Verkeer

Ottoshopping

Brugwachter Janus heeft zomerdienst, en begint zijn werkdag rustig met een kop koffie en een krantje. Het is nog hartstikke vroeg. Maar hij zit nog maar net of hij krijgt een whatsappje van zijn collega verderop: “Werk aan de winkel Janus! Er komen 9 schuiten jouw kant op. Over 10 minuten zijn ze bij jouw eerste brug”. Hij stapt dus snel op de elektrische scooter en zoeft naar de bewuste brug.

Maar bij de brug aangekomen ziet hij iets totaal bizars. Hij wrijft eens in zijn ogen, en concludeert dat hij blijkbaar slaapt en een vreemde droom moet hebben. Wat hij hier ziet kan eenvoudig niet! In plaats van over het kanaal ligt de brug over de weg. En over deze brug tuft zojuist een leuk recreatiejachtje met bloemetjesgordijntjes voor de raampjes. De grijze roerganger is zelf al even verbaasd als Jonas.

Janus ziet in de verte nog meer schuitjes komen, maar dan klinkt plots een schor getoeter. Het is afkomstig van een aftands, roestig Golfje. De bestuurder draait zijn raampje open, en er verschijnt een woeste grijnzende kop met wenkbrauwen die lijken op grote harige rupsen. De rupsen springen op en neer, en ontmoeten elkaar voor een potje sumoworstelen in het midden boven een riante neus. De rare gast gebaart ongeduldig naar de brug en toetert nog eens.

Verdwaasd stapt Janus van zijn scooter en pakt zijn sleutelbos. Hij loopt naar het bedieningspaneel en haalt automatisch de benodigde sleutel erbij. Deze steekt hij in het contact, waarmee het ophaalsysteem wordt geactiveerd. “Ding-ding-ding-ding-ding-ding-ding…”, klinkt het. Janus ziet tot zijn verbazing dat de slagbomen neer gaan, over het kanaal heen. De schuiten moeten op de rem, als ze die zouden hebben tenminste. Met veel kunst en vaarwerk weten ze tot stilstand te komen voor de slagboom die hen de vaarweg verspert. Er ontstaat zowaar een kleine file op het water.

Dan drukt Jonas op de knop waarmee de brug normaal gesproken opgehaald zou moeten worden, en wis en waarachtig, de brug scharniert gestaag, zoals altijd, omhoog. Natuurlijk blijft het water gewoon aan het brugdek kleven. Onmogelijk, dus Janus weet zeker dat hij droomt. Uit Janus’ broekzak klinkt weer een bliepje, waarop hij zijn telefoon tevoorschijn haalt. Nog een whatsappje van zijn collega verderop: “Wat een drukte op het kanaal. Heb net weer 7 schuiten doorgelaten en er komen er al weer een stuk of 8 aan”. Janus maakt snel een foto van de openstaande brug en de lange rij wachtende schuiten achter de slagboom en stuurt deze naar zijn collega met de tekst: “Hou die 8 nog maar even tegen, want hier gebeuren hele vreemde dingen”.

Intussen start Otto de Magiër de motor van zijn lelijke Golfje, zet hem met een hoop gekraak in de eerste versnelling en rijdt grinnikend onder de geopende brug door. Aan de andere kant van het kanaal, stopt hij even om te kijken hoe de brug weer netjes dicht gaat, en even later de plezierschuitjes één voor één over de brug varen. Otto is uiteraard erg met zichzelf ingenomen. “Een strak staaltje Ottoshopping weer, al zeg ik het zelf!”, zegt ‘ie, en rijdt dan verder. Als hij de bocht om is, knipt ‘ie met zijn vingers, en alles is weer zoals het altijd was. Alleen die foto op Whatsapp niet, maar wat ze toch allemaal niet kunnen met Photoshop…

Advertenties

Otto en de lompe stier

Op een smal landweggetje rijdt met een rustig gangetje, een roestig Golfje, bouwjaar 1978. Ooit was het waarschijnlijk wit, maar dat is bijna niet meer te zien. Hier en daar zitten gaten in de carrosserie, en de achterbumper hangt scheef. De auto ziet eruit alsof het rijp is voor de sloop. De motor pruttelt en blaast af en toe hoestend een wolk zwarte rook uit de uitlaat. De motor is eigenlijk op sterven na dood. Dat het ding nog rijdt is een waar mirakel.

