Weer

Schapenbloemen

We zijn op weg terug naar huis na een te kort weekje camperen in het bos en rijden langs een weide die geel ziet van de paardenbloemen. Het is een schitterend gezicht. Ik wijs ernaar en zeg tegen ons kleuterjochie: “Kijk eens, heeeeel veel paardenbloemen in de wei! Zometeen komen de paardjes om ze op te eten”. Het ventje, dat naast me zit, kijkt maar buiten en speurt naar paardjes. “Waar zijn de paardjes nu dan, papa?”, vraagt hij dan. Ik antwoord: “Ik weet het niet. Misschien zijn ze ook wel op vakantie”.

Daar neemt mijn ventje blijkbaar genoegen mee, want hij geeft geen commentaar. Maar even later rijden we langs de ijsbaan. Nu is het gewoon een groen, weitje met alleen maar gras. Er loopt een handvol schapen op. “Kijk papa!”, roept ‘ie dan ineens, “de schaapjes hebben de schapenbloemen allemaal al opgegeten!”. Die ijzeren logica heeft ‘ie natuurlijk van zijn vader, dat is duidelijk.

Advertenties

Het geheim van een lekker bakkie

image

Dit wordt mijn geitewollesokkigste verhaal ooit, maar ik ben nou eenmaal in die stemming. Het kan zo de Libelle in, zo erg. Het komt door het heerlijke, zonnige herfstweer buiten. Ik kreeg spontaan zin in een strandwandeling in een trui met kabelpatroon die ik niet heb, maar toch. En natuurlijk gaat de gezinslabrador – die ik ook niet heb, maar toch – ook mee. En als ik dan thuis kom wil ik natuurlijk een perfect, ouderwets bakkie. Geen moderwetse turbokoffie uit zo’n yuppiemachine (die overigens wel in onze keuken staat, maar toch), maar een eerlijke kop dampende, zelfgezette koffie.

Lekkere koffie hangt voornamelijk af van versheid, reinheid en rust. Zo voel ik dat. De koffie is vers gemalen. Waar de koffie vandaan komt is opzich ook heel bepalend voor de smaak, maar koffie gezet van ranzige, raszuivere Guatamalaanse Antigua (mijn favoriet) is ook niet te zuipen. Versheid voorop dus. Gemalen koffie blijft hooguit drie dagen goed. Ongemalen, gebrande bonen kun je ook maar enkele weken bewaren. Daarom drink ik dus ook zoveel koffie, want het bederft heel snel.

Koffiebonen zijn eigenlijk de pitjes van de vruchten (het lijken net kersen) van de koffieplant. Die pitjes worden door de koffieboer gewassen en gedroogd. Dat proces is al bepalend voor de smaak, maar daar heb je als gewone Hollandse koffieleut weinig invloed op. Die gedroogde pitjes bevatten de olie die dat heerlijke aroma aan de koffie geeft. Ze zijn in gedroogde, ongebrande vorm trouwens maanden lang houdbaar. In de koffiebranderij worden ze geroosterd tot de boontjes barsten. Vanaf dat moment kan de olie er veel sneller uit “lekken”. Er vindt één of andere chemische reactie met de lucht plaats geloof ik, maar hoofdzaak is dat de belangrijkste smaakbepaler na het branden van de bonen sneller vervliegt. Een kwestie van enkele weken en je kunt je gebrande bonen weggooien. Als je die bonen maalt vervliegt de olie nog sneller vanwege het veel grotere contact met de lucht. Vacuüm verpakken kan de houdbaarheid dus aardig verlengen, maar ik drink maar gewoon veel koffie.

Die olie zet zich tijdens het zetten van de koffie af in je koffiezetapparaat. In de pot, in het filter, in al die leidinkjes van de ingewikkeldere apparaten. Die olie wordt ranzig en gaat een vieze smaak aan je koffie geven. Kortom: hou je apparaat goed schoon. Op kalkaanslag blijft nog meer olie zitten, dus regelmatig ontkalken. Denk ook aan eventuele potten waarin je je koffiebonen (of gemalen koffie)bewaart. Maak ze goed schoon voor je er nieuwe koffiebonen in doet. De Duitse bierbrouwers hebben hun Reinheitsgebot voor bier. Voor koffie geldt eigenlijk hetzelfde.

