstopt zit en zelfs brandschoon is van binnen. Otto speelt nog even door, maar stopt dan en zegt: “Zo, klaar”. Bedaard schroeft hij zijn bizarre didgeridoopijpgeval weer uit elkaar en stopt het terug in de jute zak. Hij laat je verbijsterd achter en je maakt meteen 50 euro over op het rekeningnummer dat die vreemde snuiter je heeft gegeven.

De volgende ochtend zie je de auto van de overburen. Het deksel van de put ernaast ligt op het dak van de auto, evenals de totale inhoud van jouw rioolleidingen. Je knippert even met je ogen, maar onder het motto van “mijn naam is haas en bovendien gelooft toch niemand mijn verhaal”, stap je met een boei van een kop snel in je auto en rijdt gauw naar je werk.

Oprit sneeuwvrij maken, Otto-style!

– Good evening, Bindi Restaurant, how can I help you?

– Yes good evening, it’s me, Otto.

-O, it’s you, how much Widower do you wish to order tonight (chuckle, chuckle)?

-The usual of course, two kilos.

-Hihihihihi (nerveus), you sure wish to make your wife a widow, don’t you Mister Otto.

-Yes, indeed, sort of, yes.

-Allright sir, it will be ready in about 20 minutes…(de Indiër aan de andere kant van de lijn brabbelt iets in zijn moeder’s taal tegen de kok)

-Excuse me, what was that?

-Nothing sir, the cook wanted to know what on earth, in spite of you being our best customer, you keep ordering such ridiculus amounts of the world’s hottest curry for.

-O, it’s actually not for myself hoor. It is for my cat. He loves the stuff!

-Er, did you just say you feed our Widower to your cat, sir?

-Yes, my cat indeed. He can’t get enough of it. Have it prepared on time as always. (klik, Otto legt de hoorn van zijn ouderwetse telefoon met draaischijf op de haak).

Knarf, de lelijkste en gevaarlijkste kater op deze aardkloot, strijkt langs Otto’s benen en brengt een geluid voort dat spinnen moet voorstellen, maar klinkt als het geluid van een vette Harley Davidson die 2 straten verderop komt aanrijden. Het is etenstijd. Otto moet opschieten, want hij riskeert dat hij weer een nieuwe stoel moet kopen. Als Knarf honger heeft, wordt hij nogal aggressief en reageert dat het liefst af op Otto’s stoel.

In een steegje in Grantham (Engeland) verschijnt, na een zacht “fwwwoep!”, een enorme gozer met een woest kapsel. Met grote passen baant Otto de Magiër zich naar Bindi Restaurant en loopt naar binnen. Al gauw wordt hij opgemerkt door het personeel. “Ah, mister Otto, nice to see you again”. Otto maakt zich zorgen om zijn stoel dus hij wil zo snel mogelijk terug naar huis: “Do you have my two kilos of Widower ready?”, vraagt hij daarom botweg. Het valt meteen helemaal stil in het restaurant. Een vrouw slaakt een kreetje. De Indiër kijkt geschrokken om zich heen en neemt Otto snel mee naar achteren: “Here it is sir, with an extra but complimentary 5 Naga Infinity’s added so we are sure to kill your cat this time, yes?”, en de man geeft Otto een vette knipoog. Otto grijnst tevreden en betaalt. Dan haast hij zich het restaurant uit, met een grote bak Widower onder zijn arm. De Indiër rent hem achterna: “Sir, your change!”. Maar Otto hoort hem niet meer. Buiten ziet de Indiër Otto een doodlopend steegje in rennen, en hij rent er achteraan. Maar bij het steegje aangekomen is Otto natuurlijk in het niets opgelost.

Thuis staat Knarf al met al zijn haren overeind en een enorme dikke staart de favoriete stoel van Otto te intimideren. Maar als hij Otto ziet verschijnen, begint hij zo hard te spinnen dat de glazen in de kast meerammelen. Otto kwakt de hele inhoud van de bak met Bindi’s Widower in Knarf’s trog. Knarf valt meteen aan. Met ongeloofelijke snelheid werkt hij de 2 kilo’s heetste curry ter wereld naar binnen. De trog wordt schoon leeg gelikt. En dan is het wachten geblazen voor Otto. Deze keer duurt het nog geen vijf minuten voor Knarf begint te kokhalzen. Zou het door de extra Naga Infinity’s komen? Knarf kokhalst en kokhalst en kokhalst. Eerst braakt Knarf een enorme, dampende haarbal uit. Het is een flinke deze keer. Toch zeker 2 à 3 ons, schat Otto.

Knarf is opgehouden met kokhalzen. Hij kijkt Otto vreemd aan. Nou kijkt Knarf mensen sowieso vreemd aan, want hij is nogal scheel. Bovendien haat hij mensen, dus als hij je al aankijkt is het met enorme minachting en cross eyed. Otto verdraagt hij om redenen die Otto zelf ook niet helemaal begrijpt. Nu kijkt hij Otto bijna hulpeloos aan, wat belachelijk is voor een kater dat vorige week nog een volwassen wild zwijn ving in het bos. Otto weet dat Knarf zich nu hondsberoerd voelt. Er moet nog iets uit. Er klinkt een diep geborrel uit de maag van Knarf, en hij begint weer te kokhalzen. De spasmen van Knarf’s lijf zijn nu zo heftig dat hij achteruit en ongecontroleerd met zijn grote kop van links naar rechts kronkelend door de keuken kruipt. En als Knarf z’n beide ogen dichtknijpt en zijn bek wijd open spert springt Otto naar voren met een teiltje en duwt het onder Knarf’s bek. Net op tijd, want dan spettert de kater een vieze, grauwe, stinkende en bruisende vloeistof in het teiltje. Een paar eetlepels, hooguit. Knarf kruipt met een voldane, maar ook beschaamde blik onder de tafel om zich eens uitgebreid schoon te likken, om te beginnen bij z’n gat.

