Verhaal

Komkommertijd

– Lukt het nog om het deze week voor elkaar te krijgen, Jan-Joost?

– Oei, Klaas, ik weet ’t niet. Een week is ook maar een week. Maar ja, volgende week zit mijn agenda ook al weer heel vol. En in de week daarna ben ik 4 dagen op cursus, en dan is de maand al weer zo goed als om. Dus eigenlijk wordt het deze maand niet meer.

– Deze maand niet? O jee, maar wanneer dan wel?

– Eeeeehm, nou, in de komende maand gaan natuurlijk ook de eerste mensen al op vakantie, dus dan krijg je sowieso niet meer iedereen bij elkaar. En dat betekent dat ik dan de hele klus grotendeels alleen moet klaren, waardoor het zeker twee keer zoveel tijd gaat kosten. Komkommertijd hè, daar doe je niets aan.

– O, dus je hebt eigenlijk twee weken nodig?,

– Neeee-nee-nee-nee-nee, daar kwam jij zelf mee, met die week. Als we met het volledige projectteam hieraan zouden werken dan schat ik in dat we nog minstens 200 uur werk hebben om het af te krijgen. Dat is vijf en een halve werkweek als je uit gaat van voltijdscontracten, maar die heeft alleen Piet en die is dus al op vakantie en de rest is van het project gehaald om budgettaire redenen, dat weet jij heel goed.

– Juist, duidelijk JJ. Er zit nog 200 uur werk in, en jij bent de enige kracht waarover ik nog kan beschikken.

– Ten dele, Klaas, want ik heb ook recht op vakantie, net als iedereen.

– Juist, ten dele. Wanneer ga je zelf op vakantie?

– Over 3 week precies. Heerlijk naar Zuid-Frankrijk met de caravan.

– (Diepe zucht) Nou, dan moeten we het in hemelsnaam maar over de zomervakantie heen tillen.

– Ja, dat probeer ik je eigenlijk al de hele tijd duidelijk te maken, maar dat kwartje wou maar niet vallen. En dan moet je strak plannen want effectief wordt er eigenlijk alleen gewerkt in de maanden september t/m november, hè.

– O, laat me raden, op gang komen na de vakantie kost de rest van augustus en uitvieren tot de kerstvakantie duurt de eerste helft van december?

– Precies! Je begint het te begrijpen, Klaas jongen. En dat laatste kruipt elk jaar steeds dichter naar mid-november. Als ik jou was zou ik mijn planning nog eens goed herzien. Dit jaar lijkt het mij al niet meer haalbaar… ach, Klaas, kop op, nou moet je niet gaan huilen!

Eitje voor Otto

Het is vrijdagavond, dus dan doet iedereen boodschappen. Een vrouw slaat zich vlak voor de openende schuifdeuren van de supermarkt plotseling op haar voorhoofd. “Stom!”, roept ze uit, “portemonnee thuis laten liggen”. Ze loopt terug naar de auto en baalt, want ze had een parkeerplaats vlak bij de ingang. Die kwam vrij toen zij kwam aan rijden.

Ze start de motor en rijdt achteruit. Er staat al een roestige, oude VW Golf te wachten. Achter het stuur zit een gast met een zelfvoldane grijns op zijn smoel. De auto is duidelijk veel te klein voor de rare gozer, want hij zit er dubbelgevouwen in. Als de vrouw weg rijdt, parkeert Otto de Magiër zijn aftandse brik snel op haar plekje. 

Nog steeds breed grijnzend vouwt Otto zich uit zijn autootje. Dan beent hij zich met grote passen naar de ingang van de winkel. Eenmaal binnen en door het zwenkhekje, grijpt Otto een mandje en dreunt hardop pratend zijn lijstje op: “grove mosterd, doosje eieren, zakje kaasblokjes en dropjojo’s”. Omdat de mensen hem hier wel vaker zijn inkopen zien doen, kijken ze nauwelijks op.