En dan rust. Neem de tijd. Geniet van het riteel van het koffie zetten. Bijkomstig effect is dat je zorgvuldig te werk gaat. Mijn fijnste lekkere bakkie is ouderwetse Hollandse filterkoffie. Ik pas precies genoeg water af (1 kopje per maatschep koffie) en zet de waterkoker aan. Terwijl het water kookt maal ik de bonen. Ik doe de heerlijk geurende, gemalen koffie in het koffiefilter. Dan klikt de waterkoker uit. Ik laat het hete water 1 à 2 minuutjes staan (te heet water maakt de koffie heel smerig, ik weet niet hoe het komt, rond 85 graden celcius schijnt ideaal te zijn) en spoel ondertussen de thermoskan met heet water om. Dan zet ik de filterhouder op de pot en giet heel rustig de waterkoker er in leeg. Met een druppelstraaltje waarbij ik rondjes draai boven het filter. De zalige geuren die in mijn neus drijven, de prachtige kleuren van de schuimlaag op de koffiedrab in het filter en de zonnestralen die door het keukenraam op mijn handen komen, brengen mij in die Libelleske geitenwollensokkenstemming. Ik kan er niks aan doen.

Otto’s stemmingmakerij

Otto de Magiër staat midden op de hei. Zijn grote, blote voeten een eindje uit elkaar in het natte veen. Armen naast zijn lichaam, vingers gespreid. Zijn ogen zijn gesloten en zijn gezicht is ontspannen. Hij stond daar al voor de zon op kwam. Hij staat er al uren. Om hem heen is het heel stil. Zelfs de wind die hier altijd staat is gaan liggen. Otto heeft zijn plaats in genomen lijkt het wel. En dat is dan ook precies wat hij heeft gedaan. Otto is de wind. De wind die door Nederland waait. Behalve op dat plekje op de hei.

De wind waait kriskras door het hele land. Plagerig schudt hij haren in de war en blaast hij toupetjes in de lucht. Hij ruist door het gewas en giert over de daken. Hij laat de populieren buigen en maakt schuimkoppen op het water. Otto is in zijn element. Dan ziet hij beneden op straat, in een drukke stad een klein mannetje lopen met golvende witte lokken. Professionele body guards om hem heen. Otto gaat er onbevreesd op af. Onderweg verzamelt hij zand en bladeren. Hij begint te draaien. Steeds sneller en sneller. Het mannetje met de witte lokken kijkt nu argwanend in zijn richting. Hij likt nerveus aan zijn bovenlip. 

Op de hei balt Otto zijn vuisten. Het kleine mannetje duikt angstig ineen achter zijn body guards. Een woeste, wervelende kolom van zand en bladeren raast op het groepje af. De body guards gaan dichter om het kleine mannetje staan. Otto giert om hen heen. Steeds harder en harder. Het groepje is helemaal verdwenen in zijn onstuimige wervelwind. Het geraas is oorverdovend. De body guards staan ineengedoken met hun armen voor hun gezicht. En dan is het plotseling afgelopen. De body guards wrijven het zand uit hun ogen en slaan de bladeren van hun kleren. Het kleine blonde mannetje ligt op de grond, zijn armen stijf om zijn opgetrokken knieën heen.

Door het hele land kijken honderdduizenden mensen ineens verdwaasd naar het rode potlood dat ze in hun hand hebben. Het lijkt wel alsof ze uit een droom zijn opgeschrikt. De punt van het potlood zweeft boven het stembiljet. Vertwijfeld wrijven ze door hun haren en schudden ze hun hoofd. Er valt zand op het stembiljet. En dan, in een moment van absolute helderheid, kleuren ze toch een ander vakje rood.

 

Mooi Weer Partij

Nu wisten we al dat er politieke geluiden opgegaan zijn over de verpakking van de weersvoorspellingen. Die verpakkingen moeten prettiger. Het weerbericht moet positiever. Ik vind dat dus al dikke stierenpoep. Maar toen ik las over die protestmars in Amsterdam tegen het slechte weer, brak mijn klomp. Ze eisen nota bene betere weersomstandigheden. Het moet toch niet gekker worden? Alsof weersomstandigheden beïnvloedbaar en onderhandelbaar zijn. Wat een mafkezen!