Achter het stuur zit een 2 meter lange magiër genaamd Otto. En de haastige bestuurder van een veel nieuwere Golf achter  Otto maakt de grote vergissing om te proberen om Otto op te jagen. Dit doet hij door dicht achterop Otto’s bumper te rijden en heen en weer te slingeren. Otto trapt resoluut op de rem. De bestuurder van de andere auto moet uitwijken en belandt daardoor met zijn auto half in de sloot.

Vloekend en tierend klimt de man – type lompe stier – uit zijn auto en beent op Otto af, die nog bezig is om zijn gordel los te maken. Woest rukt de boze man de deur van Otto open, met als gevolg dat de hele deur afbreekt. De man kijkt er even verbaasd naar, maar smijt de deur dan maar op de grond. Intussen vouwt Otto zich bedaard achter zijn stuur vandaan en staat even later tegenover het boze mannetje dat ruim 2 koppen kleiner is dan Otto. Het stiertje kijkt woedend naar hem op.

Otto duwt het rund eenvoudig opzij en kijkt met één oog door zijn duim en wijsvinger die hij vlakbij bij zijn oog heeft naar de andere auto. En terwijl hij door zijn duim en wijsvinger blijft turen, pakt Otto de auto simpelweg met zijn duim en wijsvinger vast, tilt het met gemak uit de sloot en zet het behoedzaam achter zijn eigen auto weer op de weg. Hij gaat tussen de twee auto’s in staan en knipt tegelijk met de vingers van zijn beide handen. Zowel de motorkap van zijn eigen auto, als die van de andere auto springen braaf open.

“Hee, wat ga je doen!?”,  vraagt het stiertje waarvan de boosheid intussen is omgeslagen in verbazing. “Ssssst!”, sist Otto en sluit zijn ogen. Hij mompelt iets dat klinkt als “zabbazabbajaja,zabbazabbajaja zabbazabbazap” en klapt plotseling zijn grote handen hard op elkaar. De motoren van beide auto’s starten en klinken alsof er iemand steeds  de gaspedalen van de auto’s intrapt en weer loslaat.  De motor van Otto’s eigen auto pruttelt en rochelt terwijl er vette wolken zwarte rook uit de uitlaat komen. De andere, veel jongere motor klinkt veel gezonder.

Otto staat, nog steeds met de ogen gesloten, tussen de twee auto’s in, met zijn linker handpalm naar zijn eigen auto gericht, en zijn rechter handpalm naar de andere. En dan, in één snelle beweging, zwaait hij zijn linkerhand boven zijn hoofd naar rechts, en zijn linker hand voor zijn buik naar rechts. Vanonder beide motorkappen komt op het zelfde moment een felle flits. Beide motoren draaien nog steeds, maar nu komt het gepruttel en gerochel uit de moderne Golf, evenals de zwarte rook.

Otto wrijft in zijn grote handen en wil weer in zijn auto stappen, maar bedenkt zich. Hij loopt terug naar de andere auto en rukt het bestuurdersportier eraf. Deze neemt hij mee naar zijn eigen ouwe Golfje en bekijkt of het op zijn auto past. Het is ruim 10 centimeter te breed, en past eigenlijk niet.  Otto geeft de deur dan maar aan het lompe stiertje, die het verbouwereerd aanneemt. “Wa-wa-wa,  hoe-hoe-hoe?”, stamelt deze. Maar Otto geeft geen antwoord.