Snel, voordat Knarf’s gal door de bodem van het teiltje heen vreet, giet Otto het spul in een keramieken kruik. Het is een heel potent goedje. Het is het beste verfafbijtmiddel dat Otto kent. Het lost tevens alle lijmsoorten op. Eigenlijk lost bijna alles er in op. Vanavond wilde Otto eens kijken of je er ook snel je oprit sneeuwvrij mee krijgt. Dus hij doet een paar druppeltjes in zijn grote gietijzeren tuingieter en vult het snel bij met water, voordat de gieter geen bodem meer heeft. God, wat stinkt het toch. Met zijn neus dichtgeknepen, giet Otto behoedzaam de inhoud van de gieter leeg over zijn oprit. Het resultaat is verbluffend. Sissend verdampt de sneeuw, maar er gebeurt meer. De klinkertjes worden ook nog eens brandschoon geëtst. Otto’s oprit is binnen luttele momenten niet alleen sneeuwvrij, maar ook vrij van alle mos en groene aanslag. Zelfs Otto is verbijsterd. Om zich een houding te geven lacht hij maar eens manisch: MOEOEOEHAHAHAHAHAAAAA!

Otto’s verhuizing

Het huisje stond al vele jaren leeg en te koop. Niemand wilde het blijkbaar hebben. Je moet het ook eerst maar weten te vinden, want het ligt erg afgelegen. In een schimmig gebied waarvan we niet helemaal zeker weten of het wel bij Nederland hoort of niet. Maar op een dag was het toch zomaar verkocht. De makelaar wist zich nog vaag te herinneren dat de koper licht naar buskruit rook en dat hij in een roestig, oud Golfje reed.

Het is heel vroeg in de ochtend. Het is doodstil en het huisje is gehuld in nevels. Met een zacht fwoep! verschijnt er plotseling een man in het lege huis. Hij zit in een grote, leren draaistoel. Otto de Magiër laat zijn vertrouwde, oude stoel een rondje draaien en kijkt tevreden rond in zijn nieuwe woning. Hij is er zeer mee in zijn nopjes. En dan knipt hij met zijn vingers en weg is ’t ie weer. De stoel draait nog na.

Otto verschijnt weer in zijn oude huisje, precies op de plek waar zijn favoriete stoel stond. Hij pakt een bescheiden jute zak en kijkt naar een grote houten kist waarin hij het meeste van zijn bezittingen heeft gestopt. Otto zet een aantal passen naar achteren tot hij tegen de muur aan staat met zijn rug. Nu staat hij ver genoeg van de kist. Hij kijkt er met één oog dicht naar, tussen zijn duim en wijsvinger door. Zo lijkt de kist nog maar zo groot als een luciferdoosje. Otto pakt de kist tussen duim en wijsvinger op en stopt het in de jute zak. “Hopla!”, roept Otto vrolijk.

Hetzelfde doet Otto met de rest van zijn huisraad. De koelkast, de televisie, een stuk of wat kasten, twee tafels, alles gaat in de jute zak. Zelfs het oeroude fornuis, zijn zware, gietijzeren bed en uit de schuur, jawel, zijn roestige VW Golf. Als Otto’s oude huis helemaal leeg is, hangt Otto de jute zak achteloos over zijn schouder en loopt de voordeur uit, naar buiten. Otto haalt heel diep adem en schreeuwt dan uit alle macht “KNAAAHAAAARF!!!”. De vogeltjes stoppen van schrik allemaal met zingen.

Uit de struiken komt even later een enorme kat gesjokt. Ruim 28 kilo verwilderde kat. Jaagt op hazen en reeën. Buizerds vrezen hem. Het beest kijkt Otto aan met een blik van “wat mot je nou weer?” en grauwt en gromt vervaarlijk. Otto kijkt terug met één oog gesloten, door duim en wijsvinger, en pakt de monsterachtige kater ruw in zijn nekvel. “Hoppekee”, zegt Otto, en hij stop het wild om zich heen maaiende beest in een klein kooitje dat aan een ketting om zijn nek hangt. Het gegrauw van de geminimaliseerde Knarf klinkt nu als een hele pissige bromvlieg. Otto doet dan “Knnnipp!” en is verdwenen.

…fwwwoep! Otto verschijnt in zijn nieuwe huis. Hij zet de tuindeuren wijd open en haalt de ketting met het kooitje van zijn nek. Knarf gromt en grauwt nog als een dolle. Otto houdt het kooitje tussen duim en wijsvinger en strekt zijn arm zo lang mogelijk, richting het weiland achter de tuin. Hij kijkt weer met één oog dichtgeknepen door diezelfde duim en wijsvinger. Met een tandenstokertje wipt hij met zijn andere hand voorzichtig het deurtje van het kooitje open. Knarf springt er meteen uit en landt met een zware plof in het weiland, achter de sloot. De enorme kater komt woest overeind, springt met gemak over de sloot en rent met een moordende blik in zijn ogen op Otto af. Otto trekt snel de tuindeuren dicht zodat de kater er niet in kan.