“Grove mosterd, doosje eieren, zakje kaa…ja! daar liggen de eitjes!”, en Otto legt een sixpack eieren in zijn mandje. En zo doende werkt Otto zijn korte lijstje in luttele minuten af. Bij de kassa legt hij zijn boodschappen 1 voor 1 op de lopende band. De band staat stil, want de klant voor hem is nog bezig met pinnen. Bij de sensor die de band laat doorrollen ligt nog de boodschappenscheider. Otto kijkt verwachtingsvol naar de blozende kassière. Ze weet wat er nu komen gaat en als ze klaar is met het riedeltje “zegeltjes?, air miles?, bonnetje mee?” kijkt ze Otto aan. 

En dan pakt ze de boodschappenscheider waarop de band plotseling begint te lopen. Otto springt quasi-geschrokken in de lucht en roept: “Oh, jij kan zeker toveren!”. De kassière kan er desondanks om lachen. Ze bliept Otto’s boodschappen weg en zegt dan: “Dat is dan 9 euro 60 alstublieft”. Hierop kijkt Otto haar ineens verbaasd aan en roept luid: “Hee, wat heb jij nou achter je oor zitten!”,  en plukt dan een netjes gevouwen tientje achter haar oor vandaan. “Goh, da’s ook toevallig, dat is precies wat ik nodig had! Nou, alsjeblieft, en laat de rest maar zitten!”.

Otto hoeft natuurlijk geen zegeltjes en zo, loopt fluitend naar zijn auto terwijl hij de zak dropjojo’s open trekt, stapt in en rijdt dan helemaal naar de achterkant van de winkel. Er is daar geen uitrit van de parkeerplaats. En alleen de dikke duif op het dak van de winkel ziet hoe het Golfje simpelweg verdwijnt. 

Twee tellen later verschijnt het wagentje weer, bij een stomende en naar zwavel stinkende bron ergens in Ijsland. Otto de Magiër stapt uit. Er hangt een sliert uitgerolde dropjojo uit zijn mond. Dan pakt hij de eieren, doet ze in een plastic tas en hangt deze in het kokend hete water van de bron. Intussen slurpt Otto langzaam de dropsliert naar binnen. En na een minuutje of tien trekt Otto de tas snel uit het hete water, springt weer achter het stuur en is verdwenen. Nog steeds op Ijsland, maar dan midden op de Vatnajökull (Ijsland’s grootste Gletsjer) verschijnt Otto’s Golfje weer. Snel leegt hij de zak met gekookte eieren op het ijs en bedekt ze met een flinke laag ijs. “Ja dat is nog eens schrikken, hè”, zegt Otto. 

Otto opent de pot grove mosterd en het zakje kaasblokjes en legt deze op de motorkap. Dan pelt hij een eitje, wat natuurlijk formidabel goed lukt omdat het zo goed geschrokken is. Otto dipt het lekker royaal in de mosterd en stopt het geheel in zijn mond. Het eitje is nog lekker heet en precies goed! En zo vergaat het ook de andere vijf eieren. En met uitzicht op een lichtjes rokende vulkaan, gaan ook de blokjes kaas gaan met grote klodders mosterd naar binnen. Otto geniet.

Plotseling gaat er een hevige beving door het ijs en er verschijnt een grote scheur die zich in rap tempo uitbreidt, precies in de richting van Otto’s Golfje. Snel springt Otto van zijn motorkap en wil snel instappen. Maar dan glijdt hij uit. Hij kan zich nog net aan de deur vastklampen. Met verbeten gezicht weet hij zich op tijd in de auto te hijsen en weg te fwoepen. 

“Ik ben uitgegleden dokter”, zegt Otto de volgende ochtend bij de huisarts. Mijn hele enkel is dik. “Zo te zien is het behoorlijk verstuikt”, zegt de dokter, “daartegen helpt vooral rust, en je been omhoog”. Otto kijkt beteuterd: “Heb je niet een zalfje tegen de pijn of zo? Want het doet verrekte zeer”. De arts kijkt Otto aan en zegt dan: “Nee, dat is niet nodig. Doe er maar gewoon wat ijs op als het zeer doet. En wisselbaden doen ook wonderen bij verstuikte enkels”. Otto kijkt zijn huisarts meewarig aan. “Juist, ijs en wisselbaden, natuurlijk. Eitje”, mompelt hij. 