Het is dus alleen nog een kwestie van tijd voor zo’n mafkees de Mooi Weer Partij opricht. Ik zie het al helemaal voor me. De partijkleur is geel met een zonnetje als logo. Op het programma staan belachelijke zaken zoals het instellen van een wettelijke maximale neerslagnorm waarbij gemeenten die niet onder die norm blijven een boete krijgen, of een nationaal verbod op het bezit van paraplu’s en andere vormen van weerpessimisme. En zonnestudio’s moeten natuurlijk gratis worden en emigratie naar warme landen moet binnen ieders handbereik komen. Een enorme berg stierenpoep dus. Maar mafkezen te over in dit land, dus die partij maakt nog een goeie kans op zetels ook. Zucht.

Aanstaande zaterdag is de protestmars. Ik kan niet wachten tot de krantenkoppen van maandag, als het eindelijk zomerweer is: “Protestactie tegen slecht weer bijzonder succesvol!”. Laat me alsjeblieft niet lachen.

IJs voor de Koorts der Koortsen

De koorts der koortsen is weer uitgebroken, en het is blijkbaar besmettelijk. De koorts wordt verspreid via internet, kranten, radio en televisie. Maar weinigen zijn er tegen opgewassen. Het maakt niet uit hoe nuchter je bent, de koorts laat je niet koud. De strenge vorst stijgt ons naar het hoofd en maakt dat we hunkeren naar ouderwetse, oer-Hollandse taferelen. De Koorts vinden we eigenlijk best cool.

En hoezo Euro-crisis? De dikte en kwaliteit van het Friese ijs zijn nu veel belangrijker. Als er al ergens de crisis over is losgebarsten is het over het wel of niet ingeloot zijn voor deelname aan de Elfstedentocht. Koortsachtig poetst half Friesland het ijs op de route van de Tocht der Tochten schoon en wordt met blote nagels het aangekoekte sneeuw van het ijs gekrabd. De rest van Nederland ziet het machteloos aan vanaf hun banken en hangt aan de lippen van Gerrit Hiemstra voor hoopgevende ijsstatistieken. We snakken naar die Elfstedentocht, maar het ijs is nog te zwak. Het is ijscrisis!

Maar u bent niet machteloos! U kunt Nederland helpen aan de Elfstedentocht die het zo bitter nodig heeft. Er is een ijsinzamelingsactie gestart voor het verstevigen van de zwakke plekken en het dichten van de wakken. Zet daarom vanavond al het ijs op de stoep dat u kunt missen, zoals ijspegels, uitgebikte tuinvijvers, bevroren waterleidingen, ijsklontjes (maakt niet uit of ze al gebruikt zijn in de bacardi, whisky, vodka, bayley’s) of wat dan ook als het maar ijs is. Alle ijs is welkom: ijs voor de Koorts de Koortsen.

Koning Winter, ontwaak en regeer!

De ganzen trekken al weer naar het warme Zuiden. Al lijkt dat “al weer” dit jaar een beetje later dan normaal te vallen. De seizoenen zijn de kluts kwijt. Koning Winter ligt nog in zijn slaperige oogjes te wrijven terwijl Harrie Herfst nu eindelijk eens goed op stoom is gekomen. Harrie heeft nog veel te veel pret met zijn onstuimige stormen. Hij is nog lang niet uitgegierd. Laat die kille koning nog maar even lekker liggen, denkt Harrie. 

Op de achtergrond rekt Lotte Lente zich al wat uit. Af en toe valt haar mooie voetje uit haar bed en raakt de grond. Onmiddelijke schieten er overal scheuten uit de grond en hervatten madeliefjes hun bloei. Stiekem neuriet ze soezende slaapdeuntjes om Koning Winter lekker te laten doorslapen. Lotte popelt om uit haar roze hemelbed te mogen komen. Laat die kille Koning maar lekker in zijn nest liggen, denkt Lotte.

Maar Lotte moet het niet te warm maken, want anders wordt Sjoerd Zomer te vroeg wakker. Lotte en Harrie spannen daarom samen. Samen zijn ze een lekker stel. Als het weer te mooi dreigt te worden, mag Harrie van Lotte eens even fijn huishouden in het lage land. Door deze stiekeme verhouding tussen de Herfst en de Lente, komt Sjoerd steeds later. Sjoerd is een slappeling geworden. 