En terwijl Knarf buiten als een bezetene zijn woede koelt op het lakwerk van de tuindeuren, haalt Otto één voor één zijn spullen uit de jute zak en plaatst ze in zijn nieuwe huis. Even later is Otto klaar en kijkt hij tevreden in het rond. Ja, Otto voelt zich thuis. Het valt hem op dat Knarf zijn gevecht met de tuindeur heeft opgegeven. En even later ziet hij de echte reden waarom de woeste kater was opgehouden met zijn razernij. Uit het bos achter het huis is een groot zwijn aan komen scharrelen. Knarf sluipt door het hoge gras, recht op zijn prooi af. Zo te zien gaat schele Knarf zich hier ook prima thuis voelen.

Otto’s stemmingmakerij

Otto de Magiër staat midden op de hei. Zijn grote, blote voeten een eindje uit elkaar in het natte veen. Armen naast zijn lichaam, vingers gespreid. Zijn ogen zijn gesloten en zijn gezicht is ontspannen. Hij stond daar al voor de zon op kwam. Hij staat er al uren. Om hem heen is het heel stil. Zelfs de wind die hier altijd staat is gaan liggen. Otto heeft zijn plaats in genomen lijkt het wel. En dat is dan ook precies wat hij heeft gedaan. Otto is de wind. De wind die door Nederland waait. Behalve op dat plekje op de hei.

De wind waait kriskras door het hele land. Plagerig schudt hij haren in de war en blaast hij toupetjes in de lucht. Hij ruist door het gewas en giert over de daken. Hij laat de populieren buigen en maakt schuimkoppen op het water. Otto is in zijn element. Dan ziet hij beneden op straat, in een drukke stad een klein mannetje lopen met golvende witte lokken. Professionele body guards om hem heen. Otto gaat er onbevreesd op af. Onderweg verzamelt hij zand en bladeren. Hij begint te draaien. Steeds sneller en sneller. Het mannetje met de witte lokken kijkt nu argwanend in zijn richting. Hij likt nerveus aan zijn bovenlip. 

Op de hei balt Otto zijn vuisten. Het kleine mannetje duikt angstig ineen achter zijn body guards. Een woeste, wervelende kolom van zand en bladeren raast op het groepje af. De body guards gaan dichter om het kleine mannetje staan. Otto giert om hen heen. Steeds harder en harder. Het groepje is helemaal verdwenen in zijn onstuimige wervelwind. Het geraas is oorverdovend. De body guards staan ineengedoken met hun armen voor hun gezicht. En dan is het plotseling afgelopen. De body guards wrijven het zand uit hun ogen en slaan de bladeren van hun kleren. Het kleine blonde mannetje ligt op de grond, zijn armen stijf om zijn opgetrokken knieën heen.

Door het hele land kijken honderdduizenden mensen ineens verdwaasd naar het rode potlood dat ze in hun hand hebben. Het lijkt wel alsof ze uit een droom zijn opgeschrikt. De punt van het potlood zweeft boven het stembiljet. Vertwijfeld wrijven ze door hun haren en schudden ze hun hoofd. Er valt zand op het stembiljet. En dan, in een moment van absolute helderheid, kleuren ze toch een ander vakje rood.

 

Nachtmerrie van een bumperklever

Waldo heeft een afspraak bij een belangrijke klant en hij is laat, maar als hij even gas geeft kan hij nog op tijd zijn. De weg voor hem is leeg dus hij trapt het gaspedaal van zijn zilvergrijze Mercedes helemaal in. De auto schiet gretig naar voren. De weg is van hem. Iedereen zal wijken.

Verderop doemt de eerste sukkelaar al op. Even een kort tikje groot licht en de sukkel schiet schichtig als een hert opzij. Hij is heer en meester van de weg. Dat heerlijke gevoel van superioriteit geeft hem een geweldige kick. Hij aait voorzichtig langs de zijkant van zijn hoofd. Strak in de gel. Hij checkt het even snel in de binnenspiegel. “Goeie kop”, zegt hij hardop.

Hij passeert een colonne vrachtwagens. Als slakken kruipen ze over het asfalt. Een halve kilometer verderop voegt een lullig klein autootje in op de snelweg, tussen twee van die dikke slakken. Waldo geeft nog meer gas. Tot zijn grote ergernis besluit dat kleine kutautootje ineens in te gaan halen. Het gore lef. Waldo trapt nijdig op zijn rem en gaat vlak achter het aftandse karretje rijden. Het is een roestige, oude VW Golf, met gaten in de achterklep.

Waldo stuurt een beetje naar links en kruipt er nog dichter op. Nijdig flitst hij een paar keer met zijn groot licht. De bestuurder van het golfje draait bedaard zijn raampje open, steekt een grote harige hand naar buiten en geeft hem een middelvinger. Waldo wordt woest. Rechts is er ruimte, dus hij duikt naar de rechter baan. Maar dan schiet die ouwe roestbak naar voren. Dit wordt dus persoonlijk. Waldo trapt zijn Mercedes op zijn staart, maar de Golf is belachelijk snel.