Rustig pakt Otto zijn eigen deur op en houdt het op een paar centimeter afstand van zijn auto, en laat het los. Alsof het door een sterke magneet werd aangetrokken, klikt de deur weer vast. Tevreden opent Otto vervolgens zijn deur en stapt behoedzaam achter zijn stuur. Hij draait zijn raampje open en zegt: “bedankt voor de motor, die van mij was al wat op leeftijd en lekte olie. Hij draait niet heel best meer, maar je komt er waarschijnlijk nog wel mee thuis hoor!” En dan scheurt Otto er met piepende banden vandoor. De arme stier kijkt hem, door het raampje van het portier dat hij in zijn handen heeft, met trillend onderlipje na.

Onverdraagzaamheid – les 4 : “Neem jezelf overdreven serieus”

Dit is les vier in de serie “onverdraagzaamheid in 10 stappen“, waarin je op ridicule manier leert hoe je jezelf kunt veranderen in een intolerante hork. Wie wil dat nou niet?

De hork die jij ambieert te zijn is een hoekig en autoritair persoon. Hoekig vanwege zijn (of haar, maar dat laat ik in het midden) ruwe karakter. Autoritair vanwege zijn rotsvaste geloof in zijn superioriteit. Aan die superioriteit ontleent hij zijn status en zijn macht. Het mooie is dat je niet eens echt superieur hoeft te zijn om je autoritair te kunnen opstellen. Je hoeft alleen maar te geloven dat je boven iedereen verheven bent. Je hoeft jezelf eigenlijk alleen maar overdreven serieus te nemen, en dan volgt de onverdraagzaamheid vrijwel vanzelf.

Wat moet je doen?

Stap 1:

Begin met je lichaamshouding. De hork gaat met opgeheven kin door het leven en kijkt de medemens langs zijn neus met arrogante blik aan. Oefen dit voor de spiegel. Waarschijnlijk durf je jezelf aanvankelijk niet eens aan te kijken, maar doe dat toch. Kijk jezelf recht in de ogen en zie jouw innerlijke hork. Ook al stelt het niks voor, geloof in jouw superioriteit. Straal onwrikbare autoriteit uit. Jij bent beter dan anderen. Wee degene die durft te tornen aan jouw gelijk. Als je dit kunt zonder lachstuipen ben je al een heel eind op weg om jezelf te serieus te nemen.

Stap 2:

Waar je ook gaat: straal uit dat jij voor niemand wijkt. Oefen dit bijvoorbeeld in een drukke winkelstraat. Loop tegen de stroom in terwijl je strak voor je uit kijkt (langs de neus!). Jij bent een massief, niet te stuiten, bot projectiel. Doorklief het gepeupel. Als je dit kunt zonder botsingen, mag je jezelf hork noemen.

Stap 3:

Koop (of lease) een BWM of andere macho-wagen, bij voorkeur een zwarte. Meet jezelf vervolgens een agressief rijgedrag aan: Toeter binnen 2 seconden nadat het stoplicht op groen springt naar de slome weggebruiker voor je die nog naar het gaspedaal op zoek is. Kleef drammerig bumper als je voorligger ook maar een kilometer per uur minder dan de maximaal toegestane snelheid rijdt. Haal eventueel roekeloos in, desnoods via de vluchtstrook. Jouw opgefokte, asociale bak verheft je boven de rest van het verkeer. Ja, voel jezelf ook opgefokt, want dat past bij de hoekige hork.

Stap 4:

Nu wordt het serieus. Deze laatste stap is het puntje op de i. Begin hier niet aan zonder eerst stap 1 en 2 te doorlopen. Stap 3 mag je zien als een extra hulpmiddel.

Durf belachelijke stellingen te nemen en herhaal deze omdat je gelooft dat je anders niet meer serieus genomen mag worden. Bijvoorbeeld dat je vindt dat er minder Marokkanen in Nederland moeten zijn. Eigenlijk gaat het er vooral om dat je jezelf serieus moeten kunnen blijven nemen om je verheven te kunnen blijven voelen boven de rest van de mensen met hun zielige standpuntjes. Haal ook je neus op voor die neuzelende wetenschappers. Wetenschap is ook maar een mening, toch? En veracht bovenal de rechtsstaat, want jou krijgen ze nooit klein. Goed bezig!