Koning Winter moet maar eens worden wakkergeschud. Het is tijd dat hij de seizoenen weer in het gareel brengt. Het is tijd om ons kikkerklimaat weer in zijn ijzige greep te nemen. Koning Winter! Kom met uw vorstelijke doch luie derrière uit uw nest en laat uw ijzige wetten weer gelden. Ons klimaat rommelt maar wat aan zonder uw bezielende leiding.

Democratie werkt niet in het weer. Het weer moet strak geregeerd worden. Koning Winter, beter was u een dictator. Neem uw diepgevroren scepter en zwaai Harrie ermee om zijn oren. Dek Lotte toe met een dikke laag sneeuw. Sleur die slappe Sjoerd weer terug naar zijn plek. Alle seizoenen weer op hun plaats en hou ze daar. Laat ons bibberen en beven, zodat we weer weten waar we aan toe zijn. 

Otto ontmoet Knarf

“Scheer je toch weg! Schele ouwe Knarf!”, zei Otto quasikwaad tegen ongetwijfeld de lelijkste kater ter wereld. Het nogal fors uit de kluiten gewassen beest heeft een gitzwarte zwarte vacht en opzich schitterende groenblauwe ogen, maar hij loenst als een te ver doorgefokte Siamees. Bovendien mist het mormel het grootste gedeelte van zijn linker oor en heeft het een groot litteken dwars over zijn neus. Dat liep hij ooit eens op toen hij een volwassen buizerdmannetje ving. De buizerd beet zijn oor eraf en zette zijn grote klauw in Knarf’s neus. Het litteken loopt door tot de rechterkant van zijn bek, waardoor hij die niet meer helemaal kan sluiten. Hierdoor lijkt het alsof Knarf een ongure, scheve grijns op zijn bek heeft. De buizerd smaakte erg lekker, weet Knarf nog.

Otto de magiër is de enige mens die Knarf verdraagt. Dat is volkomen wederzijds. Otto en Knarf begrijpen elkaar op een soort onderbewuste, instinctieve manier. Hun eerste ontmoeting was in wat Otto “thuis” noemt. Knarf, dat was overduidelijk zijn naam, lag heel vanzelfsprekend in Otto’s favoriete, luie en enige stoel toen Otto ’s avonds thuis kwam. Otto begreep meteen dat hij een nieuwe stoel moest gaan zoeken. Deze stoel had Knarf zich toegeëigend. Otto had zijn schouders maar opgehaald en keek ook niet op van de enorme ravage in de keuken. Overal bloedspatten en veren. In het midden lag een half opgevreten karkas van een grote roofvogel. Een kat met gevoel voor spektakel, dacht Otto, precies het huisdier dat bij hem paste. 

Otto zette alle deuren en ramen van zijn huis open en liep weer naar de keuken. Hij ging wijdbeens staan en zorgde dat de kater hem kon zien. Hij haakte zijn vingers in elkaar en duwde zijn handen naar buiten, palmen naar voren. Zijn vingers knakten. Theatraal zwaaide hij toen zijn armen op zij, vingers gespreid. Plotseling begon het hard te waaien buiten. En omdat de ramen open stonden waaide het ook in huis. Otto liet de wind tot stormkracht toenemen. Ramen en deuren klapperden. De wind gierde door het huis. Natte bladeren waaiden naar binnen en begonnen om Otto heen te wervelen. Ook de veren werden door de steeds sneller draaiende wervelwind opgepakt. Even later was Otto helemaal verdwenen in een wilde, draaiende gierende wolk van troep. Otto maakte zich nóg kwader en ontlaadde het in de om hem heen draaiende wolk. Het effect was spektaculair. Er schoten heuse bliksemschichten uit zijn wolk en het begon naar ozon te ruiken in huis.