Traag gepeupel belemmert hem verderop op de rechter baan. Zonder richting aan te geven duikt Waldo weer naar de linker baan. Het Golfje rijdt nog steeds voor hem maar mindert snelheid. Even later kleeft Waldo weer aan zijn roestige, scheve bumper. Weer wordt het raampje bedaard open gedraaid. Tot zijn ontsteltenis ziet hij dan hoe de bestuurder nota bene door het raampje naar buiten klimt! Het is een bizar lange gozer met woeste, zwarte haren en borstelige wenkbrauwen.

Tot Waldo’s verbijstering klimt de mafkees op het dak van de Golf en gaat staan. Het is onmogelijk, maar de man weet zich staande te houden. Wie bestuurt nu die Golf!? Ineens beseft Waldo dat hij maar beter zijn afstand vergroot en haalt zijn voet van het gaspedaal. Hij ziet de toerenteller teruglopen, maar de afstand tot de Golf wordt geen millimeter kleiner. Hij remt flink bij, maar behalve dat de mafkees op het dak van de Golf wild met zijn armen moet zwaaien om zijn balans te bewaren, wordt de afstand tot de Golf niks kleiner. Het lijkt wel alsof hij letterlijk aan de Golf zit vastgeplakt.

Otto de Magiër kijkt naar de bestuurder van de dikke Mercedes die hij heeft gevangen. De stumper schijt nu vast zeven kleuren stront. Moet ‘ie ook maar niet zo plakken. De gril van de Mercedes is versmolten met de achterkant van zijn Golf. Tsss, hoe is het mogelijk. Otto grijnst tevreden. Wijdbeens staat hij op het randje van het dak van zijn ouwe Golfje. Zijn lange zwarte jas wappert om hem heen. Otto steekt zijn rechterhand in zijn jas, alsof hij een pistool gaat trekken. Hij lacht boosaardig. Dan springt hij op de motorkap van de Mercedes en trekt een fel brandende snijbrander uit zijn binnenzak….

Otto ziet Grijs

“Mevrouw..eh..Grijs?”, Dr. Jan-Jaap van Rooijen kijkt verbaast om zich heen. Om één of andere reden stoort het hem ineens dat de fotolijst aan de muur tegenover zijn deur niet helemaal recht hangt. Dat hem dat ineens stoort is gek, denkt hij. Hij is bepaald geen pietlut. Toch loopt hij ernaar toe en hangt het recht. Op een afstandje kijkt hij er naar en krabbelt aan zijn hoofd. Vreemd. Er is niemand in de wachtkamer.Toch heeft hij het zoemertje van de deur gehoord.

Hij draait zich hoofdschuddend om om weer terug in zijn kamer gaan, maar dan hoort hij een diepe zucht achter zich. Gerda staat op van haar stoel en zegt op gedempte toon: “Hier ben ik, dokter”. Jan-Jaap draait zich met een ruk om. “Wawa…waar komt u nou vandaan?”, stamelt hij. “Ik zat hier al de hele tijd, maar u zag me niet”, zegt Gerda. Ze wijst naar de stoel die recht onder het fotolijstje staat dat hij zo-even recht hing. “U stond zelfs bijna op mijn tenen”, merkt Gerda op.

Jan-Jaap kijkt plotseling naar de stapel tijdschriften op het leestafeltje. Is dat echt de Psychologie van februari 2004? Gerda schraapt even haar keel. Jan-Jaap maakt een komisch sprongetje. “Juist, juist, eh, komt u verder mevrouw…eh..”, hakkelt Jan-Jaap. “Grijs, Gerda Grijs”, vult Gerda hem aan. Ze loopt zijn spreekkamer in en gaat zitten in een grote, bruine, leren fauteuil. Voor de zekerheid neuriet ze een wijsje, om te voorkomen dat de psycholoog haar weer over het hoofd ziet. Het eerste wat haar te binnen schiet is Altijd is Kort Jakje ziek.

Jan-Jaap gaat tegenover Gerda zitten. Er hangt een spinragje aan het plafond, ziet hij ineens. Geërgerd staat hij op en zoekt iets om het ragje mee te kunnen weg vegen. “Wat een bende”, mompelt hij en loopt zijn kamer uit. Even later komt hij terug met de kruimeldief uit het keukentje. Hij klimt op zijn stoel en zuigt her ragje boven Gerda’s hoofd weg. Gerda bekijkt het gelaten. Hij is haar al weer vergeten. Hij bergt de kruimeldief weer op en komt enkele tellen later zacht zingend binnen: “altijd is Kort Jakje ziek…”. Gerda giechelt. “Liedje in uw hoofd?”, vraagt ze.

Gerda kan hierom lachen, maar tegelijkertijd wordt ze er moedeloos van. “Dokter, kunt u me helpen?”, vraagt ze dan. Jan-Jaap ziet haar nu duidelijk in zijn oude fauteuil zitten. Een kleine, spichtige vrouw met sluik peper-en-zout haar dat voor haar gezicht hangt als ze haar hoofd naar voren hangt. Zijn ogen prikkelen en hij wil zijn bril afzetten om in zijn ogen te wrijven. Gerda zegt snel: “dat komt door mij, dat u in uw ogen wilt wrijven”. Jan-Jaap lat zijn handen weer zakken en mompelt: “Opmerkelijk, heel opmerkelijk”. Maar dan staat Gerda woest overeind. Ze stampt met haar voet en roept: “Nee, nee, nee, nee, nee!! Niet opmerkelijk! Dát ben ik dus niet!”