Eerdere lessen in onverdraagzaamheid:
Les 1
Les 2
Les 3

Tegenzitter

Schepen liggen tegen. Dat klopt ook, want schepen liggen in het water. Bezien vanuit een stuurhut, ligt een tegenliggend schip met de boeg in jouw richting. Het woord tegenligger komt uit de scheepvaart en is in onze taal blijven steken. Dat is allemaal leuk en aardig, maar het is niet logisch.

Wij noemen fietsers die in tegengestelde richting fietsen ook “tegenliggers”. Fietsen liggen niet als ze bereden worden. De fietser zelf soms wel, als het een ligfiets betreft. Daar zit dan ook de verwarring. Bij auto’s doen we precies hetzelfde. Het is een warboel.

En als we “tegenligger” zeggen, hebben we het toch eigenlijk over het gedrag van de bestuurder van het voertuig? Een voertuig zelf zit of ligt niet. Ja, wegligging is dan wel een belangrijke eigenschap is van een auto. Maar fietsen hebben geen wegligging. Dat is allemaal verwarrend. Ik wil zo graag duidelijkheid. Een fietser zit op het zadel van de fiets. Ook op een ligfiets is er eigenlijk ook sprake van een zithouding, ook al is het een lage. En ook automobilisten, buschauffeurs en truckchauffeurs zitten achter het stuur.

Dus ik wilde voorstellen om als tegenhanger van de maritieme tegenligger in het verkeer voortaan de term tegenzitter te bezigen. Iedereen voor?

Suv gedrag

Voor mensen met zo’n dikke, vette SUV onder hun kont, gelden blijkbaar andere verkeersregels. De voorrangsregels worden bijvoorbeeld gehanteerd vanuit het principe: “mijn auto heeft een veel te lange remweg vanwege het overgewicht, dus ik rem liever niet als het niet echt nodig is”. En op de snelweg schijnen ze met hun vadsige koplampen zo lekker fijn precies in je spiegels als ze aan je bumper kleven.

Bij het parkeren blijkt de vetzucht helemaal duidelijk: ze hebben meestal niet genoeg aan 1 parkeerplaats. Net als dikke mensen in de bus twee stoelen nodig hebben, hebben SUV’s twee P’s nodig. Dit autobesitas is een groeiend probleem voor de maatschappij. Deze vette wagens nodigen uit tot ongezond gedrag bij de berijder en hinderlijk en gevaarlijk gedrag voor medeweggebruikers. 

Eigenlijk is er maar één oplossing: wagenverkleining. Het valt me trouwens ook op dat de berijders van SUV’s opvallend vaak ook nogal overgewichtig zijn. Zouden SUV’s dan extra brede stoelen hebben? Ik vermoed van wel. En de achterbank is natuurlijk vierzits voor hun twee kinderen… Voor een succesvolle wagenverkleining dienen de be- en bijrijders dus waarschijnlijk eerst op dieet te moeten. Ik zie de speciale aanbiedingen al bij de autofabrikanten die hierop slim gaan inspelen: Ruil je SUV in voor een nieuwe Toyota Yaris, en krijg een gratis maagverkleining!

Oh Mark, wat grof. Sorry, ik kon vanochtend mijn eigen bescheiden auto niet parkeren bij de AH omdat er zo’n dikke. asociale, vette SUV op twee P’s stond! En scheef bovendien! Zo, dat is er uit. 

Overstekende huppel…

Om me heen zie ik louter hippe mensen. Erg thuis voel ik me er niet. Rondom mijn hotel bevinden zich clubs vol met hippe gasten. Het hotel zelf is ook hip. Door mij is de hipte in het hotel en de omgeving wel wat gedaald, maar ik denk niet dat het erg opvalt. Ik bevind me kennelijk in één van Stockholm’s hipste regionen. Mijn Zweedse gastheer legde me uit dat dit een upper class area is. Vandaar namelijk al die schone Zweedsen, zo legde hij verder uit. Die komen blijkbaar op dit gebied af als vliegen op een koeievlaai.