 

Weer

Een stad is op haar mooist bij de dageraad op de eerste dag van het voorjaar. Als de straten nog slapen. Als de pleinen nog verlaten zijn. Als je eigen voetstappen overal om je heen weerklinken. Alleen die van jou. Mijn eigen voetstappen deden bij het grote, door kale bomen omringde plein verderop ineens een kliekje stadsduiven opschrikken.

Met hun panische gefladder verstoorden ze de stilte rond het plein. Alsof iemand een handvol kiezelstenen in een rimpelloos meertje wierp. Tijdelijk is er eventjes een beetje chaos, maar het dempt snel uit zodat het oppervlak van het meer weer helemaal glad wordt.

Zo ging het ook op mijn plein. Het chaotische geklapwiek van de duivenvleugels ebde langzaam weg. En terwijl ik daarnaar luisterde zag ik de grijsaard. Hij lag midden op het plein, op zijn rug. Hij lag er heel vredig en keurig bij. Voeten recht naast elkaar, armen langs zijn lichaam. Alsof hij daar lag opgebaard. Zijn ogen waren gesloten en zijn gezicht zag zo grauw als de straatstenen zelf.

Ik versnelde meteen mijn pas en even later rende ik. Bij de man aangekomen hurkte ik neer en raakte zijn hals aan. Warmte! De man opende meteen zijn ogen en staarde verwonderd naar een punt ver boven hem. “Ben ik weer?”, vroeg hij toen verbaasd. “Nee, hoor, u bent nog steeds”, zei ik, eveneens verbaasd. Maar de man leek me niet te horen. “Ik bén weer”, zei hij. Toen keek hij mij recht aan. Ik keek in een onmetelijke diepte en voelde het hele universum. Het duurde maar een tel, maar ik voelde alles.

Het was zo overweldigend dat het me duizelde. In de volgende tel stond alles stil. Alleen mijn eigen hart klopte nog. Het sloeg één oorverdovende slag. Bij de volgende hartslag werd ik weer terug gezogen in het nu. Het gaf me het gevoel dat ik van grote hoogte op de aarde af suisde. Ik kneep mijn ogen dicht omdat ik bang was dat ik te pletter zou slaan.

De oude man sprak weer, maar het klonk van heel ver: “altijd…”. Ik moest mijn oren spitsen om hem te verstaan, want ik wilde niets liever dan dat. Zijn stem werd steeds zachter alsof het verwaaide: “ben ik…”. De sensatie te vallen hield plotseling op. Ik opende voorzichtig mijn ogen. Ik zat nog steeds op mijn hurken, precies midden op het plein. Voor me zag ik de lange, brede winkelstraat die op het plein uitkwam. De goudgele gloed van de net opkomende zon werd precies op dat moment zichtbaar op de plek waar de straat in de verte verdween.

De stad ontwaakte langzaam. Ook de wind ontwaakte en ruiste zachtjes, haast aarzelend door de bomen. En in het geruis hoorde ik weer de stem van de grijsaard. Het klonk als een diepe zucht. Ik keek naar de plek waar ik de grijsaard had aangetroffen. Niemand. Verwonderd keek ik om me heen, maar ik voelde dat ik de oude man nergens zou zien, dus ik richtte mijn blik weer naar het oosten. De zon schonk me de eerste warme straal van de dag. Een warme en onstuimige windvlaag kwam me van opzij tegemoet en deed de bomen vol verwachting ruisen. Er doorheen klonk fluisterzacht maar duidelijk, de stem van de oeroude man: “…weer!”.

Nog ’n Bokitootje Otto?

Hoe komt het dat een Guatamalese koffieboer een grote pluk Hollandse stro aan treft op zijn plantage?

Waarom verkneukelt Otto de Magiër zich erover dat zijn schele kater op een ochtend ontzettend nodig moet poepen?  