Jan-Jaap ziet haar daar staan. Wat bazelt ze toch? Hij krijgt vaak vage types in zijn spreekkamer, maar deze vrouw is zo vaag dat het hem moeite kost om haar op te merken. Zelfs die gedachte kan hij slechts met opperste concentratie nauwelijks vasthouden. Daarom schrijft hij het meteen op het dossierblad van deze patiënt:

Mevrouw Grijs is een opmerkelijk vage en onopmerkelijke vrouw. Eenzaam. Getraumatiseerd.

“Mevrouw Grijs…”
“Gerda”, zegt Gerda zacht.
“Ja natuurlijk, Gerda… eh… vertel eens, hoe is het met je moeder, heb je goed contact met je moeder?”
Gerda barst in huilen uit. Jan-Jaap schuift geroutineerd de doos tissues naar haar toe. Snotterend en snikkend begint Gerda te vertellen:

“Ik heb al vanaf mijn geboorte ontzettend gekrijst om de aandacht die ik nodig had. Anders was ik van de honger gestorven. Mijn moeder noemde me een krijsbaby. Ik heb haar stapelgek gemaakt. Toen ik 4 was, en voor het eerst naar school ging, merkte de juf me niet op, net als jij net deed in de wachtkamer. Ik speelde altijd alleen, omdat mijn klasgenootjes mij niet zagen staan. Letterlijk. Op die eerste schooldag vergat mijn moeder dat ik bestond. Ze haalde me niet meer op van school”. Gerda haalt even diep adem, is even stil en vraagt dan: “Dokter, hoe bestaat het dat ik de enige ben die weet dat ik besta?”.

Dr. Jan-Jaap heeft alles gehoord en is zichtbaar ontdaan. Maar dan klinkt plotseling een reutelend zoemertje. Van schrik kijkt hij op zijn horloge. Hij slaat Gerda’s dossier dicht en legt het aan de kant. Gerda haalt haar schouders op en staat op van haar stoel. Ze bestaat niet meer voor hem. Jan-Jaap is naar de wachtkamer gelopen en komt even later weer naar binnen. Hij wordt gevolgd door een lange man met woest, ongekamd haar en een lange zwarte, wollen jas. De man trekt verbaast zijn borstelige wenkbrauwen op als hij Gerda ziet en zegt dan: “Dokter JJ, stuur die schoonmaakster eens even weg!”.

Gerda loopt verbijsterd naar buiten. “Schoonmaakster? Welke schoonmaakster?”, hoort ze Dokter JJ antwoorden, “Gaat u zitten meneer Zwartjes. Koffie?” Er klinkt gerinkel van koffiekopjes. “Ja. Graag. En zeg maar Otto”, zegt Otto. Hij kijkt achterom of Gerda al weg is. Ze staat nog in de deuropening. Otto de Magiër trekt zijn linker wenkbrauw op en neemt haar aandachtig op. Dan sluit Gerda zachtjes de deur achter zich dicht en huppelt naar buiten. Ze jubelt van binnen en glimlacht van oor tot oor. Die rare snuiter, Otto, zag haar wél!

Otto ontmoet Knarf

“Scheer je toch weg! Schele ouwe Knarf!”, zei Otto quasikwaad tegen ongetwijfeld de lelijkste kater ter wereld. Het nogal fors uit de kluiten gewassen beest heeft een gitzwarte zwarte vacht en opzich schitterende groenblauwe ogen, maar hij loenst als een te ver doorgefokte Siamees. Bovendien mist het mormel het grootste gedeelte van zijn linker oor en heeft het een groot litteken dwars over zijn neus. Dat liep hij ooit eens op toen hij een volwassen buizerdmannetje ving. De buizerd beet zijn oor eraf en zette zijn grote klauw in Knarf’s neus. Het litteken loopt door tot de rechterkant van zijn bek, waardoor hij die niet meer helemaal kan sluiten. Hierdoor lijkt het alsof Knarf een ongure, scheve grijns op zijn bek heeft. De buizerd smaakte erg lekker, weet Knarf nog.

Otto de magiër is de enige mens die Knarf verdraagt. Dat is volkomen wederzijds. Otto en Knarf begrijpen elkaar op een soort onderbewuste, instinctieve manier. Hun eerste ontmoeting was in wat Otto “thuis” noemt. Knarf, dat was overduidelijk zijn naam, lag heel vanzelfsprekend in Otto’s favoriete, luie en enige stoel toen Otto ’s avonds thuis kwam. Otto begreep meteen dat hij een nieuwe stoel moest gaan zoeken. Deze stoel had Knarf zich toegeëigend. Otto had zijn schouders maar opgehaald en keek ook niet op van de enorme ravage in de keuken. Overal bloedspatten en veren. In het midden lag een half opgevreten karkas van een grote roofvogel. Een kat met gevoel voor spektakel, dacht Otto, precies het huisdier dat bij hem paste. 