Ik dacht eigenlijk ook al dat die Zweedse schonen helemaal niet bestonden, net zo min als al die elanden waarvoor langs de Zweedse wegen wordt gewaarschuwd. Misschien zitten die elanden dan ook wel hier in Stockholm, in de upper class area. In mijn veel te hippe hotel staat wel een hip kunstwerk (zie foto) dat dit vermoeden verder versterkt.

moose-art.jpg

Die Zweedse schonen zien er overigens opvallend uniform uit. Ze hebben allemaal een paardestaart (of zouden ze het hier een moose tail noemen?) en dragen opvallend vaak een zwarte legging met vaak ook iets zwarts erboven. Ze bewegen zich vooral huppelend voort op felgekleurde sneakers, terwijl ze via de witte oorplugjes van hun hippe iphone kwetteren met andere hippe vogeltjes. Het zijn bijna wandelende silhoueten. Je zou ze zo op een verkeersbord kunnen plakken: let op, overstekende huppel…

Heren horen niet in bussen

Tussen Zwolle en Meppel reden gisteren even geen treinen. Dat heb je soms. Deze keer stonden er ruimschoots genoeg, luxe bussen klaar. Als schaapjes werden de passagiers bijeen gedreven door mannetjes en vrouwtjes in fluoriserende gele vestjes. Gedwee liet ik me mee drijven tot ik op mijn plekje in de bus zat. De chauffeur had sky radio aan staan. Uit de plafond-speakers boven de stoelen klonk muziek uit de jaren 80. Roxette, geloof ik.

Schuin voor me ging een deftig heerschap met een Frans hoedje op zijn grijze kop met een diepe zucht zitten. Hij spotte de chauffeur van de bus die even door de bus liep om te zien of iedereen recht zat. “Chauffeujjjj, kan dit uit alstublieft?”, riep het heerschap met de Franse hoed, en hij wees naar de plafond-speaker boven zijn hoofd. “Nee, dat kan niet”, zei de chauffeur kortaf. Het heerschapje keek geërgerd om zich heen, op zoek naar medestanders, maar zijn buurman deed snel zijn oordopjes in. Zelf dook ik maar in mijn elektronische boek.

De heer met het hoedje zag er nu toch wel wat sneu uit. Hij had zijn tas op zijn knieën en zijn handen om de hengsels geklemd. Het is me ook wat: van ruime stoel in de 1e klas naar een krappe stoel in een bus. Ik zat feitelijk in hetzelfde schuitje, maar schikte me maar gewoon naar de situatie. Ze hadden me ook uren op het koude perron kunnen laten staan in vertwijfelde afwachting op informatie over de toestand. Maar het heertje met de Franse hoed wilde het er niet bij laten zitten. Met bevende handen haalde hij een papiertje uit zijn tas. Een foldertje over ’t een of ’t ander. De achterkant was blanco. Toen haalde hij een chique pen uit zijn binnenzak en schreef hij driftig: “17.50, in de bus”.

Het boze heertje dacht een tijd na. Zijn dikke vingers frummelden nerveus. Plotseling beseft ik me dat ik de man zat te bespieden, dus besloot ik mijn ogen maar even dicht te doen. In mijn gedachten schreef ik met het boze heertje mee: “Geachte heer, met diepe verontwaardiging wil ik u mededelen dat ik door de uwen nogal onheus en met onbetamelijk gebrek aan respect voor oudere heren met hoeden bejegend ben”, zoiets.

Het duurde niet lang voor we in Meppel aan kwamen. Niks langer dan de trein erover zou hebben gedaan. Toen ik mijn ogen open deed ving ik een glimpsje op van het papiertje van het boze heertje met de Franse hoed. Er stond een tijdslijn op. Aan het begin ervan stond 1979. Toen was het OV-personeel nog vriendelijk en beleefd. Toen zette de NS nog taxi’s in voor heren met Franse hoeden. Heren horen toch ook niet in bussen waar je wordt gedwongen te luisteren naar popmuziek?