Op die bewuste ochtend loopt Otto de Magiër vrolijk fluitend naar de vaste schijtplek van Knarf, zijn monsterachtige kater. Hij duwt de takken van de grote, oude spar achterin zijn tuin aan de kant en woelt voorzichtig met een schep de aarde eronder een beetje om. Na even zoeken vindt Otto wat hij zoekt: een kuiltje vol met allemaal kleine, harde kattenkeuteltjes. Grinnikend graaft Otto de keuteltjes op. Tot nog toe loopt zijn plan op rolletjes. “Nee, hahaha, op drolletjes”, roept Otto uit. En met een plastic boodschappentas vol keuteltjes, dezelfde waarin hij eerst de in Guatamala geplukte koffiebessen had verzameld, loopt Otto naar de keuken. Daar pelt hij geduldig, 1 voor 1 de keuteltjes. In iedere keutel zit een grijs uitgeslagen koffieboon. Hij spoelt de bonen grondig schoon legt ze te drogen op de vensterbank, in het zonlicht.

Na een week of wat zijn de koffiebonen droog genoeg, en klaar om te worden gebrand. Otto aanschouwt ze tevreden in het licht van de volle maan. Het maanlicht geeft de bonen een magische glans.  Behoedzaam veegt Otto de bonen bij elkaar en stopt de meest potente koffiebonen die ooit hebben bestaan in een papieren zak. En met een knip van zijn vingers verdwijnt Otto, om even later te verschijnen bij zijn goede vriend Simon. Simon is koffiebrander, misschien heb je wel eens van hem gehoord.

Simon loopt door de branderij en voelt hoe zijn nekharen overeind gaan staan. Nagenoeg op hetzelfde moment hoort hij dit geluid: “fwwwwoep?!”. Simon kijkt rustig in de richting van het geluid en groet Otto met een opgestoken hand en een laag “heee”. Niet in het minst is Simon verbaasd dat Otto midden in de nacht op duikt. Otto steekt enthousiast van wal en laat hem de bonen zien. Simon steekt zijn neus in de zak en snuift de geur ervan op. Zijn ogen beginnen meteen te tranen en hij zegt: “jeeeesus, da’s goeie shit man. Is dat wat ik denk dat het is?”. Otto grinnikt en knikt enthousiast: “Ja, maar dan 100 keer beter”, en hij vertelt Simon het hele verhaal. 

Nu is het Simon’s beurt voor een stukje magie. Hij geeft Otto voor de zekerheid een gasmasker en zet er zelf ook eentje op. Dan gaat hij aan de slag met de in Knarf’s maag gefermenteerde bonen. Hij brandt ze driedubbel. Het resultaat is bijna twee en een half ons donkerbruine bonen die een magische zilverachtige glans hebben. Deze koffiebonen zijn zo potent dat alleen al de geur ervan je gegarandeerd drie dagen wakker houdt. Bij het malen van de bonen komt het potente aroma vrij, wat tot gevolg heeft dat alle mensen die in een straal van een halve kilometer rond Simon’s branderij wonen plotseling klaarwakker zijn.

Simon schept de gemalen koffie in het espressofilter en klikt het filter onder de espressomachine. Dan laat hij de machine zijn werk doen. Het apparaat puft en bromt en kraakt en perst dan druppelsgewijs een dampende, gitzwarte vloeistof in twee kleine koffiekopjes. Na een minuutje komt het apparaat sissend tot stilstand en zijn de kopjes vol. De damp die van de koffie komt heeft een magische zilverkleurige glans. 

Otto en Simon halen heel diep adem, nemen hun gasmasker af en houden hun adem in als ze de kopjes pakken. Ze moeten snel zijn, want het glazuur van de kopjes begint al te barsten. Zo snel als ze kunnen gieten ze de kleine kopjes leeg in hun mond. Even laten ze het in hun mond en slikken het dan door. Ze kijken elkaar dan plotseling met wijd opengesperde ogen aan, en beginnen over hun hele lijf te schudden. Uit alle poriën uit hun lijven parelt zweet. Zweet met een zilverachtige glans. Dan beginnen ze zich als bezetenen te krabben over hun borstkassen. Otto stoot een primair geluid uit en scheurt zijn hemd open, en ook Simon rukt zijn lab-jas, loeiend als Tarzan, open. Uit hun blote, kale basten schieten allemaal donkere haren, en binnen enkele seconden hebben de vrienden een borstkas waar Bokito jaloers op zou zijn. 

Verbijsterd nemen de vrienden elkaar op. Dan verschijnt er een manische grijns op hun gezichten en terwijl Otto alvast enthousiast met zijn hoofd knikt vraagt Simon: “nog ’n Bokitootje Otto?”