Otto zette alle deuren en ramen van zijn huis open en liep weer naar de keuken. Hij ging wijdbeens staan en zorgde dat de kater hem kon zien. Hij haakte zijn vingers in elkaar en duwde zijn handen naar buiten, palmen naar voren. Zijn vingers knakten. Theatraal zwaaide hij toen zijn armen op zij, vingers gespreid. Plotseling begon het hard te waaien buiten. En omdat de ramen open stonden waaide het ook in huis. Otto liet de wind tot stormkracht toenemen. Ramen en deuren klapperden. De wind gierde door het huis. Natte bladeren waaiden naar binnen en begonnen om Otto heen te wervelen. Ook de veren werden door de steeds sneller draaiende wervelwind opgepakt. Even later was Otto helemaal verdwenen in een wilde, draaiende gierende wolk van troep. Otto maakte zich nóg kwader en ontlaadde het in de om hem heen draaiende wolk. Het effect was spektaculair. Er schoten heuse bliksemschichten uit zijn wolk en het begon naar ozon te ruiken in huis.

“Knarf!”, bulderde Otto boven het gegier uit, “sleep dat vieze, stinkende karkas naar buiten of ik rooster je levend!”. Hierop tilde Knarf zijn dikke lelijke kop op en keek Otto met een oprechte blik van respect  aan, in ieder geval met zijn rechter oog. Kennelijk was het het waaihoofd dat daar in de keuken stond te tieren, menens. Toch wilde Knarf wel eens weten hóeveel menens precies. Dus hij stond langzaam op, draaide zich om en plofte weer neer. Zijn grote lelijke kop weer tussen de poten en gewoon verder slapen. Otto werd woest en met een gigantische knal en flits zapte hij gericht naar Knarf. Deze slaakte een kreet waar een krolse puma jaloers op zou zijn geweest. Met zo’n vuile blik van totale minachting die alleen katten kunnen produceren, sjokte Knarf naar het buizerdkarkas en nam het in zijn grote bek. Nonchelant, en schijnbaar zonder moeite liep Knarf met de halve buizerd in zijn bek, tegen Otto’s razende storm in, naar buiten. 

Otto liet de woedende wervelwind nog eens goed door zijn huis razen. Het pikte al het vuil, maar ook rondslingerende sokken en een stapel oude kranten op. Otto richtte de wervelwind door de voordeur naar buiten, de nacht in en liet het los. De wind om het huis nam weer af en de vuilwolk viel uiteen. De bladeren en buizerdveren dwarrelden rustig neer. In huis was geen vuiltje meer te bekennen. Otto liet zijn grote handen met een laatste harde klap op elkaar komen, waarop alle ramen en deuren in één klap dichtsloegen. Knarf lag al weer op zijn stoel te ronken en is sindsdien bij Otto blijven wonen. In de vacht op zijn rug liep een nog nasmeulende kale zigzag-lijn waar Otto’s bliksem hem had geraakt. Wat een beest.

Otto pakt een bioscoopje

Er komt een roestige, reutelende Volkswagen Golf het levendige uitgaanscentrum van Hoogeveen ingereden. Het is een wrak op wielen en praktisch een oldtimer, maar volgens Otto is het nog een prima karretje. “Beetje roestig, maar verder mankeert er niets aan. Zo maken ze ze tegenwoordig niet meer”, zegt hij tegen iedereen die hem vraagt of het niet eens tijd is voor een nieuwere auto.
Otto kijkt op het klokje op zijn dashboard. Het werkende klokje wel te verstaan. Otto’s hele dashbord zit namelijk volgeplakt met zelfklevende klokjes. Omdat er geen plek meer was, zit het werkende klokje op een oud, kapot klokje geplakt. Otto koopt simpelweg steeds een nieuw klokje als de vorige stopt met werken. Van batterijen vervangen heeft Otto nog nooit gehoord. Het werkende klokje vertelt Otto dat de film over 2 minuten begint.
“Mooi op tijd, nu even een parkeerplaats regelen”, mompelt Otto tevreden. En omdat hij een hekel heeft aan ver lopen, rijdt Otto optimistisch de volle parkeerruimte direct naast de ingang van de bioscoop op. Dan knipt Otto met zijn vingers en er komt een jonge, nerveus kijkende man uit de bioscoop gerend, achter hem aan strompelt met vertrokken gezicht een hoogzwangere jonge vrouw. De man loopt naar de stationwagen die het dichtst bij de ingang staat en zapt de deuren van het slot. Het is zo’n saaie, zwarte leasebak waarvan er dertien in een dozijn gaan. De man springt achter het stuur en start de motor. Als hij zijn portier woest dicht trekt, valt er een papiertje uit de auto dat door de wind wordt opgepakt. Puffend en steunend klimt de moeder in spé ook in de auto en nog voor ze de deur heeft dicht getrokken rijdt de wagen met piepende banden achteruit. Otto krijgt heel eventjes last van een klein beetje schuldgevoel als hij de mengeling van ongelooflijk balen en wilde paniek in de ogen van de vader in spé ziet.
Desalniettemin zet Otto zijn aftandse Golf op de plotseling vrijgekomen parkeerplaats en stapt uit. Otto kijkt omhoog. Er dwarrelt een papiertje naar beneden dat hij in zijn hand opvangt. “Wat een stinkende mazzel”, zegt Otto grinnikend, “een parkeerkaartje met precies genoeg tijd”. Hij legt het braaf onder de voorruit op zijn dashboard en loopt de bioscoop in. Bij het loket koopt hij een toegangskaartje voor de film “Cowboys & Aliens” en even later zit Otto, precies op tijd voor de film, met een grote emmer popcorn (met extra zout) en een grote beker cola (zonder ijs) op een mooie plek midden in de zaal. De stoel is nog warm en de vrije stoel ernaast ook. Otto’s naam is natuurlijk Haas.
Otto maakt nooit plannen, maar doet gewoon wat in hem op komt. Waarom zou je ook plannen als je met een knip van je vingers alle problemen gaandeweg kunt oplossen. Een probleem zoals een parkeerplaats vinden direct voor de deur lost Otto de Magiër natuurlijk niet op door op tijd van huis weg te rijden, maar door “de loop der dingen” een beetje naar zijn hand te zetten. Wat maakt het uit dat die baby een paar uur eerder op de wereld komt. Als dank voor de vrije parkeerplaats en het parkeerkaartje zorgde Otto dan weer wel voor een groene golf op de hele route naar het ziekenhuis én voor een vrije parkeerplaats direct voor de ingang van het ziekenhuis. De directeur die namelijk op bezoek was bij zijn oude moeder die net was geopereerd moest ineens dringend naar de zaak omdat het brandalarm zou zijn afgegaan. Natuurlijk loos alarm…