“Knarf!”, bulderde Otto boven het gegier uit, “sleep dat vieze, stinkende karkas naar buiten of ik rooster je levend!”. Hierop tilde Knarf zijn dikke lelijke kop op en keek Otto met een oprechte blik van respect  aan, in ieder geval met zijn rechter oog. Kennelijk was het het waaihoofd dat daar in de keuken stond te tieren, menens. Toch wilde Knarf wel eens weten hóeveel menens precies. Dus hij stond langzaam op, draaide zich om en plofte weer neer. Zijn grote lelijke kop weer tussen de poten en gewoon verder slapen. Otto werd woest en met een gigantische knal en flits zapte hij gericht naar Knarf. Deze slaakte een kreet waar een krolse puma jaloers op zou zijn geweest. Met zo’n vuile blik van totale minachting die alleen katten kunnen produceren, sjokte Knarf naar het buizerdkarkas en nam het in zijn grote bek. Nonchelant, en schijnbaar zonder moeite liep Knarf met de halve buizerd in zijn bek, tegen Otto’s razende storm in, naar buiten. 

Otto liet de woedende wervelwind nog eens goed door zijn huis razen. Het pikte al het vuil, maar ook rondslingerende sokken en een stapel oude kranten op. Otto richtte de wervelwind door de voordeur naar buiten, de nacht in en liet het los. De wind om het huis nam weer af en de vuilwolk viel uiteen. De bladeren en buizerdveren dwarrelden rustig neer. In huis was geen vuiltje meer te bekennen. Otto liet zijn grote handen met een laatste harde klap op elkaar komen, waarop alle ramen en deuren in één klap dichtsloegen. Knarf lag al weer op zijn stoel te ronken en is sindsdien bij Otto blijven wonen. In de vacht op zijn rug liep een nog nasmeulende kale zigzag-lijn waar Otto’s bliksem hem had geraakt. Wat een beest.

Binnenzak

Soms zou ik in de binnenzak van mijn eigen warme jas willen kruipen, terwijl ik het draag
Bijvoorbeeld op zo’n waterkoude, mistige herfstochtend op het perron waar mijn trein moet aanmeren
Heerlijk beschermd tegen de elementen rolde ik me dan lekker op in mezelf
Ik zou weer lekker in slaap dommelen op de deining van mijn eigen ademhaling
En als de trein dan kwam, werd ik ruw door mezelf uit mijn binnenzak gevist en in de trein gesmeten, dat wel
Maar eenmaal zittend in de coupe kruip ik weer fijn in mijn binnenzak en snurk verder

En tóch zal er snert zijn!

De buitenthermometer beweert vandaag dat het buiten 14 graden is. Wat een slap gedoe. Het zou nu moeten stormen en regenen. Mijn dikke jas en sjaal hangen te popelen in de kast en mijn dunne jas steekt, bij het toevallig passeren van mijn dikke jas, zijn tong uit. Dit zachte weer is snertweer van lik-mijn-vestje. Zo smaakt de boerenkoolstampot nergens naar, laat staan dat we zin hebben in snert.

Het ziet ernaar uit dat mijn kinderen op 11 november in T-shirt langs de deuren kunnen met hun lampionnen. Windstil en zwoel zal het zijn. Vorig jaar stormde het op Sint Maarten. De lampionnen waaiden voor de kinderen uit en hun kleine stemmetjes kwamen nauwelijks boven het gegier en gebrul van de storm uit. Dát is pas snertweer. Dáár worden ze pas hard van. O, wat smaakte dat karige beetje snoep dat ze bijelkaar hadden gezongen ze toen goed.

Op 12 november meert die Spaanse stoomboot ook weer aan in Nederland. Vroeger begonnen de winters al halverwege de herfst en had Sinterklaas een ijsbreker nodig om de Noordzee door te komen. Sint, laat uw dikke tabbert deze keer maar gerust in de koffer en laat uw Pieten maar strooien met ijslollies. En die maan zullen we heus niet door de bomen zien schijnen, want daar hangen nog veel te veel groene bladeren aan. Misschien kunt u beter na de kerst komen, want dan heeft het weer veel meer karakter, hoop ik.

En tóch staat er snert op het menu, met woeste ingrediënten. Eigenhandig gespleten erwten, keiharde winterpeen, een hele kast varkensribben en boer’n rookworst . Dat moet. Het hoort bij de tijd van het jaar. Het ís potverdorie herfst, dus zal er stoer voedsel op tafel komen. Deze miezerige herfst krijgt mij er niet onder. Hah!

Powered by ScribeFire.