Powered by ScribeFire.

Mazzeltoveren

Otto loopt over een smal pad in een heuvelachtig gebied. De heuvels zijn begroeid met lang gras dat zacht ruist in de wind. In de verte ziet Otto bomen, de rand van een bos. Dit bos moet Otto koste wat het kost bereiken, dat voelt Otto heel sterk. Dus neemt hij het pad dat hem er recht naartoe leidt. Geen omwegen, Otto is vastberaden.

Her en der hangen dunne nevels. Althans, zo zien ze er uit. Als Otto dichterbij zo’n nevel komt, ziet hij dat het een soort schimmige projecties zijn. Hij ziet bijvoorbeeld een torenspits, andere grote gebouwen en een straat met verkeer zoals vrachtwagens, auto’s en een motorrijder. Ook ziet hij mensen lopen. Otto hoort zelfs de geluiden van het verkeer, de voetstappen van de mensen op het trotoir, zelfs de stemmen van de mensen. De projectie beweegt langzaam heen en weer tussen de heuvels. De projectie breidt zich langzaam uit en krimpt dan ook weer om daarna weer uit te dijen. Alsof het ademt, alsof het leeft.

Ineens beweegt de vreemde projectie recht op Otto af en ziet hij dat hij precies op een tramspoor staat. Achter hem klinkt de bel van de tram. Otto wil opzij springen, maar bedenkt zich, want naast het pad dat hij volgt stroomt een beekje. De tram rijdt dwars door Otto heen, maar hij voelt er niets van. Hij ziet en hoort de mensen in de tram als deze door hem heen rijdt, maar de mensen zien Otto niet. Plotseling is de projectie weer een heel eind verderop. Otto ziet nog net dat de tram over een grote stalen brug over een brede en zo te zien diepe kloof rijdt. Dan trekt de projectie op als een nevel in de opkomende zon en is het verdwenen.

Otto loopt verder en ineens staat hij aan de rand van een diepe kloof. Het beekje stort zich er in de diepte. Otto herkent de kloof meteen, maar hij ziet zo 1-2-3 geen brug. Dat vindt Otto erg vervelend, want hij moet de kloof oversteken. Koste wat het kost! Plotseling ligt de mooie stalen brug zoals hij hem zoëven zag in die schimmige projectie, voor hem, alsof het er altijd al was. Wat een geluk! En wat stom dat hij de brug net niet zag! Zonder aarzeling betreedt Otto de brug en loopt naar de overkant van de kloof. In de diepte onder hem hoort hij het geruis van wild stromend water.

Midden op de brug staat Otto stil en kijkt hij over de rand naar beneden. Tot zijn grote ontzetting ziet hij dat het water dat daar stroomt bloedrood van kleur is. Er bekruipt hem een ijzig gevoel. Dit bloed heeft hij op zijn geweten. Otto kijkt op, in de richting van waar het water vandaan stroomt. Dan ziet hij de stad. Otto herkent de spits van de grote kerktoren in het midden van de stad. De kloof loopt dwars door de stad. Otto’s egoïstische wens om de kloof hier ter plekke te willen oversteken en de ongelooflijke mazzel dat er nog een brug is ook, werd vele mensen noodlottig. Door Otto’s toedoen verdween dezelfde brug in het niets, net op het moment dat er een volle tram over heen reed.

Otto de Magiër wordt zwetend wakker en zit rechtop in zijn bed. Zoals altijd is hij erg aangedaan door deze vreemde en akelige droom. Otto weet intussen heel goed wat deze regelmatig terugkerende droom betekent. Het is een waarschuwing dat het ook verkeerd kan gaan. Otto’s magie bestaat er namelijk uit dat hij het lot kan beïnvloeden, kan veranderen van koers. Daar is hij in al die jaren bijzonder handig in geworden.

Otto was als kind altijd al een ongelooflijke mazzelkont. Dobbelstenen deden altijd precies wat hij nodig had om te winnen. Omdat het anderen steeds meer opviel hield hij zich in en leerde dat hij zijn “mazzel” ook op anderen kon projecteren. Otto kan het “verloop van de dingen” zien. Of beter gezegd: Otto kan alle mogelijke verlopen van de dingen zien. Hij ziet ze als schimmige projecties, aan de randen van zijn blikveld. Hij kan er nooit rechstreeks naar kijken, want dan drijven ze weg. Maar hij kan ze wel bespelen en veranderen zodat de dingen toevallig precies gaan zoals dat het beste uitkomt voor hem.

In de jaren kreeg Otto een steeds uitgebreider beeld van het verloop der dingen en kan er spectaculaire kunsten mee uithalen, allemaal op het randje van wat kan worden gezien als gigantische mazzel. Otto noemt het daarom ook “mazzeltoveren”. De droom houdt hem scherp.

Powered by ScribeFire.

Chili con Carne a la Otto

Otto de Magiër staat in zijn keuken. Hij haalt een paar uien en een groene paprika uit de papieren zak van de groenteboer en gooit ze argeloos over zijn schouder. De groenten blijven midden in de keuken in de lucht hangen. Otto schenkt een beetje olijfolie in een grote pan die op het fornuis staat en zet het vuur eronder aan. Eerst bakt Otto hierin het gehakt.

Dan pakt Otto een Japans Samuraizwaard van de muur en zwaait er gevaarlijk mee. Van schrik springen de uien, die nog steeds in de lucht hangen te zweven, uit hun droge velletjes. Maar Otto kent geen genade voor groenten. Hij zwaait het mes rond zijn schouders als een volleerd Ninja en loopt op de groenten af. Het zwaard beweegt nu op onmogelijke snelheid en Otto’s armen en het zwaard worden een zoevende, vage vlek om Otto’s bovenlijf. Als de uien en de paprika  in de baan van het zoevende zwaard komen worden ze in luttele seconden in fijne snippertjes gehakt. Als Otto klaar is, neemt hij de pan van het vuur en laat de uiensnippers en de stukjes paprika erin vallen. Behendigd schudt Otto met de hete, sissende pan zodat het gehakt, de uien en de paprika door elkaar gehusseld worden. Het begint al heerlijk te ruiken.

Otto kookt normaal eigenlijk nooit, maar hij heeft vandaag drie oude vrienden op bezoek. Ze hebben zijn snijkunsten met grote bewondering gadegeslagen. “Zo, en hoe was dat klassieke concert waar jullie gisteren heen waren eigenlijk?”. vraagt Otto terloops. Het valt meteen stil in het gezelschap. “Wat?”, vraagt Otto verbaasd, “Heb ik iets verkeerds gezegd ofzo?”. Otto hoopt dat hij zijn pokergezicht nog even kan vasthouden, want hij voelt een daverende lach opborrelen. “We werden alledrie ineens, eh, een beetje winderig”, zegt één van hen dan. “Een beetje? Man we zaten toch een partij te ruften!”, zegt een ander vervolgens. “Ja, er was geen houden meer aan, en die lúcht! Ik vond zelf zelfs dat ik stonk. We hebben alledrie vast iets heel verkeerds gegeten, maar wat?”.

Otto kan zijn lachen nu niet meer inhouden. Hij begint onbedaarlijk te schateren. De tranen springen uit zijn ogen. Als hij minuten later is uitgeschaterd, ziet hij dat zijn vrienden hem verbijsterd aanstaren. “Het was echt supergenant man”, zegt iemand en hij wil nog meer zeggen, maar Otto barst weer in lachen uit. Nog nasnikkend van de pret loopt Otto naar het fornuis en roert in de pan. Dan neemt hij de pan van het vuur en zet het op tafel. Als zijn gasten zien wat er in de grote pan zit, krijgen ze een vuurrode kleur. “Eh, Ik weet niet of het nou wel zo verstandig is, gezien onze extreme winderigheid van gisteren”, begint één van hen.

“O, maak je geen zorgen”, zegt Otto geruststellend,  “Ik verzeker je dat deze heerlijke Chili con Carne à la Otto je mórgen géén winderigheid bezorgt”. Zijn gasten kijken hem wantrouwend aan, maar scheppen dan toch op. Even later zijn de complimenten niet van de lucht. Ze vinden het alledrie voortreffelijk. “Gek, daarnet had ik nog buikpijn van gisteren en een borrelende maag, maar dat is ineens over”, zegt iemand. “Dat komt door de bijzondere en zeldzame soort bruine bonen dat ik heb gebruikt”, zegt Otto dan. Nu heeft hij weer hun volle aandacht.

“Kijk, het zit zo”, legt Otto uit, “Het zijn contratemporale* bruine bonen. Ik móet ze volgende maand zaaien, anders kon ik ze vorig jaar niet hebben geoogst. Het zijn absoluut de lekkerste bruine bonen die er zijn, maar ze werken wel in tegengestelde tijd. Je wordt de dag vóór je ze eet al vreselijk winderig,  zie je, en moet je dus niet naar een klasiek concert gaan bijvoorbeeld”. Triomfantelijk kijkt Otto zijn vrienden aan, “jullie kunnen toch wel tegen een geintje, toch?”. Maar Otto ziet dat hij zichzelf maar beter ergens heeeeel ver van zijn vrienden vandaan kan fwoepen.

* geïnspireerd door de “reannual plants” gefantaseerd door Terry Pratchett

Powered by ScribeFire.